|
Een uitgave van De Oare útjouwerij |
Paul Gellings, Een vlakte in de stad (Enschedese notities met foto's van Harry Pierik), De Oare útjouwerij, Enschede 2004
ISBN 90 71610 60 8
Een vlakte in de stad waar een wonderlijke stilte hangt. Geen landelijke rust, eerder iets dat zijn adem inhoudt - al waait het er,
maar de wind maakt alles nog stiller. Golven trekken door het onkruid, van de Roomweg tot de Lasondersingel, van de Deurningerstraat tot de Voortsweg,
en terug.
Omslagtypografie: Gerhard van Dragt bNO
Binnenwerk: Goaitsen van der Vliet
Copyright © 2004 Paul Gellings, Zwolle.
Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen zonder schriftelijke toestemming
van de uitgever.
Bestellingen -
Particulier: In de bus na overmaking van 9 euro (plus eventueel een
vrijwillige bijdrage in de verzendkosten) op giro 4611391 van De Oare útjouwerij
in Enschede met vermelding van adres en VIS.
Boekhandel: Zie onze leveringsvoorwaarden.
Het idee voor Een vlakte in de stad kreeg gestalte in de zomer en het najaar van 2003, toen Paul Gellings Enschede meermalen bezocht om
gegevens te verzamelen voor een heel ander boek. De door de vuurwerkramp ontstane en toen nog grotendeels onbebouwde Roombeekvlakte maakte op hem een
verpletterende indruk. In deze notities zien we Gellings in een dichterlijke, beeldende stijl en met veel weemoed omzien naar het Enschede van de
jaren zestig. Een heel andere stad dan nu, met rauwe, maar ook mooie kanten.

Aan de noordkant verrijzen huizen, eengezinswoningen met zadeldaken, als paddenstoelen die in de nacht zijn opgekomen.
Ook aan de zuidkant wordt gebouwd. Je ziet er net zulke karkassen als drie jaar geleden, driehoekige tussenmuren zonder dak, nu niet zwartgeblakerd of
beroet, maar hagelwit.
Over een paar jaar zal het hier zijn volgebouwd, is de vlakte verdwenen, net als de vervallen fabrieksgebouwen waarvan er met wat geluk misschien nog
een paar blijven staan en in gestileerde vorm een andere bestemming krijgen.
Dit is de laatste etappe voordat het allemaal weg is. Hier geen Kolloseum of ruïnes als in Knossos. Er wordt een bladzijde omgeslagen, een pagina van
beton in een geschiedenisboek.
We hebben geen seconde te verliezen.
(fragment)
Een heel andere rol speelt Enschede in de roman waar ik momenteel aan werk: De vulkaan en het meisje. Het verhaal gaat over een invalide man die op een Caraïbisch vulkaaneiland een teruggetrokken bestaan leidt als pompbediende. Berichten over de vuurwerkramp op de voorpagina van een oude Telegraaf voeren hem terug naar het gebied achter de Roomweg, waarna zijn leven in korte tijd sterk verandert.
Op
30 juli 2003 ga ik naar Enschede voor mijn boek. Lopend vanaf het station werp ik een blik in de Bilderdijkstraat en zie een waas van onkruid over het plaveisel en een dichtgespijkerde erker. Met de ramp zal dat overigens niet veel te maken hebben. Meer met verval. De vergane glorie van gemeenteambtenaren en politiefunctionarissen uit verre, vooroorlogse jaren.
Verantwoording
Amsterdam 1953) bracht een belangrijk deel van zijn jeugd door in Enschede. Hij publiceerde drie dichtbundels bij De Arbeiderspers en twee romans, Witte paarden (2001) en Zuidelijke Wandelweg (2003), bij De Geus. Onlangs verscheen zijn vierde dichtbundel De stem van de herfst, die eindigt met Wassende vrouwen, een gedicht geïnspireerd op de beeldengroep De familie van Joop Hekman op het Enschedese stadhuisplein, in de volksmond bekend als het Ei van Ko.Het gedicht Kuipersdijk verscheen eerder in de bundel Het oog van de egel (De Arbeiderspers, Amsterdam 1990).
Ook het gedicht De Gaskrim verscheen in De stem van de herfst (De Geus, Breda 2004). Het werd geschreven op verzoek van J. Heymans voor diens boek Sprong over de IJssel (Hoofdstukken uit de Overijsselse literatuurgeschiedenis III, De Oare útjouwerij, Enschede 1997).
De vier dichtregels op pagina 41 komen uit het gedicht Enschede huilt dat Willem Wilmink schreef naar aanleiding van de vuurwerkramp.
Harry Pierik (Zwolle 1954) is tuinontwerper en fotograaf. In samenwerking met Paul Gellings maakte hij voor verschillende publicaties fotoreportages over steden en bijzondere plekken. Zijn recente werk over het Parijs van schrijver Patrick Modiano werd tentoongesteld in Parijs, Amsterdam en Utrecht.
In de media
|
Bij de presentatie van Een vlakte in de
stad
Door Goaitsen van der Vliet (uitgever)
De Enschedese vuurwerkramp, waarvan de impact nu,
viereneenhalf jaar later, nog bijna dagelijks voelbaar is, heeft een stroom van
publicaties tot gevolg gehad. Ik schat dat op een boekenplankje van een halve
meter. Het meeste daarvan betreft de voorstelling van de concrete gang van zaken
voor, tijdens en na de fatale gebeurtenissen, en natuurlijk de nog steeds niet
beantwoorde schuldvraag.
