ZJWIER

   
woeëne boave de Beëssebeëk

historie

uit: Stadsarchief Heerlen over Wijnandsrade

INVENTARIS VAN HET ARCHIEF VAN DE GEMEENTE WIJNANDSRADE 1796-1943

ALGEMEEN OVERZICHT VAN DEN INVENTARIS
1.  Inleiding:
I.   Geschiedkundig overzicht der Heerlijkheid en Gemeente Wijnandsrade
II.  Geschiedenis van het Archief
2  Inhoudsopgave van den Inventaris van het Gemeente archief
3.  Inventaris van het Archief van den Ontvanger
4.  Inventaris van het Archief van het Burgerlijk Armbestuur  
5.  Inventaris van het Archief der Kerkfabriek

1. Inventaris van het Archief van het Kadaster 

INLEIDING

I.   GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT VAN DE HEERLIJKHEID EN GEMEMEENTE WIJNANDSRADE

Algemeen
Wijnandsrade heette in de oudste tijden Rode. Het is ditzelfde woord, dat achtergebleven is in zooveel Limburgse en Rijnsche plaatsnamen en dat niets méér beteekent dan: nederzetting, plaats, open plaats in bosch. In het begin der 14e eeuw werd het dorp Rode Winandi genoemd, naar de voornaam, dien de Heeren der Heerlijkheid bij voorkeur droegen. Later werd de naam Herwinantsrode, Wiijnantsrode en eindelijk Wijnandsrade.
In 1661 behoorde het tot de Spaansche partage der Landen van Overmaas; in 1713 werd het ingedeeld bij de Oostenrijksche partage dier Landen. In 1798 maakte het deel uit van het Departement de Nedermaas. In 1814 kwam het onder Nederlandsch bestuur. Door de Belgische opstand werd het, met overige deelen van de tegenwoordige provincie Limburg, van Nederland afgerukt en bleef tot 1839 onder Belgisch bestuur. Vanaf 1839 behoort het weer tot het Koninkrijk der Nederlanden. Tot ± 1795 was Wijnandsrade een Heerlijkheid en groot buitenleen van Valkenburg.
Heerlijkheid:
Omtrent het ontstaan der Heerlijkheid Wijnandsrade weten we niets; zeker is dat ze reeds in de 12e eeuw bestond. De eerst bekende Heeren van Wijnandsrade waren van het huis Maschereel, waartoe ook de Heeren van Schinnen behoorden.
Het grondgebied der Heerlijkheid moet nagenoeg hetzelfde zijn geweest als dat der tegenwoordige gemeente. In een visitatie der limieten van de Heerlijkheid van het jaar 1604 worden de grenzen nauwkeurig aangegeven. Het is moeilijk deze nu nog geheel te volgen, omdat de grenzen meest aangeduid worden met den naam van den bezitter der landerijen, waardoor ze bepaald werden; wanneer men echter de terloops genoemde en thans nog bestaande (misschien eenigszins veranderde) vaste punten nagaat, ziet men de tegenwoordige grens der gemeente vrij duidelijk uit de omschrijving te voorschijn komen.
De eigenlijke heerlijke rechten bestonden in het kasteel, de kasteelhoeve en een vijver, ter gezamenlijke grootte van twee boender en 250 kleine roeden. Daarbij kwamen nog: drie kleine vijvers ter grootte van 340 roeden; 103 boender bouwland; 34 boender wei en beemden, waarvan er vijf door de inwoners gehooid moesten worden; 24 boender bosch- en broekland; een bannale molen te Brommelen; een cijnskaart onder Wijnandsrade met een jaarlijksche opbrengst van 45 malder rogge en 70 kapoenen; een tiende onder Wijnandsrade, met een jaarlijksche opbrengst van ongeveer 300 gulden, met de last om koor en kerk te onderhouden, waarbij de Gemeente verplicht was tot het leveren van hand- en karrediensten. De verheffingen der Heerlijkheid geshiedden voor het Leenhof van Valkenburg. De leenman moest zijn heer, de Hertog van Brabant, hulde en trouw zweren en voor het ontvangen van het leen een hergeweide betalen, waarvan het grootste deel voor den vorst bestemd was, terwijl ook de stadhouder, de leenmannen en de secretaris hiervan hun tractement ontvingen. In 1455 deed zich omtrent de verheffing der Heerlijkheid het volgend geval voor, beschreven in de rekening van den Drossaard van Valkenburg: "Jr. Willem van de Bongart hadde eyn pert, dat mijn Genedigen Heren viel voor zijn hergewede ende 't voorschreven pert was soo ein alt pert ende afgereden, dat den drost dat pert liet den vrienden ende nam liever 8 rijnsche gulden, want het die niet weert en was". Het bestuur der Heerlijkheid was geheel in handen van den Heer, die het echter liet uitoefenen door de Schepenen, Burgemeesters, Regeerders en stadhouder en leenmannen van het Leenhof. Deze functionarissen werden door hem benoemd; rechtens was hij voorzitter van al deze colleges. 

