Over de Vuistbijl van Wijnjeterp


     

Hendrik van der Vliet, De strijdbijl van Wijnjeterp
Over de vuistbijlvondst van Hein van der Vliet en de beschuldigingen van vindplaats- en vinderschapsvervalsing ),
De Oare útjouwerij, Enschede 1991

Daarnaast de friestalige presentatie in het Streekmuseum te Gorredijk op 13 april 1991 (deel 2 met Hendrik van der Vliet, uitgever Goaitsen van der Vliet en bestuursvoorzitter Jacobus Hoogeveen)


Gratis op te halen als digitaal bestand (PDF, 73Mb)
Dit is het complete binnenwerk van het boek, precies zoals het werd uitgebracht in 1991.
Er wordt nog gewerkt aan een nieuwe versie met correcties en aanvullingen.
Klik hier:
Hendrik van der Vliet, De strijdbijl van Wijnjeterp (1991).


Het boek bestellen
Particulier: In de bus na overmaking van 10 euro (plus eventueel een vrijwillige bijdrage in de verzendkosten) op banknummer banknummer NL49 INGB 0004 6113 91 van De Oare útjouwerij in Enschede met vermelding van uw eigen adres en titelafkorting SBW. Een mailtje naar dou@home.nl kan de levering versnellen.
Boekhandel: Zie onze
leveringsvoorwaarden.

ISBN 90 71610 11 X
Samenstelling, aanvullend onderzoek en eindredactie: Goaitsen van der Vliet


Inhoud

- Over de schrijver
-
Voorwoord (door uitgever Goaitsen van der Vliet)
- De vondst
- Erkenning en publicatie
- Blijvend onderdak
- Donderslag bij heldere hemel
- IJzersterke bewijzen
- Nieuwe verdachtmakingen
- Getuigen
- De vuistbijlkwestie in de media
- De standpunten van de streekmusea
- Het oordeel van de wetenschap
- Kort geding
- Kat in het nauw
- Besluit

Niet in het boek
-
Post scriptum. Een reactie van Hendrik van der Vliet op nieuwe aantijgingen van Jan Post naar aanleiding van De strijdbijl van Wijnjeterp.
-
Uitspraak: J. Post tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant
 


Over de schrijver

Hendrik van der Vliet werd op 14 april 1916 geboren te Lippenhuizen als oudste zoon van Hein van der Vliet en Trijntje de Vries. Hij was achtereenvolgens werkzaam als kwekeling met akte en als onderwijzer aan de openbare lagere school te Wijnjeterp (1941-1946), als hoofd van de o.l. school te Surhuizum (1946-1956) en als hoofd van de o.l. school De Stins te Burgum (1956-1979).
Naast diverse artikelen in kranten en tijdschriften verschenen van zijn hand in boekvorm: 

Hendrik van der Vliet overleed op 21 december 2002.

Auteur Hendrik van der Vliet met de Vuistbijl van Wijnjeterp en een portret van vader en vinder Hein van der Vliet op de achtergrond.


Voorwoord

Het is al ruim vijftig jaar geleden, dat de Friese amateur-archeoloog Hein van der Vliet bij Wijnjeterp een zogenaamde vuistbijl vond, een eenvoudig uit vuursteen gemaakt werktuig uit de oude steentijd. Deze vondst was van grote historische betekenis, omdat er voor het eerst mee werd aangetoond dat Noord-Nederland al voor de laatste ijstijd bewoond was geweest. Het duurde dan ook jaren voordat de vuistbijl door de wetenschap als zodanig werd erkend, en als de Vuistbijl van Wijnjeterp een begrip werd in archeologische kringen.
Er was geen sprake van enige twijfel aan het gegeven, dat het Hein van der Vliet zelf was geweest die de bijzondere steen in 1939 had opgeraapt op de door hem aangewezen plek. In mei 1990 echter gaf Wouter van der Horst, conservator van het Drachtster museum It Bleekerhûs, in een publicatie een geheel andere voorstelling van zaken. Aan de hand van enkele getuigeverklaringen en geschriften beweerde hij, dat de steen in 1945 door twee schooljongens was gevonden en via een tussenpersoon terecht was gekomen bij Hein van der Vliet, nog lang voordat die er mee in de openbaarheid trad.
De beschuldigingen hadden in met name de Noordelijke pers een reeks publicaties tot gevolg, waar bijna een jaar later nog steeds geen einde aan lijkt te zijn gekomen. Velen namen het op voor de reeds in 1956 overleden amateur-archeoloog, maar ondanks een kort geding en diverse getuigeverklaringen die het tegendeel aantoonden, bleven Van der Horst en zijn medestanders bij hun bewering, dat Hein van der Vliet zich schuldig had gemaakt aan vinderschaps- en vindplaatsvervalsing.

