COLUMNS

Computers en koolmezen
Het toekomstbeeld van StarTrek
Maakt geld gelukkig?
Verstandjob
Een dak voor de vogels
Henk uit Oirschot
Het wonder
Een goeie plek om te rouwen
Nederland, een kleurrijk land
Oma Singel


Computers en koolmezen

Ik ben nu 46 en soms voel ik me oud. Niet omdat ik al begin te denken dat vroeger alles beter was, nee, omdat ik vroeger dacht dat de toekomst beter zou zijn. Eind jaren zeventig zag het er zo rooskleurig uit. De computers zouden ons het domme werk uit handen nemen en wij zouden meer tijd krijgen voor de leuke dingen des levens. Aan de Katholieke Universiteit Brabant werd zelfs een leerstoel Vrijetijdswetenschappen opgericht. Twintig jaar later kunnen we de balans opmaken.
De computers hebben ons inderdaad het domme werk uit handen genomen, maar toch loopt het aantal vacatures de spuigaten uit. Ik heb weinig vertrouwen in de zinvolheid van al dat nieuwe werk. Een voorbeeld: om de haverklap word ik opgebeld of ik geïnteresseerd ben in pensioenplannen, leningen, een nieuwe keuken, een abonnement op dagblad X, etc. Er zijn dus mensen die heel de dag andere mensen bellen om producten te slijten waar niemand behoefte aan heeft. Zo hou je elkaar lekker bezig, toch? Verder hebben die slimme computers iets bedacht: ze willen nog slimmer worden en daar zijn ook een heleboel mensen druk mee.
Uit de oratie van Wim Knulst vorig jaar december, toen hij hoogleraar Vrijetijdswetenschappen werd, blijkt dat aan de zondagsrust getornd wordt. Er is steeds minder tijd voor het sociale leven op die dag, voor kerk en familiebezoek. Niet dat er op zondag zoveel meer gewerkt wordt, nee, op zondag is het tijd voor het huishouden, waar doordeweeks niet aan toegekomen wordt. Vooral mannen schijnen zich dan te ontpoppen als huismannen.
De mensen die werk hebben, werken steeds harder. In de Volkskrant van 1 juli 2000 wordt dit bevestigd in het artikel "Gejaagd door de tijd" van Peter Giesen en Mirjam Schöttelndreier. Een citaat: "Als we genoegen zouden nemen met het welvaartsniveau van pakweg de jaren zestig of zeventig, toen de mensen ook al dachten dat ze het nog nooit zo goed hadden gehad, zouden we lekker op onze lauweren kunnen rusten." Dat is helaas niet gelukt. De competitiedrift van de mens schijnt eindeloos. Zo ook het behoeftepatroon van de westerse mens. In de jaren zestig vond de toenmalige premier Joop den Uyl het een toppunt van socialisme als ieder gezin over een auto beschikte. Inmiddels zijn TV, magnetron, computer en de tweede vakantie, liefst naar een heel ver land, noodzakelijk om erbij te horen. In het voornoemde Volkskrantartikel wordt de volgende noodzaak alweer aangekondigd: de tweede badkamer, zodat je elkaar 's ochtends niet meer in de weg hoeft te lopen!
Ik ben nu 46 en soms voel ik me oud. Dat komt omdat ik het allemaal niet meer zo goed begrijp. Er zitten twee koolmezen in mijn tuin, die zich te goed doen aan het vetbolletje dat ik voor ze opgehangen heb. En ze drinken uit een vergeten schaal, die volgelopen is met regenwater. Als mijn hoofd overloopt, ga ik even naar ze kijken. Ik geloof dat ik me alweer wat jonger voel.

Gepubliceerd in de Zelfk(r)ant, straatkrant voor daklozen en minima, 's-Hertogenbosch, in "Het Ideale Eigenbelang", kwartaalblad van de stichting UNO-inkomen en Kwerk.