Heeren van Wijnandsrade waren:
1232.  Godfried van Schinnen, ridder.
1286.  Godfried van Schinnen. Hij was zoon van Dirk van Schinnen. In 1288 Drossaard van  Limburg in naam van den Graaf van Brabant. Ongeveer 1312 ontving hij van Graaf Jan III van Brabant het huis van Wijnandsrade. Zijn zoon, Wijnand van Rode, ridder, heer van Rode, huwde met Elisabeth, dochter van Raso Machereel van Sch”nau, ridder, van wien het Leenboek van Jan III van Brabant getuigt: "Raso Maskereel, miles, habet, apud Rode de quartuor equis 1 denarium et molendinum apud Welts". 
1318.  Wijnand van Rode erkende, dat hij van Graaf Jan van Brabant in leen bezat zijn kasteel in het land Valkenburg, dat dit kasteel "castrum ligium" was voor den Graaf en dat zijn voorouders het eveneens van den Graaf in leen ontvangen hadden.
1. Jan van Maschereel, na dezen Jonker Wijnant van Maschereel.
1531.  Willem van Bongart, gehuwd met Maria van Maschereel, door overdracht van Wijnant van Maschereel.
1. "Jr. Willem van Bongart heeft ontvangen, overmits die leenmannen Aert Huyn van Amstenrade ende Hendrix Coex, zekere leenen, die Wijnant Maschereel, heer tot Wijnandsrade, gehat heeft".
1555. Willem en Werner van Bongart, na dood van hun vader Willem von Bongart.
1565.  Werner von Bongart Sr., na den dood van zijn broer Willem.
1590.  Werner von Bongart Jr., door overdracht van zijn vader Werner von Bongart Sr.
1600.  Werner van Oirsbeek, na den dood van Werner von Bongart Sr., zijn grootvader (overleden 1599)
1645.  Hans Bernard von Bongart, na de dood van zijn vader Werner von Bongart Jr. (overleden 1646).
1679.  Philips Willem Hendrik von Bongart.
1715.  Joseph Clemens van Bongart.
1742.  Jan Hugo Hendrik Ferdinand von Bongart.
1781.  Sigismund Richard Hugo Jozef van Bongart.
1782.  Ferdinand von Bongart.
1850.  Lodewijk Jozef Fortunatis Felix von Bongart.
1878.  Pius Wilderich, graaf van Walderdorf, neef van de gemalin van Lodewijk Jozef von Bongart. Door testament werd hij aangewezen tot eenig en algemeen opvolger, mits hij de naam en het wapen von Bongart aannam. In 1895 huwde hij met Louise, gravin Schaffgots-Semperfrei van en tot Kynast. In 1896 deden zijn hun intocht in Wijnandsrade.


Van de oude versterking, die gebouwd was op een heuvel tusschen de kerk en het tegenwoordige kasteel, is niets overgebleven. Het kasteel van Wijnandsrade werd gebouwd in 1554, veranderd in de 18e eeuw en geheel gerestaureerd in 1932. Van 1872 tot 1894 werd het bewoond door duitse Jezuieten. 
In 1916 verkocht Baron von Bongart zijn eigendommen aan Dhr. Dupont te Heerlen; kort daarna weerd het kasteel, de grachten en het land, ongeveer 85 boender, aangekocht door den burgemeester Opfergelt-Deutz. Vanaf 1928 is het kasteel bewoond door de Minder-broeders-Conventueelen van de Luikse provincie; de kasteelhoeve is eigendom der familie Opfergelt.

Schepenbank
De Heerlijkheid bezat een schepenbank met hooge, middele en lage jurisdictie, en bestond uit een schout, zeven Schepenen, een secretaris en een bode. Het schepenzegel vertoonde den H. Stephanus, patroon der parochie, met het schild der Heeren van Wijnandsrade. Het was nagenoeg hetzelfde als het tegenwoordige gemeente-wapen. 
De costumen, stijl of bankenrecht, kwamen overeen met die der overige Banken van het land van Valkenburg. De Hoog-drossaard van Valkenburg was aanbrenger en vervolger der criminele zaken, die hij berechtte als voorzitter der plaatselijke schepenbank. Van deze vonnissen in crimineele zaken was geen appèl mogelijk. De andere procedures geschiedden voor Schout en Schepenen. Deze konden in appèl beroepen worden voor het Leenhof van Valkenburg en in tweede instantie voor den Raad van Brabant te Brussel. 
De galg, eenerzijds berechtigingsplaats der misdrijven en anderzijds symbool van de uitgestrektheid der Heerlijke jurisdictie, waarom ze meestal op de uiterste grens van het grondgebied werd geplaatst, bevond zich in de buurt van Brommelen. Voor de functionarissen der Schepenbank verwijzen we naar blz. 155 - 156 van de inventaris, waar de lijst van Schout en Schepenen is opgenomen.
De Schepenbank eindigde in 1795 haar werkzaamheden. 