In dit boek worden de belangrijkste feiten in deze kwestie op een rij gezet, om voor eens en altijd duidelijk te maken wat er zich zoal heeft afgespeeld, indertijd rond de vondst en de erkenning van de Vuistbijl van Wijnjeterp, en gedurende de periode na 31 mei 1990, toen op de voorpagina van de Leeuwarder Courant melding werd gemaakt van bedrog door Hein van der Vliet. Behalve de reeds uit een kleine honderd krantenberichten bekende feiten, komen er vele nieuwe gegevens aan de orde, bijvoorbeeld over de cruciale rol die de Opeinder dokter en amateur- archeoloog J. Siebinga heeft gespeeld bij het lange uitblijven van erkenning van de vuistbijl, en over hoe en wanneer die andere steen bij Hein van der Vliet terechtkwam.

Voor de totstandkoming van dit boek werd gebruik gemaakt van diverse publikaties, brieven, verklaringen, radiouitzendingen, mondelinge mededelingen en eigen herinneringen van de schrijver.
Citaten en titels zijn cursief afgedrukt. Alle geciteerde teksten, ook die van de radiouitzendingen, zijn letterlijk weergegeven en te allen tijde verifiëerbaar. Omwille van de authenticiteit zijn een aantal ervan niet vertaald uit het Fries. We gaan er van uit dat die teksten, zij het met enige moeite, ook door niet-Friezen in grote lijnen wel begrepen zullen worden.

Enschede, maart 1991
De uitgever (Goaitsen van der Vliet)

De Vuistbijl van Wijnjeterp in de hand van vinder Hein van der Vliet.

De vindplaats vanuit de lucht gezien anno 2006. Linksboven is het Koningsdiep zichtbaar. Op het kaartje op pag. 84 van het boek staat de preciese vindplaats aangegeven. De coördinaten zijn 53º 03" 06 N en 6º 08" 32 E.

Het onderstaande kan beschouwd worden als een aanvulling op het boek. De genummerde noten staan onderaan het artikel.

Hendrik van der Vliet - Post Scriptum

Dit is een reactie op de brochure Contra-expertise De Bijl die Jan Post volgens het weekblad Actief (van 13-12-1995) na het bijwonen van een lezing (op 14-11-1995) achterliet in het Streekmuseum in Burgum, verstopt onder een exemplaar van mijn al meer dan vier jaar eerder verschenen boek De strijdbijl van Wijnjeterp.
Eigenlijk staat alles wel duidelijk genoeg in het boek, maar ik wil toch kort ingaan op enkele zaken die het ondergeschoven kindje aanroert. Ik doe dat vooral voor echt geïnteresseerden en voor degenen die later de Wijnjeterper vuistbijlkwestie nog eens willen bestuderen. Ik doe geen poging om Jan Post van zijn ongelijk te overtuigen, dat lukt toch niet, want, zoals voorzitter J. Hoogeveen van het Streekmuseum Opsterland bij de presentatie van het boek (op 13-4-1991) al zei: As men ferkeard wól, dan kin dat altyd.

Over Hein van der Vliet
Hein van der Vliet was niet, zoals de onnauwkeurige Jan Post schrijft, de oudste van 6 kinderen. Hij had maar één broer (Tamme) en één zuster (Berber). Dat hij niet aan het werk kon komen, is ook onzin. Hij had als metselaar altijd wel werk, maar stichtte later met broer Tamme en Siene Dijkstra uit Gorredijk een aannemersbedrijf. Ze voerden o.a. werken uit voor zuivelfabrieken in en buiten Friesland.

