DAN LIEVER HET NIETS

een verhaal van Frans Hummelman


Bij de uitgang van de tunnel stond iemand op hem te wachten. De man of liever de heer was in rok, grijze streepbroek, wit overhemd, parelgrijze stropdas.
"Nou, nou, officieel hoor," zei hij. "Onderscheidingen vergeten? In het naaimandje laten liggen?"
De man reageerde niet, stelde zich zelfs niet voor, pakte hem bij de elleboog en zei: "Kom mee."
Ze pasten geen van beiden in het landschap, een soort savanne van vergeeld grasland met hier en daar boomgroepen en struikgewas. Zo nu en dan draafden kudden gnoes voorbij, gevolgd door hyena's met hun lage achtersten die zich schijnbaar doelloos over de vlakte verspreidden. Dan kwamen er giraffen in beeld. Hun lange nekken bewogen ritmisch tegen een felblauwe lucht met donkerpaarse wolken.
"Dit is het dus, het eeuwige leven," zei hij tegen de man. "Lijkt me meer iets uit Wakuwaku of Met luipaard op schoot."
"We hebben hier veel van zulke programma's," antwoordde hij. "Hoe vind je dit?"
"Och," zei ik, "voor zoiets had ik net zo goed aan de andere kant kunnen blijven. Krijg je er tenminste nog commentaar bij of een quizz. Teken de staart van een gnoe of hoeveel halswervels heeft een giraf."
Hij bleef even staan om zichzelf goed te bekijken, keek links en rechts langs zijn schouders omlaag, langs buik en benen. Er was geen meer in de buurt. Of een spiegel.
Hij droeg de kleren waarin hij zich ooit het prettigst had gevoeld, een vaalblauwe houtje-touwtje regenjas van allang uit de mode, een zwarte broek met smalle pijpen, zwarte schoenen met dikke zolen.
Hij was toen zevenendertig of daaromtrent en reisde het hele land rond om woordenboeken te verkopen. "Nee," had hij vaak tegen weduwen en gescheiden vrouwen gezegd met wie hij flirtte, "ik zou wel graag, maar ben getrouwd. Dus het spijt me." Hij kwam dan weer thuis en dacht aan de borsten die hij had versmaad en vroeg zich af wat hem nou eigenlijk had gespeten. Misschien was hij toen gelukkig geweest. Maar het had niet lang geduurd.
De man in rok zag dat hij zichzelf bekeek, zag ook wat hij dacht want hij zei: "Dat is om jezelf lekker te voelen.
"Dat hebt u dan goed gegokt." U zei hij tegen de man, misschien vanwege zijn plechtige kledij. "Wat is dat met die programma's? Kun je ze uitkiezen?"
De man gaf daar geen antwoord op, zou me eerst een en ander laten zien. "Zomaar voor de aardigheid," zei hij.
Ze stonden nu in een kamer van een oud huis. Er hing een jonge vrouw aan een balk. Ze had een blauwe tong die ze zonder het zelf te weten heel ver naar hem uitstak. Onder haar lag een omgevallen stoel. Hij wist wie ze was, had zelf het touw doorgesneden. Zijn liefde voor haar was niet groot genoeg geweest.
"Ik vind er geen aardigheid aan," zei hij.
"Een ander programma dan maar?"
Hij wilde eerst weten wat ze daarna had gekozen en hij beantwoordde de vraag in algemene bewoordingen. "De meesten willen terug naar momenten waarop ze zich gelukkig hebben gevoeld."
"Wie niet?" was zijn reactie en: "Blijven ze daar?"
De man schudde zijn hoofd, waarschijnlijk om zoveel onwetendheid.
Dat gaf hem te denken. Ook hij had zelfmoord willen plegen toen hij zeventien was en de volgende dag examen had moeten doen. Stel dat hij het had gedaan, waarheen had hij dan terug willen keren? Naar zijn vijftienjarig gezicht met puistjes, naar zijn tienjarig lijf dat van zijn vader met een leren riem op de blote bast kreeg? Naar de vieren en vijven op zijn rapport voor orde, netheid, vlijt en gedrag?
Iets, maar wie of wat? besliste anders. Zijn onderbewustzijn of die onaandoenlijke man in rokkostuum? Het huis aan de Boezemlaan waar hij met zijn broer op de zolder sliep en 's morgens vroeg de zon rood op zag komen door het dakraam. Hij keek erdoor naar buiten en verdomd, daar lag de nog onbebouwde Prins-Alexanderpolder. In de verte kon hij het stompe torentje van Moordrecht zien. En toen hij zich omkeerde, zag hij zijn eigen bed staan en dat van zijn broer. Ook het hekwerk herkende hij, waarachter een canvas hutkoffer stond en een oude, roestige potkachel.
"Het lijkt het omniversum wel," zei hij.
"Maar hier komt geen techniek aan te pas," was de reactie van de man.
Hij keek naar het slordig opgemaakte bed van zijn broer en vroeg: "Waar is hij nu?" Zijn broer, dertien jaar ouder dan hij, was een paar jaar geleden gestorven.
De man haalde zijn linkerschouder op. "Hij was waar hij wilde zijn, maar hij is weer weggegaan."
"Waarom?" Weer die schouder.
Ze liepen nu langs de havenkade in Scheveningen. Er lagen talrijke plezierjachtjes. Ook de boot van zijn vader. Hij was bezig met de tent op het achterdek, zette de koperen stangen in de daarvoor bestemde holten. Aan het eind van de haven zag hij de Seinpost met Neptunus op de koepel. Op een bord met blauwe letters werd Der Blaue Engel aangekondigd met Marlène Dietrich in de hoofdrol. Dát was lang geleden!