Het toekomstbeeld van StarTrek

Ik ben zo'n twintig jaar een verwoed science-fictionfan geweest. Dat is inmiddels een beetje geluwd vanwege gebrek aan goede, nieuwe uitgaven. Maar een Trekkie ben ik gebleven. Een Trekkie? Dat is jargon voor StarTrek-fan.
StarTrek is een TV-serie die in de jaren zestig begon, een stille dood stierf en eind jaren '80 een revival beleefde. Inmiddels zwerft de vierde kapitein door de ruimte en ik kan er nog steeds geen genoeg van krijgen. De kracht van StarTrek zit hem in een unieke combinatie van factoren. De gebruikte wetenschap sluit zó nauw aan bij de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen, dat geleerden er serieuze boeken aan wijden om eens haarfijn uit te leggen wat wel en wat niet kan. Er zijn de nodige soap-ingrediënten die ervoor zorgen dat je blijft kijken.
Maar de serie dankt zijn populariteit nog het meest aan zijn ideologische grondslag. Voortdurend worden er ethische en morele situaties behandeld, die exemplarisch zijn voor dagelijkse en minder alledaagse dilemma's. Daarbij geldt de "Prime Directive" als maatstaf, een kruising tussen de Rechten van de Alien en de tien geboden.
In de beginperiode was StarTrek zijn tijd ver vooruit. De conservatieve blanke elite van de USA liep te hoop tegen deze serie, waarin nota bene een ZWARTE VROUW, luitenant Uhura, de rol van verbindingsofficier vervulde. Alle rassen zijn gelijk, zowel aards als niet-aards, de doodstraf bestaat niet, geld evenmin. Hoe krijgen ze dat voor elkaar, zonder geld?
In de aflevering "The neutral zone" van The Next Generation wordt dat uitgelegd. Daarin worden drie 21ste-eeuwers ontdooid die zo'n driehonderd jaar in bevroren toestand in een capsule door de ruimte hebben gedoold. Een zakenman, een huisvrouw en een muzikant. De huisvrouw betreurt haar man en nageslacht, de muzikant is heel tevreden als er voor hem een droge martini en een gitaar gerepliceerd worden, want kunst en drank zijn toch van alle tijden. Maar de zakenman vraagt om een telefoon, want hij is razend benieuwd wat er in die driehonderd jaar met zijn aandelenportefeuille gebeurd is. Captain Picard vertelt de man dat, helaas voor hem, het geld afgeschaft is. Wanhopig vraagt de zakenman wat dan nog in hemelsnaam de drijfveren van de mens zijn, zonder geld. En Picard antwoordt als een echte Maslov-adept: dan heb je de tijd jezelf te ontwikkelen en je talenten te ontplooien. En dat is misschien nog het beste argument voor een basisinkomen.

Gepubliceerd in "Het Ideale Eigenbelang", kwartaalblad van de stichting UNO-inkomen.



Maakt geld gelukkig?

Ik ben opgegroeid in spaarzaamheid. Zo gaat dat, als je ouders de tweede wereldoorlog en het tientje van Lieftinck1 hebben meegemaakt. Als je je geld op je spaarbankboekje zette, de Zilvervloot heette dat destijds, dan werd je voor die spaarzaamheid beloond met rente. Toen ik op mijn 38ste met bescheiden winst mijn huis verkocht, werd dat plotseling heel anders. Geld werd iets waar ik wat mee moest doen. Ik moest het beheren, verzorgen, uitgeven. Avond na avond zat ik achter mijn computer te rekenen. Wat een zorgen. Zou ik nu een nieuwe basgitaar kopen? Voor ik het wist had ik het drie keer uitgegeven. Alles kon, maar het enige wat ik deed was lekker uit eten gaan, en links en rechts wat aan mijn behoeftige medemens uitlenen.

Toen kwam ik in de kerngroep van LETS-Den Bosch2 terecht. Dat bracht een ommekeer in mijn denken teweeg. Geld werd plots een zeer relatief begrip. Als proef op de som werd ik ontslagen bij de universiteit waar ik werkte. Ik kreeg nog meer geld via een koperen handdruk, maar maakte meteen een foutje bij de uitkeringsinstantie en werd drie maanden zwaar gekort op mijn inkomen. Ik kwam niet aan mijn spaargeld, nee, daar was ik doodsbenauwd voor, dat was de verzekering van mijn toekomst, toch? Ik liep door de stad, het was tegen sinterklaastijd, bekeek de etalages en voelde me vrij. Ik hoefde niets, verlangde niets. Dat moment van vrijheid ervaar ik nog steeds als een cruciaal keerpunt. Geld kan ook een last zijn.

Drie jaar later: ik had nog steeds geen baan en mijn WW-periode liep af. Het geld moest op, of ik zou het via de sociale dienst moeten opeten. Dus het was hard werken om geld uit te geven. Ik kocht een nieuw sollicitatiekostuum, wat duurzame goederen en ging wat vaker naar de kroeg. Het voelt vrij om niet meer al dat geld te hebben. Natuurlijk, ik heb gemakkelijk praten, kind noch auto, een huurhuis en een nieuwe wasmachine. Maar ik ervaar een positief saldo op mijn LETS-rekening als een grotere rijkdom dan al die duizendjes op de spaarrekening vroeger.

