Fietsvakantie Marokko

 

 

Op weg naar de luchthaven van Zaventem sneeuwde het. Het verkeer zat muurvast en op de laatste minuut haalde ik mijn vlucht naar Casablanca. Aangekomen in Casablanca fietste ik langs de kuststrook naar het Zuiden. Waren het in de buurt van Casablanca nog de dagjesmensen die het beeld bepaalden, na verloop van tijd werden het de boeren die met man en macht de oogst aan het binnenhalen waren. Wortels en diverse kolen werden geoogst. De zon scheen, maar er stond een schrale wind. 

 

Onderweg zag ik veel armoede. Desondanks wisten de mensen vaak op indrukwekkende wijze te improviseren om in hun dagelijkse levensbehoeften te voorzien. Ze hebben vaak ook geen andere keuze. 

Veel ezels. Dikwijls met kar om diverse handelswaar te transporteren en een andere maal om mensen te vervoeren. De vrouwen waren dikwijls gesluierd en de mannen droegen een djellaba. Een djellaba reikt tot de enkel en heeft lange mouwen en een kap. Berber-mannen uit de Atlas dragen hem over een hemd met wijde mouwen. Ook de tulband hoort bij de traditionele dracht.

 

Ik legde vele kilometers op een dag af. Eten en drinken was in de meeste plaatsen makkelijk te verkrijgen. Vaak at ik gewoon wat de pot op dat moment schaftte. De ene keer was dit een overheerlijke Tajine maaltijd en een andere keer slechts een omelet of een brood. De overnachtingsplaatsen waren zeer divers: van gehuurde kamer, kamperen op de camping, wildkamperen tot te gast zijn bij mensen.

 

Vanaf de kustplaats Agadir ging ik meer het binnenland in en bereikte ik na enkele klims Tafraout. Tafraout is een mooie plaats met veel oases en palmbomen. Helaas vonden meer toeristen dit en ik besloot dan ook de volgende dag verder te fietsen. In Ifrane huurde ik een kamer en ging men uren in de keuken staan om een kip met groente en aardappelen voor mij te bereiden. 's Avonds koelde het behoorlijk af. Aan enkele warme kooltjes die op een soort barbeque brandden kon je je dan een beetje opwarmen. 

 

De volgende dag fietste ik vele uren door de Sahara. In Icht wilde ik water gaan inkopen. Tot mijn grote vreugde werd ik bij mensen uitgenodigd. Zo was ik te gast op een vrijgezellenfeest en werd ik bij diverse Berber-families uitgenodigd om thee te drinken en couscous, lamsvlees en fruit te eten. Na een mooie avondwandeling viel ik na deze indrukwekkende dag gelijk in slaap. Ik nam afscheid van de gastvrije familie. Deze avond zette ik mijn tent op in de woestijn en genoot ik van de rust en de sterrenhemel.

De dagen daarop werd ik ook nog enkele malen onderweg uitgenodigd voor een couscous maaltijd en thee. Heerlijk.

 

Aangekomen in Foum Zguid at ik een omelet met brood en dronk ik enkele glaasjes thee. Op weg naar Zagora volgde ik een 'piste' oftewel een zeer slechte weg. Na twee dagen fietsen over een onverharde weg met stenen en zand ging ik in Zagora gelijk op zoek  naar een eetgelegenheid. Op weg naar Zagora had ik ook een ontmoeting met enkele Nomaden. Communiceren was helaas niet mogelijk vanwege de grote taalbarrière. 

 

Het is wel behoorlijk indrukwekkend om te zien hoe een nomadentent is opgezet en  ingericht. De khaïma of nomadentent, die te vinden is op de verlaten vlakten van de Hoge Atlas en rond de steden Zagora en Guelmin, is het verplaatsbare huis van herders die reizen om hun kuddes te kunnen laten grazen in alle seizoenen. De robuuste tent is makkelijk op te zetten en biedt bescherming tegen de hitte. Het bruine weefsel van geiten- of kamelenhaar bestaat uit flijs, strips van 40 tot 60 cm breed die aan elkaar worden genaaid. De horizontale tentbalk wordt gedragen door twee verticale houten stokken. Vanbinnen wordt de tent met een doek in tweeën verdeeld. De ene kant, met voorzieningen om te koken en een weefgetouw, is voor de vrouwen, de andere kant is voor de mannen en voor gasten.

 

De tocht van Zagora, door de Vallee du Dra, was vanwege de vele Kasba's een waar genot. Kasba’s (tighremt in het Berbers) vervulden vroeger de rol van versterkte kastelen. Ze boden bescherming tegen aanvallen van  mensen en dieren en tegen de kou en andere bedreigingen. Een kasba werd bewoond door een persoon van aanzien of een grote familie en is altijd een imposant bouwwerk met een vierkante plattegrond. De kasba’s in de bergvalleien zijn gedrongen van vorm, die in de Zuidelijke oases zijn hoger en slanker. De torens op de vier hoeken hebben kantelen en steken boven de muren uit.