Administratief bestuur 
Buiten de Schepenbank bezat de Heerlijkheid een ander college, dat zich bij voorkeur noemde: "Schepenen en Regeerders van Wijnandsrade". Dit had tot taak de Gemeente te besturen. Ofschoon de taak der Schepenen eigenlijk van rechterlijken aard was,
hadden deze er ook zitting in. Verder bestond het uit twee Burgemeester en de "Regeerders". Deze Regeerders waren de meest aanzienlijke grondbezitters. Als voorzitter van dit gemeente-bestuur fungeerde de Heer der Heerlijkheid; terwijl de pastoor van Wijnandsrade geregeld zitting had en soms zelfs de pastoor van Nuth op de vergaderingen verscheen. Deze vergaderingen, evenals die der Schepenbank, werden gehouden in het "Panhuys". 
De bevoegdheden van dit college van "Schepenen en Regeerders" beperkten zich tot werkzaamheden van administratieven aard. Het moest uitvoering geven aan de instructies en voorschriften der Landsregeering en maatregelen treffen, dat het opgelegde aandeel in de repartitiën, beden en andere schattingen behoorlijk geïnd werden. Hierin werd het bijgestaan door een Collecteur of Schatheffer, die voor bepaalden tijd door de Gemeente (Schepenen en Regeerders) werd benoemd en zorg had te dragen voor de aanslagen en de inning der belastingen. 
Omstreeks 1795 werd ook dit college verdrongen door de nieuwe Fransche administratie. 

Leen- en cijnshof.
Aan de heerlijkheid Wijnandsrade waren andere goederen en bezittingen leenroerig; reeds in 1490 had zij haar cijnshof, haar laatkaart, stadhouder en laten. Deze leenroerigheid was ofwel geheel, n.l. dat de bezitting door den Heer van Wijnandsrade in leen gegeven werd, ofwel gedeeltelijk, n.l. dat de Heer recht had op een gedeelte der opbrengst of een cijns in geld. De jurisdictie omtrent deze goederen werd uitgeoefend door het Leen- en cijnshof, dat samengesteld was uit een stadhouder, leenmannen en een secretaris. Gewoonlijk werden deze functies uitgeoefend door den Schout en Schepenen der Heerlijkheid. Voor het Leenhof hadden de verheffingen en overdrachten plaats, terwijl het ook uitspraak deed in geschillen tusschen de bezitters onderling en tusschen de leennemers en den Leenheer. 
Inning van den verschuldigden cijns geschiedde door den Rentmeester van het Kasteel. Wij laten hier een lijst volgen van deze leen- en cijnsgoederen, zooveel mogelijk vermeldend, waar deze gebleven waren: 

1.  Hoeve de Bongard, bestaande uit de hoeve zelf en de hoeve van Haren, onder Voerendaal.
2.  Groote hoeve te Brommelen.
3.  Kleine hoeve te Brommelen.
4. 14 boender land, gelegen op den "Leeuwenrickensanck" ook genaamd "under Busch", nu
  ieuwen Bosch".
1.     
De twee helften van de Hoeve te Swier.

6.  De Habet, gelegen tusschen het erf van de Baron en de beek, die door Wijnandsrade stroomt.
7.  Vicarie-land of Kalteherberg te Swier.
8.  Drie en een half boender erf.
9.  De Heerlijkheid Vyle en Condroz (bij Hoei) in het land van Luik.
10. Laten te Klimmen.
11. Haren bij Voerendaal.
12. Land bij de Gracht (onder Oirsbeek).
13. Hoeve Terstraeten (onder Nuth).
14. Morens beemd, gelegen bij den vijver.
15. Muentgens goed te Aalbeek.
16. Vijf en een vierde boender erf.
17. Acht mud rogge maastrichter maat of acht vaten op de    Hoeve te Swier.
18. Zes boender land bij de hoeve Ophem, gelegen ten Zuiden van de Vink (nu verdwenen).
19. Een half boender weiland.
20. Allinge-hoeve onder Hunnecum.
21. De Mahr, een weide onder Swier.
22. De Smit, gelegen onder Swier.
23. Een half boender land in de Oder op de Puther weg bij Aalbeek.
24. Schauffs beemd.
25.Drie boender land op den "Leeuwenrickensang"
26. Het eynde: drie groote morgen weiland.
27. Negen boender onder Hunnecum.
28. Drie morgen beemd, naast de beemd van Cortenbach en het voetpad van Weustenrade naar Voerendaal.
29. Drie boender bij de hoeve de Bongard.
30. Beemd te Wonenberch.
31. Twee morgen beemd.
32. Hoeve te Pesch in het land van Gulik.
33. 36 boender land bij de hoeve Nijthuizen.
34. Hoeve te Velde.
35. Hoeve Kemmenade onder Geleen.