De beschuldiging, dat Hein van der Vliet zich in 1945 voor het tribunaal moest verantwoorden, werd in ons boek al ontzenuwd met de verklaring van de burgemeester van Opsterland, dat mijn vader secretaris was geweest van de zuiveringscommissie PTT-personeel. Jan Post blijft natuurlijk koppig volhouden en beschouwt hem als iemand die zelf gezuiverd had moeten worden maar anderen beoordeelde (wat volgens Gjalt Zondergeld wel voorkwam om zo weer 'schoon' te worden). Mijn vader was niet betrokken bij het Staatsbedrijf, maar dat was ook niet nodig. Hij werd voor de functie gevraagd, omdat hij bekend stond als een geacht en integer man, als betrouwbaar en eerlijk. Om voorzitter Hoogeveen nog een keer te citeren: As der ien earlik wie en rjocht troch see, dan wie dat wol Hein van der Vliet.

Over het kort geding
De kleding van beide partijen bij het kort geding was voor Jan Post een belangrijk punt: Het gezin Van der Horst was op zijn paasbest, maar de kleding van de familie Van der Vliet liep wel 10 jaar achter en er was zelfs iemand bij met een losgelaten schoenzool. Bij een familie die, zoals Jan Post ook schrijft, op het vlak van de intelligentie wat beneden peil is, kun je zoiets verwachten. Nee, dan Jan Post zelf, die stal de show: de uitgever van De Neitiid had een overhemd aan en een nieuwe vriendin bij zich.
Belachelijk of lachwekkend, hoe moet men zulke uitspraken noemen? Ik heb er in ieder geval hartelijk om moeten lachen.
Over het geding zelf verwijs ik graag naar blz. 67 van het boek, waar Bernard van der Vliet (kleinzoon van Hein van der Vliet en directeur van de o.b.s. van Gersloot) voldoende informatie geeft.

Over de geldzaken
Wouter van der Horst verklaarde dat hij de kosten van de advocaat zelf zou betalen (Leeuwarder Courant 8-12-1990). Daar meende hij natuurlijk niets van en het is ook niet gebeurd.
Volgens de Drachtster Courant (van 27-11-1992) had het bestuur van het Streekmuseum in november 1990 besloten niet in te gaan op het voorstel van de conservator (die de bui zag hangen?) om een rechtsbijstandverzekering af te sluiten, want dat vonden ze niet nodig. In augustus 1991 echter sloot Van der Horst buiten het bestuur om toch zo'n verzekering af. De polis kwam op naam van Stichting It Bleekerhûs en werd getekend door Van der Horst. De premie voor het eerste en het tweede jaar werden betaald door de Gemeente Smallingerland.1
Volgens penningmeester Joop Bolhuis zullen er maatregelen tegen Van der Horst worden genomen. Van der Horst wilde geen commentaar geven op deze kwestie, schrijft de krant. Dat is begrijpelijk. Ik neem aan dat hij zich heeft willen indekken voor een eventuele bodemprocedure over de vuistbijlkwestie.

Over wetenschappelijk onderzoek
Jan Post voelde behoefte aan een wetenschappelijk onderzoek naar de vondst van de vuistbijl. In de Drachtster Courant (van 12-6-1990) schreef hij: Men soe dochs hoopje, dat ek wittenskipslju hjir ris kritysk op yn gyngen.
Hij kreeg ruimschoots zijn zin, maar in zijn brochure (blz. 13) schrijft hij dat hij het wetenschappelijk rapport van drs. E. Kramer en drs. L. Postma over de vuistbijlkwestie in het decembernummer 1990 van De Neitiid zou plaatsen (dat had hij beloofd), maar dat hij dat had uitgesteld tot het volgende nummer. Dat was een smoesje. Hij wilde het helemaal niet plaatsen omdat de conclusies voor hem niet gunstig waren. Neitiid, december 1990: Men kan zijn schrijvers niet af laten gaan. Bijna had ik een auteur in de steek gelaten, bijtijds hield ik me in (zie ook blz. 75 in het boek).

Op de discussie tussen Jan Post en ing. Ernst Huisman ga ik verder maar niet in, dat wordt te technisch in dit verband. De deskundige oudchef van de afdeling Weg- en Waterbouw van de Gemeente Opsterland heeft Post zodanig op zijn nummer gezet, dat hij, blijkbaar in machteloze woede, spreekt van: de van wraak krijsende en vuurspuwende propagandist en over de van gif vergeven delen van het proza van Ernst Huisman.