Maakt geld dan niet gelukkig?

Hoe komt het toch dat geld mij niet gelukkig maakt? Het is toch comfortabel om veel geld te hebben? Als ik nu tegen het einde van de maand krap zit, maak ik me daar minder druk om dan toen ik nog achter mijn spreadsheetgrafieken zat die een lichte daling vertoonden. O jee, ik teer in, ik heb een te hoge levensstandaard!

Een vriendin van mij is aan de andere kant begonnen, zonder geld. Het gaat nu goed met haar en ze wentelt zich in weelde. Ze geniet van haar geld. Wat is de waarheid? De Volkskrant berichtte eind vorige eeuw over een onderzoek naar de geluksbeleving in relatie tot geld. Grof gezegd waren de rijken niet gelukkiger dan de armen, behalve in het Oostblok, daar is armoede nog synoniem met ongelukkig zijn. Ze leren het nog wel.

1 Lieftinck was de eerste na-oorlogse minister van Financiën. Teneinde het geldsysteem weer op orde te brengen eiste hij al het geld op en gaf ieder gezin een tientje om weer opnieuw mee te beginnen. Een soort basisinkomen dus.

2 LETS betekent letterlijk: Local Exchange Trading System. LETS is een ruilsysteem waarbinnen mensen onderling diensten en goederen ruilen op basis van een eigen lokaal geldsysteem.

Gepubliceerd in "Het Ideale Eigenbelang", kwartaalblad van de stichting UNO-inkomen.



Verstandjob

Daar was de twaalfde sollicitante van die dag: een jonge vrouw met een baby van pakweg zes maanden op haar linkerarm. "Gaat u zitten, mevrouw..." Van de Wetering keek even in zijn stukken: "van Uffel." Mevrouw van Uffel ging zitten. "Mijn naam is Van de Wetering, ik ben P&O manager van Toys Incorporated. U heeft gesolliciteerd naar de functie van sales assistant?" "Jawel, meneer, zegt u maar Saskia, hoor, zeg eens dag tegen meneer, Sanne!" Mevrouw van Uffel bewoog het kleine knuistje van Sanne in een groet. Sanne keek gefascineerd naar de manager zonder ook maar één keer met haar ogen te knipperen. Speeksel droop ongehinderd uit haar mondje omlaag.

Van de Wetering keek gefascineerd terug, fronste de wenkbrauwen en ging verder. "Ik zie in uw CV dat u weinig ervaring hebt. Hoe bent u er toe gekomen te solliciteren?" "Wel, meneer, ik ben zogezegd ervaringsdeskundige op het gebied van speelgoed in de categorie nul tot twee jaar, dus ik dacht, ik moet toch solliciteren en dit leek me wel een leuke verstandjob." Ze haalde een lapje te voorschijn waarmee ze het speeksel van Sanne's gezichtje veegde.
"Verstandjob?" Van de Wetering had niet het idee dat ze veel verstand van zaken had. "Ja, u weet wel, die staatssecretaresse, mevrouw Verstand, die ons alleen-staande moeders zo graag aan een baantje wil helpen." "O, dat verstand!" zei Van de Wetering met een zucht. Hij had dringend verkoopsters nodig voor de winkelketen en ze zag er representatief uit, dus hij besloot meteen door te stoten naar de slotvraag. "Wat had u gedacht te verdienen, mevrouw van Uffel?" "Dat u dat meteen vraagt, meneer, da's nou aardig. Ik ben daar eens goed voor gaan zitten. Het minimumloon is 2244 bruto, kinderopvang erbij, dat kost mij 129 per maand en u zo'n 2300 per maand, na fiscale aftrek, hoor, dat komt dus voor u op zo'n 4600 per maand. Het kost natuurlijk minder als u een crêche bij de winkel hebt, maar dat lijkt me sterk."

Van de Wetering hapte naar adem. Het leek of de lucht in zijn kantoor begon te betrekken. Hij snoof. "Ach, meneer, nou heeft Sanne het gedaan. Kunt u even uw paperassen opzij schuiven?" Voordat de P&O manager het wist was zijn bureau tijdelijk in gebruik als babycommode. Hij moest toegeven: ze was er heel handig in. Gelukkig had ze een afvalzakje bij zich waar het restmateriaal afgesloten in verdween.

