De Oare  útjouwerij

J. Heymans, Sprong over de IJssel (Over en met Paul Gellings, Kester Freriks, Renée van Riessen, Kader Abdolah, Marcel Möring, Guus Middag, Marc Reugebrink, Stephan Sanders, Jaap Scholten en Oscar van den Boogaard), De Oare útjouwerij, Enschede 1997



Bestellingen

Particulier: In de bus na overmaking van 15 euro (en eventueel een vrijwillige bijdrage in de verzenkosten) op giro 4611391 van De Oare útjouwerij in Enschede met vermelding van adres en SOY. Boekhandel: Zie onze leveringsvoorwaarden.
 

Inhoud

- Infopagina
- Flaptekst

Sprong over de IJssel

Ik ben er later nog eens teruggekomen:
Er stonden helemaal geen bomen.

(Adriaan van Dis)

Paul Gellings Sprong over de IJssel
Kester Freriks De heerlijkheid van Mariënlo
Reneé van Riessen Kamper licht
Kader Abdolah De treurwilg en de rivier
Marcel Möring Boven op De Berg
Marc Reugebrink Goor-West, het station en de rest
Guus Middag De Zee op de Heide
Stephan Sanders Kroes in Oldenzaal
Jaap Scholten De jachthut op 't Sybrook
Oscar van den Boogaard Stromingen bij een rustplaats

Plaats: Plek

we moesten daar maar eens een kijkje gaan nemen!
dat lijkt me een goed idee!

(Martin Reints)

Paul Gellings Zwolle: Het Engelse Werk
Kester Freriks Almelo: Bellinckhof
Renée van Riessen Kampen: Zwartendijk
Kader Abdolah Welnis: IJssel
Marcel Möring Enschede: IJsbaanweg
Marc Reugebrink Diepenheim: Coulissenlandschap
Guus Middag Boekelo: Spoorlijn
Stephan Sanders Denekamp: Sint Nicolaasstichting
Jaap Scholten Enschede: Het Sybrook
Oscar van den Boogaard Deventer: Pont

- Verantwoording
- Colofon
 


Infopagina

Deze uitgave werd mede mogelijk gemaakt door het Provinciaal Anjerfonds Overijssel, de Provincie Overijssel, de gemeenten Goor, Oldenzaal en Zwolle, de Openbare Bibliotheek in Almelo (met dank aan Jan Krol), Lambrechtsen en Willems Notariskantoor, en Kienhuis Advocaten.

ISBN 90 71610 42 X

Hoofdstukken uit de Overijsselse literatuurgeschiedenis III
Fotografie: Johan Ghijsels
Vormgeving: Lidy Roemaat

Sprong over de IJssel © 1997 J. Heymans, Enschede
Plaats: Plek © 1997 De diverse auteurs
Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Zie ook deel I en II: Terug naar De Brug en Oorlog op Pathmos
 


Flaptekst

(...)

Paul Gellings: Het Engelse Werk

Schrik ik ergens anders wakker, dan graag daar,
op een benauwde dijk. In ochtendmist de oude
brug zijn sprong over de rivier zien wagen.

Laat de tijd stilstaan, of liever, rondgaan
in de tuinen, zoals ik er liep, alleen met
wie mij lief was, elke keer de langste dag.

Hoe verlaten zal het zijn, wanneer een maartse
bui beloften breekt en in de wapperende
rododendron geen beschutting meer bestaat;

wanneer niemand er aan denkt, het licht
thuis uitwaait en uitzicht op gedachten
wordt verduisterd. Maar schrik ik wakker,

dan graag daar. Laat maanden samensmelten
tot één morgen aan het einde van de winter,
nevel van de dijk afglijden, vervloeien

tussen gras en grint. Met wat geluk
is nog het zwijgen hoorbaar
over alles voor en achter ons.
 