Over de proefopgraving
Nog wel iets over de foto van de proefopgraving van 17-9-1950, die voorin het boek is afgedrukt. Jan Post had daarop immers mijn vader en zelfs mijn moeder als toeschouwers ontdekt. De zich een beter speurder tonende Ernst Huisman ontdekte dat de voorste toeschouwer niet mijn vader was, maar de Wijnjeterper timmerman Klaas Jan Hijlkema.

 

Op de laatste bladzijde van zijn brochure heeft Post een tekening gemaakt van die opgraving om op grond van de links zichtbare arbeider de diepte van de sloot te bepalen. Zijn conclusie klopt echter niet, want de Sherlock Holmes uit Houtigehage heeft niet gezien dat er linksonder het midden van de foto nog een hoofd te zien is van een tweede arbeider die veel dieper staat. Daar is de blik van Hijlkema op gericht.

Mijn vader is er trouwens helemaal niet bij geweest, omdat hij bewust onkundig werd gehouden van deze door dr. Bohmers georganiseerde proefopgraving. Dat blijkt ook uit zijn brief van 18-9-1950 (de dag erna) aan mr. P. C. J. A. Boeles: Men zeide toen ter plaatse te willen graven waar ik de steen vond en verzocht mij verder er voorlopig generlei melding van te maken. Ik had echter u er gaarne van in kennis gesteld, daar ik wist dat u met de 2e druk van Friesland tot de elfde eeuw bezig was en naar mijn mening de steen daarin vermeld behoorde te worden. Er is bijna een jaar verlopen, maar tot dusverre is er nog steeds niet gegraven. Gebruikmakend van deze brief vermeldde Boeles de Wijnjeterper bijl in zijn boek (blz. 543).
De brief werd opgediept door dr. Jurjen Bos uit het jaren ontoegankelijke Boeles-archief, dat werd beheerd op de Universiteit van Amsterdam. Op 4-7-1991 zond drs. Evert Kramer, Hoofd Archeologische Dienst, mij daarvan een kopie en vermeldde o.a. daarbij: Deze brief onderstreept opnieuw de opvattingen die van uw zijde, maar ook door Halbertsma, Postma en mij naar voren zijn gebracht (...). Ik weet dat ik u en uw overige familieleden een groot plezier doe met de copie. Alle passages uit deze brief uit onverdachte hoek afwegende, kunt u inderdaad met voldoening terugkijken op de publicatie van het boek.

Over de ontvangst van het boek
Post heeft natuurlijk geen goed woord over voor De strijdbijl van Wijnjeterp. Hij twijfelt zelfs aan mijn auteurschap. Wat dat betreft kan ik hem geruststellen of misschien moet ik hem teleurstellen. Op een familiebijeenkomst heb ik voorgesteld een boek te schrijven over de vuistbijlkwestie, om alles eens duidelijk op een rij te zetten. Dat vond algemene instemming en zo is het boek van mijn hand er gekomen, als blijvend document.
Jan Post noemt het boek klunswerk en een smaadschrift. Door pers en radio is het als zeer overtuigend beoordeeld: Leeuwarder Courant (Kerst Huisman), Woudklank (Hans de Jong), Actief (Jan Jongsma), Drachtster Courant (Max van der Berg), Friesch Dagblad (Gerhard Bakker, die het zelfs verplichte kost noemde voor de gemeenteraad van Smallingerland), Frysk en Frij (Jan Jongsma) en voor Omrop Fryslân door Pieter Terpstra, die eindigde met de vraag: Hoe moat it no mei de hear Van der Horst?
Dat laatste weten we inmiddels: Wouter van der Horst werd ontslagen2 als conservator bij It Bleekerhûs en vertrok.