"U hoort nog van ons, mevrouw." Van de Wetering zette de ramen van zijn kantoor wagenwijd open, terwijl mevrouw van Uffel, al koerend tegen de baby, zijn kantoor verliet. Afwezig stempelde de P&O manager "afgewezen" op haar sollicitatiebrief.

Gepubliceerd in de Zelfk(r)ant, straatkrant voor daklozen en minima in 's-Hertogenbosch en in "Het Ideale Eigenbelang", kwartaalblad van de stichting UNO-inkomen.



Een dak voor de vogels

Simon is een natuurmens. Als hij iets te lang in een grote stad moet zijn, zonder uitzicht op een flink stuk groen, dan wordt hij onrustig, dan moet hij naar buiten. En ook al vertoeft hij regelmatig in een buitenwijk, veel vaker is hij in het bos te vinden met zijn omgebouwde bestelbusje om daar te overnachten, of te werken. Het bos is zijn echte thuis. En daar heeft hij ook hard voor gewerkt. Samen met een stichting waar hij deel van uit maakt heeft hij langs de wandelroute een schuilhut gebouwd, een sober, eigenzinnig, houten bouwwerk, waar ik graag mag zitten.

Vandaag is Simon bij me op de thee. Hij is een praatgrage man en begint al gauw te vertellen over een familiebezoek. Daar las een tante hem de les. Wanneer zocht hij nu eens een baan? Wanneer ging hij wat nuttigs doen? "En wat ik ook zei, ze luisterde niet eens, snap je dat nou, Frans?"

Dus de volgende dag ging hij maar weer naar zijn bos. Hij keek rond, zag de vogelhuisjes in de bomen, die hij zelf gemaakt had en opgehangen. In het begin, een paar jaar geleden, waren het er zo'n honderd. Maar ja, mensen vonden het mooie huisjes en namen ze mee voor thuis. En het is een hoop onderhoud. Iedere winter haalt hij de huisjes weer naar beneden en maakt ze zorgvuldig schoon, want in een vuil nest is het slecht broeden. Inmiddels zijn er nog zo'n dertig vogelhuisjes over, maar hij fantaseert alweer over nieuwe systemen, braakveilig, eenvoudiger schoon te maken door een laatje onderin.

En dan gaat hij weer en ik zie hem in het bos, midden in de nacht. Hij luistert naar de vogels en roept ze. Soms roepen ze terug: "Bedankt, Simon, voor het mooie dak boven ons hoofd!"

Wat jammer dat zijn tante het niet hoort.

Gepubliceerd in de Zelfk(r)ant, straatkrant voor daklozen en minima en Keerzijde, parochieblad van de San Salvator, 's-Hertogenbosch


 


Een goeie plek om te rouwen

"Dit is een goeie plek om te rouwen", zegt mijn moeder over het zomerhuisje van mijn ouders in Frankrijk. Mijn ouders hebben veel om te rouwen, dat heb je op die leeftijd. Voor mij speelt dat niet zo, af en toe sterft een oom of tante waar ik nauwelijks contact mee heb gehad. Als ik met mijn vriendin naar het zomerhuisje ga, neem ik een boek mee dat ik toevallig uit de bibliotheek geplukt heb: "Vroeger is dood" van Inez van Dullemen. Het is een verslag van de aftakeling en de dood van Inez' ouders, kort na elkaar en haar reactie daarop.

Mijn vriendin leest het boek als eerste, af en toe met tranen in haar ogen. Haar ouders zijn allang gestorven. Als ik het daarna lees kan ik mijn ogen evenmin drooghouden. Voor mijn vriendin is het de herinnering en voor mij is het een herbeleven van de dood van mijn grootouders en het vooruitzicht op het einde van mijn ouders, een schrikbarend toekomstbeeld. Straks ben ik ook alleen.

Na het lezen ga ik mijn buurman in Frankrijk, mr. Louis, begroeten. Ik heb hem lang niet gezien heb en hij barst meteen in tranen uit. Zijn zoon Serge is vorig jaar gestorven. Ik kan niet alles begrijpen van deze oude, huilende man die amper verstaanbaar vertelt over zijn verdriet. Hij zit zoals gebruikelijk onder de boom op het erf en ik luister vol aandacht, een steunende hand op zijn arm, op mijn hurken.