Marcel Möring: IJsbaanweg

Een keer gingen we aan het eind van de zomer, de beeldhouwer, zijn vrouw, zijn dochters en ik, het bos in. We waren de hel dag bezig met het verzamelen van sprokkelhout. Er werd een zieke boom omgezaagd, we snoeiden vergroeide takken en maakten de paden schoon. 's Middags aten we op de open plek, vlak naast de laan, en die avond, toen we klaar waren, brachten we daar het afvalhout heen en maakten een groot vuur. Het begon al kouder te worden. Eind september. We trokken onze truien aan en de beeldhouwer en ik bouwden een kampvuur. Eerst een berg dorre bladeren, overdekt met twijgen, toen een soort wigwam van takjes, en daar overheen zware, knoestige takken, zo dik als een arm, soms nog groen. na een tijdje stond er een kegel van hout. Aan de onderkant hadden we een kleine opening gelaten, waar een droge, brandende tak in werd gestoken. Zo begon het kampvuur van binnenuit te branden, van klein en groot, van droog naar nat. Het duurde niet lang voor we een groot vuur hadden en in de as daarvan poften we aardappels. Boven ons en in het bos was het toen helemaal donker geworden en wij zaten op die open plek, verlicht door de vlammen. Vonken spatten tussen de kruinen uiteen en boven die snel oplichtende en weer dovende sterren was het stofspoor van de melkweg zichtbaar. Omringd door schaduwen die als indianen tussen de bomen dansten, zaten we daar. We waren een beetje bang. De beeldhouwer vertelde ons, terwijl wij onze aardappels op stokken prikten en in de as hielden, een verhaal.
Dit is dertig jaar geleden, achter het huis van Elvira, het huis dat wij De Doos noemden, omdat het aan de voorkant op een opengeschoven luciferdoos leek. Als je er langs liep, zag je aan de rechterkant een stukje gras met een vijver en daarachter de dichtbegroeide spoordijk, bijna als een berg zo hoog. Links was de zijkant van De Doos, waarvan het grootste deel in beslag werd genomen door het atelier. Nog verder en je kwam in Het Bos.
Ik ben er later nog een keer langs gekomen, we stonden beneden, bij de haven en keken omhoog en toen was Het Bos niet eens zo groot. Ik kon me bijna niet meer voorstellen dat Elvira en ik daarin soms een dag rondzwierven, zij Winnetou (vanwege haar lange zwarte vlechten), ik Old Shatterhand. We reden vaak 's ochtends vroeg al op onze denkbeeldige paarden het hooggebergte in, voorzien van een paar droge stengels spaghetti, een appel en vier boterhammen met pindakaas. Die spaghetti aten we rauw. In die tijd was dat om de een of andere reden een bijzondere lekkernij.
De Doos en het Bos lagen aan het einde van de IJsbaanweg, een doodlopende straat die op de dijk langs de haven lag en zelf weer overging in een nog hogere dijk, waarover het dubbele spoor liep dat de stad met de rest van de wereld verbond. Mij grootouders woonden halverweg de straat in een huis dat ik mij als immens herinner. In de diepe tuin stond een walnotenboom, die mijjn grootvader en ik later zouden omhakken, en een pruimenboom. Achter het huis was de kas waarin de oude man planten kweekte. Al onze vrije uren speelden we in die buurt, Elvira en ik. Als het weer te slecht was, maar ik kan mij oziets nauwelijks herinneren, hingen we rond in het atelier, de kas, of het huis van háár grootvader, die aan het begin van de straat woonde en daar een studio had. Hij was ook beeldhouwer, van voornamelijk religieuze onderwerpen, maar hij was min of meer beroemd vanwege de enorme telescoop die hij in een loods achter zijn huis had gebouwd. Daar, op een zaterdagmiddag, kreeg ik het heelal verklaard met behulp van een oude snijplank en broodkorsten. Wat ik mij verder van Elvira's grootvader herinner is zijn vrouw, die, zoals dat toen nog heette, aderverkalking had. Zij drenteld ein schuifelpas door de straat, tegels tellend. Als de bakker de straat inreed, hiled ze hem aan om rode, groene en paarse broden t4e bestellen.
Dit is de wereld waarin ik ben opgegroeid, met een grootvader die tuinman was en tegelijkertijd een fietsenstalling uitbaatte. Mijn grootmoeder was lerares naaldvakken geweest, maar werkte al niet meer toen ik ter wereld kwam. Mijn eerste jaren bracht ik in hun huis door, omdat mijn ouders de bovenverdieping bewoonden. De zeven jaren daarna woonde ik op loopafstand.
De weg van mijn ouderlijk huis naar dat van mijn grootouders kan ik nu nog in gedachten lopen. Ik ken de functie van de gebowuen langs die weg niet meer, maar ik zie d estruiken, de bomen, de diepzwarte borders (in de herfst en lente), het droge grijze zand (in de zomer). Daar is de kurkfabriek, die op een avond afbrandde en vlammen in alle denkbare kleuren omhoog joeg. iedereen in onze straat stond buiten en keek naar het merkwaardige noorderlicht dat boven de instortende fabriek laaide. Aan de andere kant, achter een groot braakliggend veld dat werd doorsneden door een roestig industrie-spoorlijntje, was de papierfabriek.In de zeven jaar dat ik daar woonde, brandde die een paar keer af.
Een gebiedje van twee vierkante kilometer, niet veel meer. De rafelrand van de stad, waar de eerste nieuwbouw voorzichtig het omliggende land inkroop. De haven, de spoordijk, de papier- en de kurkfabriek, ons huis, dat van mijn grootouders, Elvira's ouders en haar grootouders. Het is een plek die andere plekken in zich draagt. Hier deed ik dat, daar gebeurde dit. Hier, in de voorkamer, lag mijn grootvader toen hij erg ziek was; daar, op het binnenplaatsje, schilderde ik op elke andere tegel `NP'. Hier leerde ik over de binnenste en de buitenste planeten; daar boetseerde ik met de klei uit de grote bak naast het atelier. Het is een plaats, een verzameling plekken, die voelt als een oud litteken. De herinnering aan de gebeurtenis die het litteken veroorzaakte is al lang weg. Nu is er alleen nog maar het kortstondige, vage déjà vu, als de hand over de schouder strijkt en een verdikking voelt die bijna vergeten was.
 

Colofon

Sprong over de IJssel door J. Heymans werd gezet uit Joanna en Gill bij Deel 4 te Enschede, gelithografeerd bij Visionmakers Enschede, gedrukt door Pinksterpalm Drukkerij te Enschede op 90 grams Da Costa Alto en 150 grams Royal Twincoat mat, en uitgegeven door De Oare útjouwerij te Enschede op 4 oktober 1997.

Zesentwintig exemplaren van deze druk zijn, hors commerce, gebonden en alfabetisch 'genummerd'.
 


Zie ook:

De Oare útjouwerij, post dou@home.nl
09-11-2007