Over de laatste stuiptrekkingen
Ook Jan Post is uitgerangeerd. Een royement door het bestuur van It Bleekerhûs dreigde, maar volgens de Drachtster Courant (van 20-2-1993) heeft hij zich toen zelf teruggetrokken. Hij moest ook stoppen met zijn blad De Neitiid. Daarvan geeft hij de schuld aan de Leeuwarder Courant, die hem kapot zou hebben geschreven en zo de oorzaak zou zijn van het teruglopen van het aantal lezers.
In een brief met tien bijlagen diende Jan Post (op 25-3-1993) bij de Raad voor de journalistiek een klacht in tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant, H. Speerstra. Zonder succes overigens: De Raad is van oordeel, dat de Leeuwarder Courant op evenwichtige wijze aandacht heeft besteed aan de visie van de verschillende partijen zonder dat de klager daarbij nodeloos negatief is belicht. De beslissing ter zitting van de Raad op 4 februari 1994 door mr. W. D. H. Asser, voorzitter, mr. L. van Vollenhoven, mr. B. A. Schmitz, mr. A. J. Heerma van Vos en mr. D. T. Dalmolen, leden in tegenwoordigheid van mr. A. C. M. Karsten als secretaris was dan ook: De Raad acht de klacht ongegrond.

Een hierdoor onmiskenbaar getergde Jan Post geeft in het door hem geschreven boekwerkje Lapidarium Frisicon (dat in 1995 te koop lag in een boekhandel in Drachten, maar waar ik verder nooit iets over heb gelezen of gehoord) de Leeuwarder Courant er nog eens van langs: Voor tegenwoordig nieuws is de krant zeer meegaand met de provinciale besluitvorming. Een ramp voor een structurele oppositie, daar er geen andere spreekbuis is. Te meer daar de redacteuren hier eigen hobby's botvieren. Zoals het treiteren van onafhankelijke historische onderzoekers; het aan het woord laten van vroegere en crypto-fascistische sibbe's, die zich nooit van wat ook gedistancieerd hebben of daarvan spijt hebben betoond. En het publiceren van schijnonderzoek door redacteuren, die niet scherp genoeg zijn om onderscheid te maken tussen waan en feiten, zowel van hun eigen schrijfsels als dat van de hiervoor genoemde aangevers.

In zijn nieuwe brochure schrijft hij iets dergelijks (blz. 27): We hadden overigens buiten de kwalijke rol van de provinciale pers gerekend, die opende zijn kolommen niet voor ons. Wel voor leugenaars en bedriegers. Dit gebral van iemand die zelf aan de wetenschappers Kramer en Postma geen plaatsruimte gunde in De Neitiid, doet wel wat komisch aan.
De hierboven vermelde uitspraken werden misschien ook wel ingegeven door de publicatie van Leeuwarder Courant-redacteur Kerst Huisman over de wijze van geschiedschrijven door Jan Post. Uit de titel daarvan blijkt zijn oordeel wel: Reekgerdinen en klapsigaren.

In zijn Drachtster boekwerkje schrijft Post ook over amateur Van der Vliet, de ambitieuze man die voor zijn nazaten nog steeds navolgenswaard was: Oftewel wat men zich met een leugentje heeft toegeëigend, moet met bedrog worden verdedigd. Uit de wijze waarop hij de vuistbijlkwestie er bij sleept wordt duidelijk, dat hij zijn ei niet meer kwijt kan. Zodat hij tenslotte zijn toevlucht zoekt in het achterlaten van een brochure in het Streekmuseum Tytsjerksteradiel.

Over de presentatie
Ook wetenschappers hebben De Strijdbijl van Wijnjeterp positief beoordeeld. Bij de presentatie van het boek (op 13-4-1991 in het Streekmuseum Opsterlân in Gorredijk) werd gesproken door dr. Herre Halbertsma, die nogmaals duidelijk uit de doeken deed, dat hij al in 1943 van de steen (de later erkende vuistbijl) wist en vertelde wat zich in de veertiger jaren daarover verder had afgespeeld.
Doordat dokter Siebinga bij zijn eerste bezoek aan Lippenhuizen een negatief oordeel gaf (dat ook bekend werd bij prof. Van Giffen) kwam er van een bezoek door wetenschappers eerst niets.
Dr. Halbertsma zei poerlulk te zijn over de beschuldigingen van Van der Horst c.s.
Dit alles is opgenomen op geluidsband en op video. Zo ook de andere sprekers: drs. Lammert Postma, drs. Evert Kramer. De tekst van de toespraak die de door ziekte verhinderde paleolithicumdeskundige Ad Wouters uit Den Bosch had willen houden, werd voorgelezen door Hein van der Vliet uit Heerenveen.
Verder spraken nog Ernst Huisman en Andries Monderman, die beide daarbij ook nog voor een vrolijke noot zorgden.
Eerder was in de Hein van der Vliet-zaal al het woord gevoerd door museumvoorzitter J. Hoogeveen, door de uitgever ir. Goaitsen van der Vliet en de schrijver Hendrik van der Vliet. De bijeenkomst werd geleid door Bernard van der Vliet uit Gersloot.

