Waaraan moet een goede duif voldoen.

Vleugel/slagpennen/broekpennen/staart:

De vleugeluiteinden moeten tot in het zwart van de staart komen.

Het zwart moet ook echt kleur hebben en niet vaal zijn.

Als je de staart op en neer beweegt moet deze smal blijven en geen pauwstaart worden.

De pennen van de achterbroek moeten korter zijn dan de slagpennen. (liefst 1 tot 1 ½ cm)

Heeft een vleugel weinig verspringing dan is dat een trage vleugel.

De 10e pen moet net zo lang zijn als de 9e en 8e (is dit niet het geval, dan schort er iets aan het voeren tijdens de laatste pennen in de rui.)

De eerste pennen mogen niet uit elkaar staan (kippenvleugel)

Vierkante pennen zijn niet goed. (het kan aan het soort duif liggen of aan het voer)

Pennen moeten afgerond zijn en niet puntig.

Zijn er oude pennen blijven staan: tot de helft afknippen, dan laten uitdrogen en daarna pas trekken.

Bij droge pluimen dan zitten ze niet aan elkaar vast.

Als een talgkliertje verstopt zit (zit daar waar rug over gaat in staart)er met 1 duim overheen gaan tot de talg er uit komt. Na 2 weken zijn de veren weer soepel.

Een goede duif heeft geen brede staart.

De veerschachten mogen niet te dik aanvoelen

Onderbouw/stuitbeentjes/totale romp/spieren:

De stuitbeentjes moeten tegen elkaar liggen en aanvoelen aan het eind als een knokkel en niet als een penpunt of een tafelpunt. Stuitbeentjes zijn een van de belangrijkste onderdelen van de duif.

De spieren bij een vitesse- midfonfduif liggen tegen het borstbeen aan, bij fondduiven is er eerst een halve centimeter niets.

De staart moet aan de bovenbouw vast zitten en het moet niet lijken alsof het een apart geheel is.

Een plankrug hoeft niet meer, een iets soepele rug mag.

De bouw van topduiven heeft de vorm van een driehoek.

Een crack is aan de onderkant opgepompt en bol.

Een sprintduif heeft een ouderwets strijkijzer model.

Het borstbeen hoeft niet altijd heel lang te zijn. Het deel achter het borstbeen moet wel vol aanvoelen.

Hoe langer de spier is, hoe meer afstand ze aan kan.

De voorarm is kort bij duiven die de sprint aan kunnen.

Bij sprinters steekt de voorarm door de veren als deze gewoon zit.

Bij oude duivinnen kunnen de stuitbeentjes iets open zijn. Ook bij duiven die binnenkort moeten leggen of net gelegd hebben.

Spieren tot het eind van het borstbeen (tot stuitbeentjes) zijn fondduiven .

Kop:

Het oog moet een kleine pupil hebben.

De kleur is wit of geel.

Er moet een totale verkenningscirkel rond de iris zitten

In de ogen moet kersenrood zitten, een uitstraling hebben en niet bleek zijn.

Een goede duif in de hand steekt zijn kop omhoog en wil weg.

Duiven met een vlieg en kweek oog met elkaar koppelen. (kweekoog is als de kleur van de Belgische vlag, rood, geel en zwart en het is alsof deze kleuren als klodders door de kunstschilder er op geverfd zijn.

De ogen moeten naar voren wijzen

Als een duif onder de bek 2 “pukkels”heeft dan is het meestal een goede kweker.

Geelogers zijn soms goede vliegers maar geen constante vliegers..

De oortjes moeten strak om de kop zitten.

Algemene opmerkingen:

Als een duif in bad gaat is deze niet ziek.

Een rode duif die geen zwart in de pennen heeft is fokzuiver.

Een schalieduif is een Jansen achtige duif. Schalie komt ook voor bij fondduiven.

Bij luis: 1 druppel “endoecto” op het borstbeen van de duif. (2 weken voor het vliegseizoen, niet tijdens)

Bijkopen: alleen duiven zonder fouten en afstammingen uit de rechte lijn van de goede vlieger. (niet van broer of zus)

Donkere duiven hebben vaak fond bloed.