Kerk en Pastorie 
Van de Parochie van Wijnandsrade, toegewijd aan den H. Stephanus, martelaar, werd reeds melding gemaakt in het Statutenboek van het Concilie van Susteren van het jaar 1303. Ze was toendertijd een zoogenaamde "media ecclesia". Bij de vestiging der nieuwe bisdommen in 1559 werd ze toegevoegd aan het bisdom Roermond, onder het dekenaat Valkenburg. Men neemt algemeen aan, dat de eerste kerk door de familie von Bongart is gesticht; haar ligging nabij de oude burcht en het kasteel duidt dit overigens vrij duidelijk aan. De Heer van Wijnandsrade was in het bezit der grootte tiende; daartegenover moest hij koor en kerk bouwen en
"MS Mincho"">onderhouden, terwijl de bouw en onderhoud van den toren tot last van de gemeente kwam. Overigens bezat de Heer het vergevingsrecht der pastorie en van het beneficie van het O.L. Vrouwealtaar. Van de oude kerk uit de 15e eeuw bestaat nog het koor; de rest dateert uit den tijd der vergrooting in de 18e eeuw. In 1750 was de kerk te klein en bouwvallig geworden. Baron von Bongart bood aan ze geheel op zijn kosten te laten vergrooten en herstellen, waarbij de Gemeente echter karrediensten en andere hulp zou verleenen. Bij deze gelegenheid werd de toren afgebroken, vergroot en geheel opnieuw opgebouwd. Het werk was klaar in 1753. In 1943 werd de kerk door bominslag in den toren bijna geheel verwoest; men is bezig met een nauwkeurige restauratie. 
De financiën der Kerk werden beheerd door een kerkmeester. Deze moest ontvangsten en uitgaven doen en bij vaste gelegenheden, b.v. kerkvisitatie door den landdeken, zijn verantwoording doen. De kerk had vaste inkomsten uit de kerkrenten, die bestonden uit goederen in natura, doch meestal in geld werden betaald. Hiernaast had de pastoor zijn eigen inkomsten, veelal uit de pastorie-goederen, die een gezamenlijke grootte hadden van 4 boender land. Meestal werden deze landerijen door den pastoor zelf bebouwd, soms ook werden ze verpacht aan de ingezetenen. 
Daarenboven ontving de pastoor nog een derde deel der dorpstienden. 
Een derde bron van inkomsten was gelegen in het beneficie van het O.L. Vrouwealtaar. Dit was door de Baron von Bongart ingesteld om op Zon- en Feestdagen een tweede H. Mis te verzekeren. Gewoonlijk was geen beneficiant aanwezig en kreeg de pastoor ook dit beneficie toegewezen. Een geschil, hierover ontstaan, werd in 1740 voorgelegd aan den Bisschop van Roermond en het Hof van Brabant, welker oplossing goedkeuring verleende aan het reeds lang gevolgde gebruik.

Laar
 
Het adelijk huis Lore, Laer of Laar was leenroerig aan de Abdij van Rolduc. In de eerste helft der 13e eeuw en nog in 1262 had ridder Gerard van Scheringen het in leen van de Abdij.  

Vóór 1383 ontving Elisabeth van Laar het in leen van het Leenhof van Valkenburg. In 1383 beleende Gerard van Retersbeek het eveneens van het Leenhof van Valkenburg, doch geregeld te Roduc. Het geslacht Retersbeek bleef het bezitten tot ongeveer 1560.

Bezitters waren o.a.:  

1461.

Johan van Retersbeek.

± 1550.

Wijnand van Retersbeek.

± 1560.

Catharina van Dobbelstein, vrouw van Wijnand van Retersbeek, na overlijden van haar man.

1561.

Godart van Reimersbeek.

1579.

Peter van Dobbelstein, broer van Catharina van Dobbelstein, verheft in 1589.

------

Familie van Eynatten tot Reimersbeek.

± 1600.

Dirk ab Agris, gehuwd met Wilhelmina van Dobbelstein - Doenrade.

± 1628.

Reinier ab Agris, zoon van Dirk ab Agris, gehuwd in 1628 met Anna van Schwartzenberg.

1679.

Anna ab Agris, gehuwd met Godtschalk d'Heisterman.

1709.

Jan Lodewijk van Schmal, gehuwd met Anna Elisabeth d'Heisterman, na den dood van zijn schoonvader.

1710.

Jan Godfried van Grondsveld-Nijvelstein, als man en voogd van Anna Elisabeth d'Heisterman, douairière van Schmal.

1724.

Bertram van Grondsveld tot Nijvelstein tot Schleibach, als voogd der kinderen van wijlen Jan Godfried, zijn broer. Ophelder was Johan Karel van Grondsveld, zoon van Jan Godfried van Grondsveld-Nijvelstein. Deze huwde met Anna Bernardina van Hagen.

1767.

Joseph Karel Joannes Hugo Dismas van Grondsveld tot Nijvelstein, zoon van Johan Karel van Grondsveld.

1777.

Baron von Broich tot Durweis, bij overdracht door Anna Bernardina van Grondsveld, geboren van Hagen, en haar zoon. Baron von Broich was gehuwd met Anna van Grondsveld, dochter van Anna Bernardina van Gondsveld - van Hagen. Beleening in 1780.

1785.

Anna Bernardina van Grondsveld - van Hagen, na vernietiging der overdracht van 1777. Zij was in 1791 nog bezitster der Hoeve. Na haar dood kwam Laar in het bezit der Barones von Broich.

Het kasteel was reeds lang verdwenen; in de 19e eeuw kwam de familie L'Ortye in het bezit der hoeve en  ± 1865 kocht de familie Drummen haar aan. 