Literaire publicaties vormen hiervan een zeer bescheiden onderdeel. Er zijn wat
verspreide gedichten. Ik beperk me voor het gemak maar even tot de dichters die
werden opgenomen in Komrij’s Nederlandse Poëzie.
Twee daarvan zijn alom bekend: het veelgeprezen Enschede huilt van Willem
Wilmink en Leegte na de ramp van de toenmalige dichter des vaderlands Gerrit
Komrij. Literaire critici waren er heel wat minder enthousiast over dan de
Enschedese bevolking. Ik laat ze hier dan ook voor wat ze zijn: momentopnames.
Twee andere teksten wil ik jullie niet onthouden, omdat ze bij mijn weten nog
niet eerder in Enschede zijn gepubliceerd. De eerste is een gedicht van de in
Enschede werkzame J. Heymans:
Zaterdag de dertiende
Rampspoed steekt gemeenplaatsen aan: een zomerse
middag in mei, te warm voor de tijd van het jaar.
De lucht was zo stralend blauw, maar in de verte
klonk gerommel – de aanzet tot een onweer? – vreemd
vuurwerk dat veel te vroeg ontplofte en een daverende
stilte naliet, een rokende kaalslag, een geblakerd asiel
waar dolle honden liepen te janken tegen de hemel,
donkerder dan de zwartste inkt voor God mag weten
welke treurzang, een paar verzachtende clichés, niettemin
verblekend in de zon, die alles onder zich gebeuren zag.
Dan komen we bij Willem Jan Otten. In diens meest recente bundel Op de hoge (2003) staat een gedicht zonder titel, maar met de volgende aantekening: Geschreven na de vuurwerkramp te Enschede, toen er een lijst van vermisten ontstond die gedurende enkele weken groeide terwijl het aantal geïdentificeerde doden toenam.
Als ieder laatste kooltje bij zijn eigen mens
is teruggelegd en bij zijn eigen naam genoemd,
wie staat er dan nog op de lijst,
wie was al voor de knal zo levensecht
vermist dat hij verrijzen moest uit deze as?Eén mens telt eens de laatste lijst, nog één.
Tot dan kan niemand niemand van ons heen.
Aan vuurwerkramppoëzie is mij verder weinig van enig
literair niveau onder ogen gekomen, behalve misschien wat verzen uit de
Berichten uit de bloemenzee, het
‘document van medeleven’ dat een jaar na de fatale dag het licht zag. Dit boekje
bevat een selectie uit de ruim tweeduizend vlugschriften die in de weken na de
vuurwerkramp werden gedeponeerd bij het spontaan ontstane bloemenmonument aan
de Deurningerstraat.
Eén tekst daaruit, getiteld Het is zo erg, maakt wat mij betreft alle
hiervoor genoemde gedichten overbodig. Niet vanwege de literaire of welke andere
kwaliteit dan ook, maar omdat de schrijfster ervan, een mij nog steeds niet
bekende Claudia, er bij was. Met iemand die Paul heet (maar vast niet
Gellings):
Toen eerst dacht ik, in de kamer, dat er een vliegtuig door de wolken ging, en dat je dat hoort. Toen dacht ik: onweer, gek, om de zon. Toen dacht Paul dat het vuurwerk was, en toen vond ik het zo raar door elkaar, en… kijk, en rook, en vuurpijlen.
Toen kwam er een knal en ik viel met een duw tegen mijn hoofd, en kijk, baf, ik val op de grond en glas knapt stuk. Ik kan niks terugzien. Ik ben zo bang dat ik alleen. En de wolk vreet en eet op. Het is zo erg zielig, dat toen ik verder rende - een meisje met bloed huilt en ze kijkt bang en ze roept en ik beweeg me niet.
Het is erg en ik wil niet slapen. Ik denk steeds aan ogen en ik wil terug, ik heb daar heimwee naar, en het maakt niet uit of ik stik. Als het donker is ontsnap ik daar naar toe, en dan wil ik daar op de grond ook liggen, en in het donker.
Dit leg ik bij de bloemen, omdat ik steeds naar de plek wil, en naar alles terug, en denken de mensen, iedereen, heel lang aan dit en de ogen en vuur en dat je stikt en ook dood gaat.
We zijn nu zover dat er een bescheiden novelle
verschijnt over de periode na de grote klap, toen het rampgebied een grote kale
vlakte was, binnen de stad. Ook dat is inmiddels historie. Gerhard van Dragt, de
grafisch vormgever die het omslag van het vandaag te presenteren boekje heeft
verzorgd, woont en werkt er middenin, in een straat waarvan alleen de naam
hetzelfde is gebleven.
Het is Paul Gellings die deze flits in de eeuwigheid
van trefzekere woorden heeft voorzien:
Een vlakte in de stad waar een wonderlijke stilte hangt. Geen landelijke rust, eerder iets dat zijn adem inhoudt - al waait het er, maar de wind maakt alles nog stiller. Golven trekken door het onkruid, van de Roomweg tot de Lasondersingel, van de Deurningerstraat tot de Voortsweg, en terug.
Over de betekenis hiervan heeft de Enschedese publicist en hoogleraar filosofie Hans Achterhuis al het een en ander op papier gezet. Lees dus verder in De Roskam van 19 november 2004, pagina 20-21.
De Oare útjouwerij, post dou@home.nl
2007-10-25
Vuurwerkramp opzijnbest.nl.