De Oare  útjouwerij


Bijlage met een aantal moeilijk te herleiden woorden bij de bundel Zunlech van Theo Vossebeld (ISBN 90 71610 46 2), uitgegeven door De Oare útjouwerij

N.B. De taal wijkt hier en daar af van wat men in het algemeen onder gewoon Twents verstaat. Dat komt omdat Theo Vossebeld schrijft in de taal van zijn jeugd: het dialect van Beckum in de vijftiger jaren.

Voor een gratis op te halen Twents digitaal woordenboek zie Dialexicon Twents.

Woordenlijst Twents-Nederlands

3
n heel deel = flink wat
5
wieesboom = paal over vracht hooi
7
dreai = bocht
boavndure = voordeur
hooltloze = loods voor brandhout
schöppe = schuur
heandig = hier: langzaam
delnlaampe = lamp op de deel
8
nen stoetn = een witbrood
brood (meervoud: breu) = roggebrood
voonder = houten bruggetje
weare = weide
knipgat = kuil in zandweg
spikke = met zand afgedekt bruggetje
gewördn könn = op kunnen schieten
9
weelkekoele = woelkuil
10
hoazn = kousen
na daaltn = naar beneden
waart oe = pas op
12
hoaznvöttel = kousevoeten
14
beentwark = gebint
snierzoomp = snijbak op drie poten voor stro e.d.
kökselmölle = molen voor gekookte aardappels
15
slat (ook: slag) = houten klep boven voederbak
voorhok = hok waar het varkensvoer wordt bereid
boeske = takkenbos
motte = zeug
stökkern = stoken
16
kuekn = biggen
breenk = erf
schobn = schurken
jokkeln = rammelen
krappe = draaibare houten deursluiting
schöpndelle = deel in de schuur
17
werrig = bedrijvig
lichtn = optillen
adam-en-eva = monnikskap
18
bullebak = boeman
drongn = dringen
katvis = stekelbaarsje
20
batse = platte schop
iep = hakmes, bijl met korte steel
21
teuge = dunne takken
heank = hangt
droef = tros
beare = beide
kwesken = kneuzen
22
Seent Joapke = Sint Jacobus (25 juli)
zich = zeis om koren te maaien
pikstrik = slijplat voor zeis
strikhaakn = verzamelhaak
veurn = hier: mennen
knobn = homp
23
dale striekn = neerstrijken
brugge = boterham
garve = korenbundel
gars = zes tegen elkaar gezette korenbundels
stoppelhaann = einde van de oogsttijd
striekn (volt. deelwoord: strekn) = ondiep ploegen
ale = gier (vloeibare mest)
24
gaddern = rapen, vergaren
spinnekop = spin
broake = hooggelegen akker, es
störtkoare = stortkar
klaamp = klamp (ineengedrukte laag)
26
wieeld = wild
moate = laaggelegen weiland
kirre (of: kidde) = ril (baan hooi op het land)
28
fusken = bosje
29
wiemn = hangplek onder de zolder
30
Eulder = uit Oele
31
hof = tuin
iemnpalm = taxus
32
stobn = boomstronk
meerpoet = donderaal
pirkestok = stok om mee te porren
38
zene = gezien
gestrids = schrijlings
tutletom, fluutn, toerlement, deune, peune en parliot zijn fantasiewoorden
39
doodbod = doodsbericht
41
tweeduuster = schemering
42
pleern = hier: spatten
45
drit = poept
groezel = griezel
46
starke = pink (ouder kalf)
sproaln = spreeuwen
zoch = zoekt
47
rit = ingang van weide
wer = weet
48
bels = Belgisch paard
teumig = niets doend
49
hört = hort, ga
how = ho, stop
har-op = linksaf
stie-op = rechtsaf
bouwn = ploegen
53
vooldn = vouwen
toetn = zak
54
stea in n schaa = plek in de schaduw
kinnebakn = wangen
55
schierzwaalve = gierzwaluw
56
bönnegroond = harde bruine ondergrond
tuufken = toefje
beeld (moet zijn: bealt) = belt (zandhoogte)
58
weaknkop = kop van een woerd
weenddore = wervelwind
rusken = ruisen
buske = bosjes
59
wille = plezier
60
haandske = handschoenen
61
gosken = hozen
gloepedeer = gluiperd
62
dale hoekn = hurken
birreman = bedelaar
kunnighead = bekenden
stöarig = steeds
64
lieedne = geleden
65
grip = grijpt
66
luk = een beetje
lichte = mitella
69
duftig = flink
onnoos = nauwelijks
 


De Oare útjouwerij, post dou@home.nl
25-10-2007