 

Na Quarzazate maakte ik een omweg naar Aït Benhaddou. Deze kasbah Aït Benhaddou ligt tegen een roze getinte zandstenen heuvel op de linkeroever van de Wadi Mellah. De wadi staat meestal droog, behalve in de winter en in de lente. Het schilderachtige Aït Benhaddou heeft vaak als filmlocatie gefungeerd en is zonder gids te verkennen. Het vroeger versterkte dorp bood een veilig onderkomen in de buurt van water en landbouwgrond. Het omvat een vervallen igherm (gemeenschappelijke graanopslag) en een indrukwekkende groep okerkleurige kasba’s van pisé. Sinds het dorp op de Werelderfgoedlijst van UNESCO staat, zijn de hogere gedeelten van sommige kasba’s gerestaureerd. De gekantelde torens van de kasba’s zijn versierd met blinde bogen en geometrische patronen in bas-reliëf. Achter de kasba’s staan eenvoudige lemen huizen. Tegenwoordig wonen er in de ksar minder dan tien families.

 

Op aanraden van een Duits fietskoppel die  ik op mijn fietsreis had ontmoet, besloot ik het 'saaie' gedeelte van Marrakech naar Casablanca met de bus af te leggen. Ik kon dus nog enkele andere interessante plekken bezoeken. Ik maakte een omweg en bereikte via de pas Tizi-n-Tarkatine, waar het overigens behoorlijk koud was en sneeuwde, de Hoge Atlas. 

 

Het was flink klimmen om de 2100 m. hooggelegen pas Tizi-n-Rest te bereiken. Halverwege de middag was ik aan de klim begonnen, wat eigenlijk te laat is. Het liefste begin ik 's ochtends aan een klim, maar het leverde daarentegen wel mooie plaatjes op bij ondergaande zon. Op 1900 m. kwam ik in de duisternis langs een Berber-café. Tegen een kleine vergoeding kon ik iets eten en drinken. Men bleek ook kamers te verhuren en na een kleine onderhandeling nam ik nog enkele uren plaats bij de open haard voordat ik onder de wol dook.

 

Berbers van de Hoge Atlas zijn niet-nomadische boeren. Velen van hen zijn geheel zelfvoorzienend en in sommige dalen vormen muilezelpaden de enige verbinding met de buitenwereld. De bewoners van deze afgelegen valleien leven volgens het patroon van de seizoenen en de cyclus van het werk op de velden. In het najaar ploegen de mannen de grond om met een houten ploeg, en kopen en verkopen producten op de wekelijkse soek. In de winter halen de vrouwen water uit de rivier, verzamelen hout en weven dikke wollen dekens. In de lente graven en onderhouden de mannen de irrigatiekanalen. In de zomer oogsten en dorsen de vrouwen het koren, terwijl de mannen gerst wannen op de dorstplaats.

 

Na een goede nachtrust legde ik de laatste kilometers af naar de pas en kon ik overwegend afdalen. Helaas was er veel tegenwind en waren er toch nog af en toe enkele lichte klims. Diezelfde avond bereikte ik nog Marrakech, waar ik vlakbij de Place Jemaa el-Fna een kamer huurde.

 

Place Jemaa el-Fna is een uniek plein en geldt al eeuwenlang als het centrum van Marrakech en het symbool van de stad. Hoewel het meer een onregelmatige ruimte dan een harmonieus geheel vormt, is het alleen al een bezoek waard vanwege de traditionele sfeer. De UNESCO heeft het tot Werelderfgoed uitgeroepen. Het plein heeft een gruwelijk verleden: tot de 19de eeuw werden hier misdadigers onthoofd. Soms werden er op één dag wel 45 mensen geëxecuteerd en hun hoofden werden bij de stadspoorten tentoongesteld. De sfeer is ondertussen gelukkig aanzienlijk veranderd.

 

’s Ochtends wordt er op het plein een grote markt gehouden, waar medicinale planten en vers geperst sinaasappelsap worden verkocht. Na zonsondergang bereikt de gezelligheid op het plein een hoogtepunt. Het wordt een arena met een gigantische, kleurrijke openluchtshow. Als de geur van gegrild vlees opstijgt, vult het plein zich met muzikanten, dansers, verhalenvertellers, artiesten, tandentrekkers, waarzeggers en slangenbezweerders, die allemaal een gefascineerd publiek om zich heen weten te verzamelen.

 

Ik hield in Marrakech mijn eerste rustdag en informeerde voor het vervoer naar Casablanca. Ik liet ook een  fietshoes maken. 's Avonds pakte ik mijn fiets in en de volgende dag kocht ik een busticket naar Casablanca. Na een vier uur durende rit door inderdaad 'saai' akkerbouwlandschap kwam ik aan in Casablanca. Ik overnachtte in een hotel en vloog de volgende dag terug. Ik kon terugkijken op een geslaagde fietsvakantie.

 

Ralph Schneiders