 

 

 

 

 

 

 

 

els diederen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

weblogo
        en
        link 
        naar els diederen-website ©

info
uit: Stadsarchief Heerlen over Wijnandsrade

De Gemeente in de 19e en 20e eeuw:

Door het Fransch bestuur werd de Heerlijkheid Wijnandsrade opgeheven. De Schepenbank eindigde haar werkzaamheden en het administratief bestuur werd ingericht zooals in al de "communes" der Fransche administratie. De Familie von Bongart bleef echter in het bezit van kasteel en kasteelgoederen tot in 1916. Voor de Geschiedenis der Gemeente in dezen tijd meenen wij te kunnen volstaan met de verwijzing naar den Inventaris van het Gemeente - Archief, waarin de handelingen van het Bestuur uitvoerig beschreven staan en waarin het leven en de ontwikkeling der Gemeente tot uitdrukking is gekomen.

Annexatie - plannen, waardoor de Gemeente bij andere naburige Gemeenten zou worden ingedeeld en haar eigen zelfstandigheid zou verliezen, zijn tot dusverre niet verwezenlijkt.

Moge Wijnandsrade een traditie van eeuwen getrouw zijn, door onafhankelijk te blijven en in de gelegenheid te zijn nog veel aan zijn roemrijke geschiedenis toe te voegen.

II. GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.

Het Archief van de Heerlijkheid Wijnandsrade berustte eertijds gedeeltelijk op het Kasteel, gedeeltelijk in het "Panhuys", hetwelk de zetel was van het plaatselijk bestuur. Jammer genoeg is niet meer na te gaan, welke gedeelten op beide plaatsen verbleven; wij kunnen dit enkel vermoeden. Een juistere kennis hieromtrent zou ons zeker aanwijzingen gegeven hebben tot beter begrip der bevoegdheden van den Heer en van plaatselijk Bestuur en Schepenbank.

In de 19e eeuw, toen de familie van Bongart meestal in het buitenland vertoefde, zal veel van het Heerlijk archief overgebracht zijn naar het stamslot der familie te Paffendorf. In 1916 kocht de Heer Dupont te Heerlen het kasteel Wijnandsrade. Hij nam bezit van een gedeelte van het archief, dat in Wijnandsrade was bewaard gebleven en stond dit gedeelte in 1921 af aan het Rijksarchief in Limburg te Maastricht. Een ander gedeelte werd in bezit genomen door de familie Portz, afstammelingen van den laatsten rentmeester der kasteelgoederen. Dit gedeelte berust tegenwoordig nog in particulier bezit bij den Heer Fr. Portz te Wijnandsrade. Hetgeen overgebleven is, kan ons slechts een zeer onvolledig beeld geven van het bestuur der vroegere heerlijkheid; temeer omdat pogingen, om het gedeelte, dat nog in particulier bezit is, in denzelfden inventaris te beschrijven, mislukt zijn. Van het eigenlijk archief der familie van Bongart, dat ongetwijfeld groot moet zijn geweest, is zeer weinig overgebleven. Van den anderen kant is een gedeelte archief der dorpen Paffendorf en Glesch in het archief der Heerlijkheid Wijnandsrade geraakt, waar deze aanwezigheid van uitermate gering belang is.

In 1714 ontstond een geschil tusschen de Gemeente en de Weduwe van Jan Coumans. Deze Coumans was eenige jaren "Collecteur" geweest der Heerlijkheid en had de archieven van 1698 - 1708, die hij voor de uitoefening van zijn functie noodig had, in zijn huis, het zoogenaamde "Panhuys". Na zijn dood heeft de Weduwe Coumans schijnbaar moeilijkheden gemaakt door Schepenen en Regeerders toegang tot deze stukken te weigeren. Tenslotte deed het Leenhof van Valkenburg uitspraak en wees de archieven toe aan de Schepenen en Regeerders van Wijnandsrade, met de bepaling, dat de Weduwe Coumans ten allen tijde toegang tot het archief zou blijven behouden. Dit is het eenige, wat wij explicite over het archief als zoodanig vonden. In den inventaris, opgemaakt bij gelegenheid van bovengenoemde overname door de Gemeente, wordt melding gemaakt van een vrij groote hoeveelheid stukken. Als wij letten op het geringe aantal jaren, tot welke deze inventaris beperkt is, en de eenzijdigheid van deze stukken (n.l. archief van den Schatheffer), moeten wij besluiten, dat het ontzaglijk veel is verloren gegaan. Zelfs van de stukken, in dezen inventaris vermeld, is niet veel bewaard gebleven.

Zoodoende kan de "Voorloopige Inventaris van het Archief der Heerlijkheid Wijnandsrade", dien wij als bijlage achter den Inventaris van het Gemeente - archief opgenomen hebben, geen andere pretenties hebben dan een zwakke en gebrekkige afstraling te zijn van het eigenlijke archief der Heerlijkheid Wijnandsrade.

 Het Archief der Gemeente Wijnandsrade, dat begonnen was in 1796, is ongeveer even gehavend tot ons gekomen. Bij de inventarisatie van 1943 is recht duidelijk gebleken hoeveel belangrijks verdwenen was. Gedeeltelijk ligt dit misschien aan het jammerlijke feit, dat kleine administratiën vele zaken mondeling hebben afgehandeld, het geen vooral een practijk was van de vorige eeuw en het begin der twintigste. Voor een groot deel echter is deze toestand te wijten aan de latere beheerders, voor wie de archiefstukken van voorgangers en van geheel afgedane en oude zaken, vrijwel zonder beteekenis waren.