Over Jan Boschker
De door Jan Post geuite verbazing op blz. 21 van zijn brochure toen Jan Boschker ons bijviel, zorgde bij mij voor nog veel meer verbazing. De schriftelijke verklaring van (de bij de boekpresentatie aanwezige maar helaas vorig jaar overleden) Boschker was toch juist een steun voor ons standpunt! Zie hiervoor het boek op blz. 41.

Over Bram Kieft
Dan nog iets over een brief van Kieft, door Jan Post genoemd in zijn brochure (blz. 7). Kieft heeft ons inderdaad een brief geschreven (op 1-7-1990). Niet met een verklaring dat ze de vuistbijl niet hebben gevonden, maar hij spreekt daarover wel zijn twijfels uit: Ik kan onmogelijk vaststellen waar de waarheid ligt. Zie ook mijn boek blz. 38 en 39.

Over de getuigen
Onze twaalf getuigen worden door Jan Post allemaal als leugenaars ontmaskerd. Hij kan natuurlijk ook niet anders. Als hij er ook maar één van accepteert, valt de basis onder zijn beschuldigingen weg.
En wat mijzelf betreft, wat er ook allemaal wordt geschreven over de vuistbijlkwestie en wat er aan de haren wordt bijgesleept, voor mij is het heel simpel. In 1939 heb ik de steen, die door mijn vader als een belangrijke vondst werd beschouwd en pas veel later door de wetenschap als vuistbijl werd erkend, met mijn eigen ogen gezien en in mijn eigen handen gehouden bij ons thuis in Lippenhuizen. Jan Post bestempelt mij als leugenaar. Maar één van ons beiden kan gelijk hebben en elke lezer moet voor zichzelf maar uitmaken wie hij het meest betrouwbaar vindt.
Al de andere getuigen-leugenaars wil ik niet weer de revue laten passeren, dat zou herkauwen worden, maar bij een paar nog een enkel woord.
Op getuige Rinkje van der Wal-Rozema is door Hein van der Vliet jr. geen aandrang uitgeoefend om het woord 'vuistbijl' vast te leggen. Hij heeft nooit mondeling of schriftelijk contact met haar gehad en hij kent haar niet.

Dan over getuige Bertus van der Berg en de tabaksbon in 1951. Die verklaarde: Ik weet nog dat Van der Vliet toen vertelde van iemand die bij hem was geweest met een waardeloze steen, die hij had gekocht voor een tabaksbon. Jan Post daarover: Helaas voor Van der Berg gaat dat verhaal niet op, tabaksbonnen waren al voor 1 juli 1949 afgeschaft. Helaas voor Jan Post is die 'hij' niet mijn vader, maar Andries van der Bos, die in 1945 een steen van de jongens verkreeg voor een tabaksbon en dat was 4 jaar voor de afschaffing!

Dat onze belangrijkste getuige dr. Herre Halbertsma volgens Jan Post zelf ook twijfelt is absoluut onjuist, dat heeft hij bij de presentatie van het boek wel heel duidelijk gemaakt, maar ook dat heb ik al beschreven.

Wel kan ik er nog een getuige aan toevoegen: Op 2 mei 1991 schreef de Apeldoornse onderwijzer Andries Drost, die als Mulo-scholier vaak met mijn vader ging stenenzoeken, een ingezonden stuk in Frysk en Frij, waarvan ik hier het slot citeer: Hiel faak haw ik op skoalle ferteld fan ús stientsjesykjen yn Fryslân. Ik bin bliid dat syn stiennen, dy't ik by him thús sa faak sjoen haw, no útstald binne op 'e Gerdyk yn it Streekmuseum. As ik tafallich op 'e Gerdyk kom, rin ik der efkes yn. Alle lêzers fan dit stikje moatte dat ek mar ris dwaan en dan betinke dat Hein van der Vliet al yn 1940/41 de rjochte fynder wie fan de stiennen fûstbile. Ik ha dy bile doe al sjoen. Soe de konservator yn Drachten noch kommentaar hawwe?