Is mijn vader waar hij wou zijn? wilde hij aan zijn begeleider vragen, maar die was nergens meer te zien. Dat vond hij jammer. Hij had hem ook nog willen vragen hoe het nu zat met de tijd.
Hij liep de schuine helling af naar de rand van de kade, stapte op zijn vaders boot. "Ik zal u even helpen," zei hij.
Zijn vader keek hem bevreemd aan. "Nee, ik kan het wel alleen af. Bovendien komt mijn zoon me straks helpen. Hij is even naar de kapper."
Zijn moeder stak haar hoofd uit de kajuit en zei tegen zijn vader:
"Vik, kom nu eerst even koffie drinken." Ook zij keek hem aan, maar
scheen niets bekends aan hem te ontdekken.
Hij stapte van de boot af en liep weer tegen de helling op, bleef boven staan wachten tot hij zichzelf van de kapper terug zag komen. Hij herkende de blauwe trui met de vijf notenbalken en solsleutel op zijn borst, de witte korte broek en de sandalen. Hij (of moest hij zeggen ik?) liep langs de stenen trap naar beneden en een eind verder zag hij Fietje Eggelmeier aankomen. Ze was toen twaalf en hij vijftien. "Vuile uitslover!" riep ze tegen zijn vijftienjarige editie en hij wist dat ze gelijk had.
De man was weer opgedoken, was zeker ook even naar de kapper geweest. "Dat heeft geen zin," zei hij, mijn gedachten lezend.
Hij had "Dag Fietje" willen zeggen.
"Leeft ze nog?" vroeg hij.
De man knikte en zei: "Maar ik kan toch wel iets voor je versieren. Je kunt haar ontmoeten zoals ze toen was en dan weet je gelijk hoe het zit met de tijd." Hij deed iets, wat was niet duidelijk.
Opeens zag hij zich omringd door een aantal kinderen in strandkledij. Ze hadden emmertjes en schepjes bij zich in vrolijke kleuren. "Kom je ook meespelen?" vroegen ze. Hij ging met ze mee en zag dat Fietje er ook bij was. Ze voerde het hoogste woord en keek hem vijandig aan. Ze gingen niet naar het strand maar naar een grasveldje in de buurt. De kinderen gooiden hun emmertjes en schepjes op de grond en ze gingen pand verbeuren. Halverwege het spel moest hij Fietje een zoen geven. Al die tijd had ze iedereen snibbig zitten commanderen, maar toen hij haar die zoen had gegeven werd ze zo stil als de sterrenhemel. De andere kinderen gingen weg en ze bleven elkaar zoenen. Hij dacht bij zichzelf: hier mag nooit een eind aan komen. En hij was bang dat mijn moeder hem zou komen roepen voor het eten. "Wat heb je een mooie trui aan," zei Fietje en liet haar vinger telkens langs de vijf notebalken en de solsleutel glijden. Er liepen rillingen door zijn ingewanden toen ze hem zo aanraakte, vooral als haar vinger over zijn tepels gleden.
Hij hoorde gezoem alsof er een videorecorder werd teruggespoeld, maar dat zal wel verbeelding zijn geweest, dacht hij, want zoals de man had gezegd kwam er geen techniek aan te pas.
Opnieuw gingen ze pand verbeuren en weer werd Fietje zo stil als de sterren. Elke keer gebeurde dat weer, wel honderd keer of misschien meer. Misschien gaat dat wel in alle eeuwigheid door, dacht hij en tenslotte verlangde hij ernaar dat zijn moeder hem nu eindelijk eens zou roepen om te komen eten.
Ze stonden weer in de savanne. Weer die gnoes, weer die hyena's, weer die giraffen. Een soort bewegend testbeeld zeker.
"Kun je dat zelf doen, overschakelen van het ene naar het andere programma?" vroeg hij nogmaals. "Zappen noemden we dat aan de andere kant."
"Jawel," zei hij, "maar welk programma je ook kiest, alles duurt weer een eeuwigheid."
Daar moest hij lang over nadenken. "Ik mis de tijd," zei hij uiteindelijk.
Dat vond zijn begeleider heel menselijk. Waarom dacht hij anders dat hij hier nergens mensen zag?
O, zat dat zo! De tijd was op en de eeuwigheid een stuk kauwgom dat je niet uit kon spugen. Iedereen baalde daarvan en gaf de voorkeur aan het nirwana of zoiets.
"Dus?"
Hij keek naar de uitgang van een plotseling opgedoken tunnel. EXIT stond erboven, met knipperende letters zoals boven een snelweg als je niet harder mag rijden dan 80 of 100. Engels, wereldtaal, hiernamaalstaal. De man bracht hem erheen en als groet stak hij met een verveeld gebaar een vinger op. "Hé, wacht eens!" Hij bleef staan. "Wat is er aan die andere kant? Weer van die gnoes?"
Voor het eerst glimlachte de man. "Niets," zei hij.
"En waar is God eigenlijk?" wilde hij weten.
"Omgekomen in Auschwitz."
"Omgekomen?"
"Vergast."
Hij keek verbijsterd. "God omgekomen?"
"Ja, iedereen weet toch dat God een jood was.
"En wie bent u eigenlijk?"
"Zaakwaarnemer."
"Door wie aangesteld?"
"Door jouzelf toch! Door je laatste restje bewustzijn. Ga nu maar. Ongeveer halverwege de tunnel raak je ook dat gelukkig kwijt."