's Avonds stook ik een prachtig houtvuur buiten voor al de doden en de overlevenden. Dit is een goeie plek om te rouwen, die plek waar je door de boomgaard kunt wandelen en de pruimen zo in je mond vallen, groeiend op je eigen mest.

Vroeger is dood, het is tijd om te leven.

Gepubliceerd in Keerzijde, parochieblad van de San Salvator, 's-Hertogenbosch


 


Nederland, een kleurrijk land

Terwijl de kranten schrijven over criminele Turken en Marokkanen, zie ik prachtige Somalische vrouwen in kleurrijke gewaden aan mijn raam voorbijgaan. Ik koop gehakt bij de Marokkaanse hoekwinkel. 'Goodbye,' zegt de Marokkaan als ik afreken en ik antwoord met 'Salam' en hij lacht. Dit is de wereld waarin wij leven: de televisie wordt bevolkt met alle rassen van de wereld, zo ook mijn wijk.

Twee jaar geleden zat ik op een avond in de trein en er zat een buitenlandse man tegenover me. Hij las ingespannen, de woorden meeprevelend. Ik vroeg: 'Bent u aan het studeren?' en hij zei: 'Nee, ik lees mijn boek.' Hij heette Kader Abdolah, ontvluchtte Iran en schrijft nu autobiografische verhalen in het Nederlands. Ik kreeg een foldertje van hem over zijn debuut. Ik dacht er niet meer aan tot mijn vriendin, maatschappelijk werkster, mij vroeg of ik niet wilde converseren met een Iraanse man die goed Nederlands wilde leren spreken. En zo kwam ik in contact met Mohammed uit Iran en het klikt tussen ons. Ik lees hem langzaam voor uit het boek van zijn landgenoot en hij voelt zich thuis. Bijna wekelijks praten Mohammed en ik, over de sjah en Khomeiny, over de bijbel en de Koran.

Inmiddels hebben wij de rollen omgedraaid: onbeholpen schrijf ik Iraanse lettertekens en lees hem haperend voor uit een Iraans taalboekje niveau groep 3. Nederland is een kleurrijk land.

gepubliceerd in Keerzijde, parochieblad van de San Salvator, 's-Hertogenbosch


 


Henk uit Oirschot

Op het plein voor de prachtige kerk van Oirschot zitten we op een bankje koffie te drinken. Dat gaat aan de omgeving niet ongemerkt voorbij want we zijn met drie volwassenen, een kind, een tractor en een prachtige, zelfgemaakte huifkar, ons vakantievervoer. Het is herfstvakantie en de zon schijnt volop. Een man, een gezette vijftiger met een hondje, komt even een praatje maken. De hond is van een kroezig ras en wordt met enige omhaal naar het plein voor de kerk gedirigeerd. Dan komt de man bij ons zitten, want hij is nieuwsgierig. Dus ik vertel over onze vakantie-ervaringen. Ik zeg dat het vannacht te koud was om buiten te slapen, dat ik mijn ogen nauwelijks heb dicht gehad, maar het niet erg vond om naar de sterren te staren. "Daar weet ik alles van, ik heb zelf ook drie jaar buiten geslapen", zegt hij en vertelt over de cocaïne-verslaving die tot zijn dakloosheid leidde. Als hij zegt dat hij veel in Den Bosch geweest is zeg ik, "Oh, dan ken je het inloopschip zeker wel!" Ja, en Frans, mijn vader die daar werkt als vrijwilliger, kent hij ook. "Die man is veel te goed voor dat werk, hij laat altijd zijn shagbuil op tafel liggen en iedereen maar bietsen zodat ie op het eind van de dag niks meer heeft." Maar nu woont hij in Oirschot, zijn geboorteplaats. Hijbegon met een huis met niks erin. En op een avond kwam een man langs die vroeg of hij even binnen mocht komen. Dat mocht ie maar hij moest wel weten dat hij nergens kon zitten. Dat was de pastoor. "Die man heeft mij voor duizenden guldens gegeven, in goederen dan, en de dominee ook. En weet je, je krijgt maar één kans." Hij moet zijn best doen om in het gareel te blijven en als hij terugvalt is er geen redden meer aan. Ik ga niet in discussie, maar denk daarover na, nog dagen later. Krijgen we allemaal echt maar één kans?