Over en sluiten
Hiermee wilde ik dit naschrift besluiten, hoewel ik nog veel meer zou kunnen schrijven naar aanleiding van het epistel van Jan Post, maar ik ben het zat. Toch wil ik één vreemde streek van hem niet onvermeld laten.
Volgens Actief (van 13-12-1995) schreef hij op 18 november 1995 een brief aan de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel met de vraag om het boek van Hendrik van der Vliet over de vuistbijl uit het Streekmuseum te verwijderen. De krant noteert uit de mond van een gemeente-ambtenaar: Sa'n frjemde brief hawwe we hjir noch noait hân. Gemeentevoorlichter Wybren Oppedyk: It gemeentebestjoer stelt net fêst, hokker materiaal yn it Streekmuseum bewarre wurdt. Streekmuseum-voorzitter Klaas Henstra, die Jan Post al zo'n 40 jaar kent (ze zaten op dezelfde school) maar door hem een zekere Henstra wordt genoemd, is het met de inhoud van de brochure geheel oneens en vindt dat Post zich door zijn handelwijze fierder bûten de mienskip pleatst.
Wat querulant Post, die zoals Ernst Huisman al schreef ongetwijfeld zal vasthouden, dat de aarde plat is, nu verder ook zal doen of beweren, voor mij is met dit Post Scriptum de kous af en hiermede spreekt de schrijver van De Strijdbijl van Wijnjeterp zijn dixi uit.

Hendrik van der Vliet, Burgum, 16 januari 1996

Noten (2-12-2006)
1 Volgens een aangetrouwd familielid klopt dit verhaal over de rechtsbijstandverzekering niet: "
De heer Van der Horst heeft daar volkomen rechtmatig gehandeld, ook in het belang van zijn collega's, en alles in overleg met de voorzitter. De Gemeente Smallingerland beweerde toen ook zoiets. Dat kostte ze later 30.000 gulden aan schadevergoeding."
2 Volgens datzelfde familielid heeft hij "...eervol ontslag gekregen. U kunt dit navragen bij de Gemeente Smallingerland. Ik vrees dat ze daar nog een kater hebben van de afkoopsom. De heer Van der Horst kon er heerlijk van met pensioen op zijn 51e!"


     
Foto met Hein van der Vliet, H.J. Popping en Lute de Jong bij de opgraving van de grafheuvel aan de Poostweg te Wijnjeterp (1939). Daarnaast deel 4 van de friestalige presentatie in het Streekmuseum te Gorredijk op 13 april 1991 met Bernard van der Vliet, Ernst Huisman en Hendrik van der Vliet (met aan het eind de hilarische ontknoping over de 'wite knibbels' van timmerman Klaas Jan Hijlkema).
 

Uitspraak: J. Post tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant

In een brief van 25 maart 1993 met tien bijlagen heeft J. Post te Houtigehage (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant, H. Speerstra (betrokkene). Deze heeft op de klacht gereageerd in een brief van 21 juni 1993. Daarop is een schriftelijke repliek gevolgd van klager van 10 juli 1993. Op deze brief is door betrokkene gereageerd in brieven van 12 januari en 18 januari 1994, de laatste met een bijlage.