Wij kunnen niet zeggen, dat de jonge Gemeente Wijnandsrade geen goed fundament zou gelegd hebben voor de verzorging van haar archief. Immers, bij de ambtsaanvaarding van den Secretaris Andries L'Ortye, op 14 augustus 1828, belooft deze, op verlangen van den Gemeenteraad: "dat ik voor de bewaring der archieven, registers en andere papieren tot de Gemeente -sekretarie behoorend, behoorlijk zal zorg dragen".  Vermoedelijk heeft hij zijn belofte goed gehouden, want in 1830 stelde hij een uitvoerige inventaris op der stukken, die in de Sekretarie aanwezig waren. De stukken, hierin door hem vermeld, dagteekenen van ± 1796 tot 1830, terwijl deze inventaris door een latere hand is bijgehouden tot 1836. Wij schatten den omvang der stukken van dezen inventaris op minstens 3 Meter. Hiervan zijn ongeveer 2 of drie nummers bewaard gebleven, ter gezamenlijke dikte van ± 15 cm. Met dit nadeelig saldo opent het Gemeente - archief. De conclusies liggen voor de hand: de administratie zelf had de noodige zorg aan den dag gelegd: het geheele zoogenaamde Fransche archief en het archief uit de periode van 1814 - 1836 werd met zorg bewaard. Het moet dus nà 1836 verloren zijn gegaan. Een paar rollen van grondbelasting en enkele losse stukken is het eenige, dat aan verlies ontsnapt is.

Een andere aanwijzing van nauwkeurig archiefbeheer rond 1830 vinden wij in de correspondentie - registers, die in 1832 beginnen, na 1836 echter weer ontbreken. De registers van ingekomen correspondentie zijn weer aanwezig vanaf 1876, terwijl die van verzonden correspondentie opnieuw beginnen in 1847. Hieruit kan men de vrij zekere conclusie trekken, dat de registers der ontbrekende jaren (n.l. van 1836 - resp. 1847 en 1876) wel hebben bestaan, doch zijn verloren gegaan. Het ontbreken van veel stukken uit de 19e eeuw moeten wij wellicht toeschrijven aan een catastrophe van lateren datum. Deze gissing zal in het verder verloop van dit verslag tot uitdrukking worden gebracht.

Het archief werd in 1830 bewaard in een kast ter Gemeente - secretarie; waar deze Secretarie gelegen was, hebben wij niet kunnen ontdekken uit het archief zelf.

Tot ± 1860 is het overgeblevene uit het Gemeente - archief zeer weinig. Met het klimmen der jaren na 1860 wordt het archief langzaamaan omvangrijker; pas in 1924 komt het tot eenigszins normale toestanden.

In 1875 werd een nieuw raadhuis gebouwd, gecombineerd met de school. Hier heeft een gedeelte van het archief een tijdlang berust op de bovenverdieping, waar de Secretarie en de Raadzaal gelegen waren. Een geschikte plaats tot bewaring was niet aanwezig; het archief werd ondergebracht op de Secretarie, de Raadzaal en een kast op het portaal. Gedeelten van het hier aanwezige archief werden gebruikt tot brandstof voor de kachel op de Secretarie, zoodat wij alvast één reden van verlies van archiefstukken kunnen aangeven.

In dezen tijd en later was het gewoonte, dat de functionarissen het loopend archief bij zich aan huis hadden. Het moge al gemakkelijk zijn geweest voor Burgemeester, Secretaris en Ontvanger, bevorderlijk voor goed archiefbeheer was het niet. En eenigszins vreemd doet het aan, dat het bureau van den Burgerlijke Stand gevestigd was in de keuken van de hoeve "Laar" in den uitersten Oosthoek van de Gemeente.

Deze toestand heeft zich gehandhaafd tot ± 1924. Bij de eerste inspectie van het Gemeente - archief in 1923 was door den toenmaligen Inspecteur op een en ander gewezen; in aansluiting hierop drongen Gedeputeerde Staten aan op ordening van het archief. In 1924 viel er werkelijk een verandering voor in het archiefbeheer der Gemeente. De correspondentie werd per jaar bij elkaar gehouden; zoo deed men eveneens met de rekeningen en bijlagen. Naast deze groote groepen ontstond een dossierstelsel, dat, al was het niet volmaakt, toch goede gevolgen heeft gehad. Andere stukken echter, meest van vóór 1924, doch ook uit later tijd, geraakten in een verwarde verzameling, die opgeborgen werd in de kast van de Secretarie.

In 1928 werden de stukken, berustend bij den Burgemeester Opfergelt, weder ten gemeentehuize gedeponeerd. Reeds was de Secretaris met een voorlopige ordening begonnen, die hij in 1929 voortzette. Bij zijn andere secretarie - werkzaamheden was dit feitelijk onbegonnen werk. In 1930, na het ingebruiknemen van de nieuwe school, werd het Raadhuis overgebracht naar de benedenverdieping, waar het vroegere schoollokaal tot secretarie, raadzaal en archiefruimte verbouwd was. Volgens getuigenis is bij deze verhuizing ontzettend veel van het archief verloren gegaan. Wij betwijfelen of er eenige selectie is toegepast; wij vermoeden zelfs, dat men hier te werk is gegaan op dezelfde manier als elders, wanneer een te haastige verhuizing van archieven plaats vindt; dat juist de oudste stukken vernietigd worden. Bij deze gelegenheid is weer een deel van het archief verbrand geworden.