Als we wegrijden roept hij me toe: "Doe Frans de groeten, van Henk uit Oirschot!"

gepubliceerd in de Zelfk(r)ant, straatkrant voor daklozen en minima en Keerzijde, parochieblad van de San Salvator, 's-Hertogenbosch


 


Oma Singel

Oma Singel zal dit jaar de negentig wel halen. Nog elke dag werkt ze in de moestuin, maar nu we nieuwjaar gaan wensen, blijft ze toch maar binnen. Het is erg glad buiten. Ik zoen haar op de harige wangen en haar verhalen beginnen steevast meteen. Het gaat vaak over de dagelijkse dingen, wie er nu weer dood is in het dorp of juist geboren. Want elke nieuwe boreling wordt door haar verblijd met een paar zelfgebreide geboortesokjes. Ze is moeilijk te volgen, want ze spreekt het dialect van de streek. Bij elk bezoek hang ik gefascineerd aan haar lippen, want ik heb niet zo vaak de kans verhalen te horen uit het begin van onze eeuw.

Vandaag vertelt ze een verhaal uit de tijd dat ze met haar man in Duitsland ging vissen op de rivier en plots wordt haar verhaal doorspekt met Duitse woorden en flarden van Duitse zinnen. De matrozen gingen, zoals het toen hoorde, elke zondag naar de kerk. Nu waren er twee kerken in het dorp, een Evangelische en een Rooms- Katholieke, maar de katholieke matrozen spraken geen woord Duits en gingen per ongeluk naar de Evangelische. Dat was ongeveer een doodzonde in die tijd vertelt ze, al konden ze er achteraf de humor wel van inzien. De godsdienstoorlogen zijn al lang voorbij maar in het begin van deze eeuw konden dit soort vergissingen nog tot slaande ruzie leiden.

En ik deel mijn leven met oma's kleinkind, een hervormde vrouw, die kaarsjes voor me brandt bij Maria en Sai Baba. We kerken samen in de San Salvator en af en toe in de Dominicus in Amsterdam, een ongebonden kerk. En de God van Nelson Mandela woont ergens diep in mijn hart en lijkt verbaasd zich daar te bevinden.

Of oma dat allemaal begrijpt, weet ik niet.

gepubliceerd in Keerzijde, parochieblad van de San Salvator, 's-Hertogenbosch


 


HET WONDER

In Nevers, een stad in het midden van Frankrijk is een klein museum gewijd aan Bernadette van Lourdes. Nadat Maria aan haar verschenen was werd ze non in Nevers en is daar op 33-jarige leeftijd gestorven. Haar brieven aan de paus zijn geëxposeerd, de paraplu en de tas waarmee ze arriveerde in het klooster, al die zaken die de sluier oplichten van een mens. Maar het bijzondere is dat zij daar ligt opgebaard, al meer dan honderd jaar dood, onaangetast door bederf dat altijd met de dood gepaard gaat. De eerste keer dat ik haar zag, acht jaar geleden, zat ik heel stil in die kapel. Ze lag als een soort Sneeuwwitje in een glazen kist met goudbeslag. Ik hield mijn adem in. Zou dit nu eindelijk een wonder wezen, een soort Godsbewijs?

Dit jaar was ik er opnieuw met vriendin en haar zoon Pim, een jongen van twaalf. Pim is niet bepaald religieus opgevoed. Zijn moeder heeft hem een keer opgestookt om bij de communie twee hosties te vragen, zoals hij ook thuis liever twee dropjes heeft dan een.

Maar Pim is nieuwsgierig naar Bernadette, want ik heb hem erover verteld, hij heeft in een folder een foto gezien van haar gezicht, dus op een donderdag gaan we naar Nevers, even van de landelijke sfeer naar de grote stad. We lopen de kapel in en zitten even gedrieën heel stil te kijken. Pim fluistert me na een paar seconden in mijn oren: "Da's nep, ze is van was."

Misschien heeft hij wel gelijk, maar ik moet meteen opstaan en de kapel uitgaan. Ik hou liever het mysterie in stand. En nu ik dit opschrijf bedenk ik me dat dit misschien wel de essentie van geloven is: tegen beter weten in.

Een week later hoor ik het volgende mopje: Maria en Jozef krijgen van God de kans om na zo'n tweeduizend jaar weer terug naar de aarde te gaan. En ze praten met elkaar over hun motieven. Jozef zegt: "Nou,ik wil wel terug, ze hebben tegenwoordig zo'n prachtig timmermansgereedschap." En Maria zegt: "Weet je Jozef, waar ik graag eens naar toe zou willen? Naar Lourdes, want daar ben ik nog nooit geweest."

Gepubliceerd in parochieblad Keerzijde, parochieblad van de San Salvator, 's-Hertogenbosch.