De feiten
Klager is de uitgever van het tijdschrift Neitiid, dat verschenen is van 1986 tot eind 1992. In de eind mei 1990 verschenen aflevering van dit kwartaalblad is een artikel verschenen van Wouter van der Horst waarin deze stelde, dat de bekende amateur-archeoloog Hein van der Vliet (1890-1956), die de geschiedenis was ingegaan als "de vinder van de bekende Vuistbijl van Wijnjeterp", die bijl niet zelf in 1993 had gevonden, maar dat hij die in 1947 van een paar jongens uit Wijnjeterp had gekocht.
Aan deze publikatie is in de Leeuwarder Courant van 31 mei en 1 juni 1990 door respectievelijk de journalist Kerst Huisman en de zoon van Hein van der Vliet aandacht besteed. Op 28 november 1990 werd een bericht opgenomen waarin klager betoogde dat Hein van der Vliet de vuistbijl niet kón hebben gevonden op de door hem aangegeven plaats op grond van door klager vermelde gegevens over de bodemgesteldheid. Eind 1990 werd in de Leeuwarder Courant een inmiddels ontstane discussie in de ingezonden brievenrubriek over de kwestie gesloten.
Vervolgens verscheen in de Leeuwarder Courant van 10 januari 1991 een nieuw artikel van de journalist Kerst Huisman waarin hij de visie publiceerde van de amateur-historicus Ernst Huisman met betrekking tot de door klager gebruikte bodemgesteldheidargumenten. Later werd in de krant aandacht besteed aan de verschijning van het boek De strijdbijl van Wijnjeterp van Hendrik van der Vliet, zoon van Hein van der Vliet.
In de Leeuwarder Courant van 27 november 1992 is in een column van Pieter de Groot aandacht besteed aan de opheffing van het tijdschrift van klager in de volgende (uit het Fries vertaalde) passage.
Een week van vragen. Wat beweegt Jan Post
De Neitiid op te heffen? Hij was toch eigen baas? Het stond hem vrij de Friese geschiedenis naar zijn hand te zetten, en hoefde niemand rekenschap af te leggen. Hij kon ook niet botsen met de ethiek van het vak, want hij had een gezaghebbende titel noch functie, anders dan zijn vriend Wouter van der Horst die de vuistbijl van Ureterp [sic] in zijn eigen vlees heeft gekregen.

De standpunten van partijen
Klager is van oordeel dat hijzelf en de in zijn tijdschrift Neitiid publicerende auteur Wouter van der Horst door de Leeuwarder Courant kapot zijn geschreven onder andere omdat bij de heropening van de discussie over de vondst van de vuistbijl door Hein van der Vliet door de publikatie van het artikel van Kerst Huisman van 10 januari 1991 geen commentaar is gevraagd aan klager en ook overigens geen of onvoldoende aandacht is besteed aan de door klager gebezigde argumenten. Dat laatste geldt ook voor de bespreking in de krant van het boek De strijdbijl van Wijnjeterp. Ter zitting heeft klager benadrukt dat hij zich in het bijzonder gegriefd voelt door de column van Pieter de Groot. Het feit dat hij het tijdschrift Neitiid heeft opgeheven is naar zijn mening namelijk het gevolg van de publikaties in de Leeuwarder Courant. Volgens klager zijn die publikaties de oorzaak van het teruglopen van het aantal lezers. Het tijdschrift verscheen in een oplage van ongeveer 200 stuks. In het tijdschrift werd niet alleen geschreven over de kwestie van de vuistbijl maar ook over andere onderwerpen.
Betrokkene is van oordeel dat klager niet heeft waargemaakt dat hij door de krant kapot zou zijn geschreven.

Beoordeling van de klacht
Ook na kennisneming van de door klager ter zitting van de Raad nog eens onder de aandacht van de Raad gebrachte door klager uitgegeven brochure De bijl waarin klager zijn visie op de controverse over de vondst en de daaraan gewijde publikaties geeft is de Raad door klager niet overtuigd van het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de terugloop van het aantal lezers van het tijdschrift Neitiid en de artikelen in de Leeuwarder Courant. De Raad is van oordeel dat de Leeuwarder Courant op evenwichtige wijze aandacht heeft besteed aan de visie van de verschillende partijen zonder dat klager daarbij nodeloos negatief is belicht.

Beslissing
De Raad acht de klacht ongegrond.
De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Leeuwarder Courant te publiceren.
Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 4 februari 1994 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr L. van Vollenhoven, mr B.A. Schmitz, mr A.J. Heerma van Voss en mr D.T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.
RvdJ 1994, 1.

(Het bovenstaande is overgenomen van de website van de Raad voor de Journalistiek.)


2015-10-14 
De Oare útjouwerij, post dou@home.nl
 

website analytics