In 1933 had de Secretaris Drummen bij zijn ontslag al hetgeen hij in zijn woning te "Laar" aan gemeente - archief bezat, ten gemeentehuizen gedeponeerd. De nieuwe secretaris E. L'Ortye zette de ordening van het archief voort. Tot bewaarplaats diende een ruimte achter het in gemeentehuis, waar de stukken in onpractische kasten opgeborgen waren en veel te lijden hadden van vocht. Bij de Inspectie van 1933 drong Dr. G. Panhuysen aan op een spoedige voorziening van dezen ongewenschten toestand. Bij de Inspectie van 1936 werden plannen gemaakt tot definitieve oplossing der moeilijkheden. Dit leidde uiteindelijk tot den bouw van een brand- en vochtvrije archiefbewaarplaats, die in 1939 werd voltooid. Het behoud van het archief was althans verzekerd.

In aansluiting hierop werden plannen gemaakt tot ordening en inventarisatie van het archief door een deskundige. Dit kon eindelijk plaats vinden in 1943. Hiertoe werd het archief op 23 juni 1943 naar het Rijksarchief in Limburg te Maastricht overgebracht, waar het onder toezicht van den Inspecteur der Gemeente- en Waterschapsarchieven in Limburg, Dr. G. Panhuysen, door den wetenschappelijk archief-ambtenaar 2e klas, J.S.A. De Lahaye, geordend en geïnventariseerd werd.

Eind October 1943 was de inventarisatie beëindigd en keerde het archief naar de Gemeente terug, waar het geplaatst werd in de archiefbewaarplaats.

De inventaris werd vervaardigd in viervoud, waarvan één exemplaar ter Gemeente-secretarie berust, één ter Provinciale Griffie, één ter Inspectie der Gemeente- en Waterschapsarchieven in Limburg en één in bezit van den ambtenaar, die de inventarisatie heeft verricht.

1.   Kadastrale kaarten

  Algemeene Inhoudsopgave van den Inventaris van het Gemeente-Archief.
I.   Inventaris van het Gemeente-Archief.  
A.  Stukken en seriën van algemeenen aard.  
1.  Gemeenteraad. 1 - 14.  
2.  College van Burgemeester en Wethouders. 15 - 21.  
3.  Publicaties en verordeningen. 22 - 28.  
4.  Correspondentie. 29 - 153.  

1.     
Verslagen. 154 - 203.  
2.     
Archief. 204 - 205.  

B.  Stukken en seriën van bijzonderen aard.  
I.   Administratieve organisatie.  
1.  Organisme in het algemeen. 206 - 215.  
2.  Organisme van het Rijk. 216 - 217.  
3.  Organisme van de Provincie. 218 - 222.  
4.  Organisme van de Gemeente. 223 - 679.  
a.  Wapen. 223.  
b.  Privaatrechtelijke positie. 224 - 631.  
1. Eigendom: 224 - 252.  
aa. Algemeen. 224 - 227.  
ab. Aankoop. 228 - 234.  
ac. Verkoop. 235 - 243.  
ad. Schenking. 244 - 247.  
ae. Verhuur. 248 - 251.  
af. Verzekering. 252.  

2. Financien: 253 - 628.  

ba. Finantieële verhouding tuschen Rijk en Gemeente. 253- 274.  
bb. Fraude-risico-verzekering.  275.  
bc. Begrooting. 276 - 375.  
bd. Rekening. 376 - 572.  
be. Geldbelegging. 573 - 574.  

bf. Geldleening.
575 - 588.  
bg. Rekening-courant.
589.  

bh. Kasopname. 590 - 628.  
3. Benoodigheden voor den dienst. 629.  
4. Dienstgebouwen  630 - 631.  
C.  Gemeenteraad. 632 - 642.  
D.  Functionarissen en personeel. 643 - 679.  
1.  Algemeen. 643 - 649.  
2.  Burgemeester. 650 - 653.  
3.  Wethouders. 654.  
4.  Secretaris. 655 - 661.  
5.  Gemeente-ontvanger. 662 - 667.  
6.  Ambtenaar van den Burgerlijken Stand. 668 - 669.  
7.  Gemeente-veldwachter. 670 - 672.  
8.  Kantonnier. 673 - 674.  
9.  Ander personeel. 675 - 677.  
10. Pensioen 678 - 679.

II.  Handelingen der Administratie.  
1.  Belastingen. 680 - 840.  
a.  Gemeentelijke belastingen in het algemeen. 680 - 684.  
b.  Directe belastingen. 685.  
c.  Grondbelasting. 686 - 694.  
d.  Belasting naar den uiterlijken staat. 695 - 696.  
e.  Personeele belasting. 697 - 698.  
f.   Honden-belasting. 699 - 743.  
g.  Inkomstenbelasting. 744.  
h.  Hoofdelijke omslag. 745 - 768.  
i.   Rechten van registratie. 769 - 813.  
j.   Hand- en spandiensten. 814 - 839.  
k.  Gemeentefondsbelasting. 840.  
2.  Openbare orde. 841 - 920.  
a.  Algemeen. 841 - 854.  
b.  Burgerlijke Stand. 855 - 873.  
c.  Bevolking. 874 - 915.  
d.  Vreemdelingen. 916 - 918.  
e.  Burgerwacht. 919.    
f.   Nachtwacht. 920.  
3.  Openbare Zedelijkheid.   921 - 956.  
a.  Drankwet. 921 - 955.  
b.  Dierenbescherming. 956.  
4.  Openbare Gezondheid.   957 - 1084.  
a.  Gezondheidscommissie. 957 - 977.  
b.  Keuring van waren. 978 - 993.  
c.  Vleeschkeuring. 994 - 1020.  
d.  Besmettelijke ziekten. 1021 - 1024.  
e.  Beschikkingen betreffende de dooden. 1025 - 1026. f.   Riool. 1027.  
g.  Hinderwet. 1028 - 1032.  
h.  Volkshuisvesting. 1033 - 1084.  
5.  Openbare veiligheid. 1085 - 1087.  
6.  Waterstaat. 1088 - 1104.  
7.  Verkeer en vervoer. 1105 - 1196.  
a.  Algemeen. 1105 - 1114.  
b.  Aanleg en verbetering van wegen. 1115 - 1140.  
c.  Onderhoud van wegen. 1141 - 1173.  
d.  Onttrekken van wegen en voetpaden aan den
openbaren dienst. 1174 - 1182.  
e.  Provinciale wegen. 1183 - 1185.  
f.   Bruggen. 1186 - 1187.  
g.  Middelen van vervoer. 1188 - 1191.  
h.  Spoorwegen. 1192 - 1193.  
i.   Post, Telegraaf en Telefoon. 1194 - 1196.  
8.  Productie, circulatie en distributie van
goederen.      1197 - 1235.  
a.  Landbouw. 1197 - 1208.  
b.  Mijnwezen. 1209 - 1210.  
c.  Veeteelt. 1211.  
d.  Nijverheid. 1212.  
e.  Electriciteitsvoorziening. 1213 - 1224. f.   Watervoorziening. 1225 - 1232.
g.  Distributie van levensmiddelen. 1233 - 1235.  
9.  Arbeid. 1236 - 1244.  
10. Maatschappelijke steun. 1245 - 129  
11. Onderwijs. 1295 - 1403.  
a.  Algemeen. 1295 - 1327.  
b.  Onderwijzend personeel. 1328 - 1341.  

c.  Schoolgeld. 1342 - 1386.  
d.  Leerplicht. 1387.  
e.  Schoolcommissie. 1388 - 1390.  
f.   Schoolgebouw en onderwijzerswoning. 1391 -
1401.  
g.  Herhalingsonderwijs. 1402 - 1403.  
12. Monumenten en Folklore. 1404 - 1405.  
13. Eredienst. 1406 - 1407.  
14. Landsverdediging. 1408 - 1735.  

a.  Algemeen.
1408 - 1410.  
b.  Nationale Militie.
1411 - 1622.  

c.  Landweer. 1623 - 1632.  
d.  Landstorm. 1633 - 1679.  
e.  Rustende Schutterij. 1680 - 1727.  
f.   Inkwartiering en militaire vordering. 1728 - 1735.  

II.     Inventaris van het Archief van den Ontvanger. 1736 - 1786.  

III.   Inventaris van het Archief van het Burgerlijk Armbestuur. 1787 - 1976.
b.  Eigendommen. 1791 - 1792.  
c.  Begrooting en Rekening. 1793 - 1933.  
d.  Geldleening en -plaatsing. 1934 - 1937.  

IV.    Inventaris van het Archief der Kerkfabriek. 1938 - 1976.

  V.     Inventaris van het Archief van het Kadaster. 1977 - 1998.
Inventaris van het Archief van het Kadaster:  

1977 Oorspronkelijke aanwijzende tafel der grondeigenaren en der ongebouwde en gebouwde vaste eigendommen, tevens inhoudsgrootte, klassering en belastbaar inkomen 1840

1978-1982   Perceelsgewijze kadastrale leggers, 1e serie 1841 - ± 1916

1978  Perceelsgewijze kadastrale legger, bevattende eigenaren, welke als zodanig bij de oorspronkelijke opmaking van het kadaster bekend waren 1841, bijgehouden tot ± 1890

1979-1982  Perceelsgewijze kadastrale leggers, bevattende de personen, welke rechten van eigendom zijn verkregen of bekend geworden na de oorspronkelijke opmaking van het kadaster 1941 - ± 1916

1983-1985   Registers, houdende verwijzing van de artikelen voorkomen in de perceelsgewijze kadastrale legger, naar de nummers der kadastrale plan

1986-1989   Perceelsgewijze kadastrale leggers ± 1900 - ± 1925.

1990          Registers, houdende verwijzing van de nummers de percelen naar de artikelen van de perceelsgewijze legger

1991          Alfabetische naamlijst op de perceelsgewijze kadastrale legger.

 

dialect
literatuur
kruutskes
foto's
weëg
op kaarte
historie
links
buur
gehuchten
truk/terug/back

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Creative Commons Licentie