Dagboekfragmenten

Vrijdag, 5 april 1991
Vrijdag, 10 mei 1991
In memoriam Mohammeds vrouw (1997)
Tom (1980)

19910405, vrijdag

Maggy, een tienjarig meisje dat ik nu twee jaar ken, is geïnteresseerd in zoveel zaken die me vroeger als kind ook zo boeiden, ik sta er soms versteld van: gedichten, biologie... en ze is dol op griezelen. Laatst had ze het over baby's op sterk water die ze zo graag eens een keer in het echt wilde zien. Dat wilde ik ook wel en ik beloofde dat ik een museum uit zal zoeken waar we naar toe zouden kunnen gaan, een natuurhistorisch museum. Ik vraag aan de juffrouw van de VVV of ze ergens in Nederland een natuurhistorisch museum hebben, liefst met baby's op sterk water. Dat weet ze niet zo direct, maar geeft me een boek met alle musea in Nederland. Ik selecteer twee musea, beide op de terreinen van de universiteit van Utrecht, een anatomisch en een paleobotanisch museum.

Vandaag is het zover. We nemen de trein naar Utrecht en kopen een stadskaart. Als we de stad inlopen en de kaart uitspreiden om te zoeken waar we heen moeten zegt ze: 'Het lijkt wel of we op.. hoe heet dat ook al weer...' 'Of we op vakantie zijn,' vul ik aan. 'Ja, zo'. Ik geniet. We nemen de bus en letten samen heel goed op waar we uit moeten stappen. Het paleobotanisch museum op de Uithof blijkt een zaal vol saaie sedimenten, meest stenen met bladeropdruk, maar toch, ze wil alles zien en foto's maken van de ontwikkeling van plant tot diamant.

Dan gaan we weer de stad in en eten een broodje. Er wordt te lang gelopen, vindt ze en ze krijgt pijn in haar knie. Na een aantal omzwervingen komen we in een oud pand van de afdeling anatomie: twee zalen vol preparaten van het menselijk lichaam, mensenlevens vol vakwerk. In deze periode van films met trucages is het verwonderlijk om deze echte weefsels te zien, hart, lever, tong, opengewerkte lichaamsdelen, geconserveerd, op sterk water en ja, ook de baby's, de foetussen in alle stadia van groei, het wonder uiteengerafeld. Ze lijken bevroren op een moment van intens geluk. Maggy is ook onder de indruk, ze vindt het zielig, zegt ze, dat ze daar zo in die potten zweven en niet meer verder leven. Het losse oog dat ons droevig aan ligt te staren vindt ze teveel, dus we lopen snel door en Maggy, die nog niet zo gewend is aan piemels kan ze hier aanschouwen, althans, in dwarsdoorsnede, twee keurig geprepareerde schijfjes.

Wat we verder nog doen... we gaan naar een tweedehands boekhandel, een prachtig geval met een wenteltrap over drie etages en overal boeken. Maggy vindt het prachtig en wil meteen ook een boek kopen. Na enig gesnuffel neemt ze nota bene een boek met bijbelse verhalen mee. En ik zweer met mijn hand op de bijbel dat ik haar er niet toe heb aangezet.

Een week later schrijf ik het volgende in haar poezie-album:

Weet je nog?
die keer dat we naar het museum gingen
vol met potten met nog niet geboren baby's?
jij zei nog: ik word er verdrietig van,
omdat ze nog niet geboren zijn
en ik keek naar die mooie, stille gezichtjes,
dacht: ze zien er best gelukkig uit in die potten
En als ik dan naar jou kijk
zou ik je ook wel in zo'n potje willen stoppen
niet echt hoor!

 

19910510, vrijdag

Mijn vader is nog op vakantie, dus ik chaperonneer Lies, mijn zeventigjarige moeder, naar de begrafenis van haar nicht Fien van Yperen-Maissan. Fien heeft de zeventig ook gehaald, pas het laatste jaar is ze bergafwaarts gegaan. De kanker. De uitvaartplechtigheid voltrekt zich in een kerk in Rotterdam. Lies heeft een zeer levendige oorlogsherinnering aan deze buurt. Na een catechisatieavond vertrekt ze op de fiets, het is spertijd, dus aardedonker. Ze wordt nog bijgelicht door een aardige kapelaan met een zaklantaarn. Dan rijdt ze met een enorme klap tegen een lantaarnpaal. 'Kijk, daar,' wijst ze, 'en alle knopen sprongen van mijn jas.'

Kees, de man van Fien, doet het openingswoord. In rustige bewoordingen vertelt hij hoe hij haar lang geleden heeft ontmoet, wat haar kwaliteiten waren en hoe ze het laatste jaar nog van elkaar hebben kunnen genieten. Zijn stem is helder, vast, doch niet zonder emotie. Het tekent de dienst die verder afschuwelijk is, de vaste rite, voorgelezen door een pastor die moeite heeft met de toch al onpersoonlijke tekst. Telkens moet hij haar naam voorlezen van het overlijdensbericht: "de dierbare overledene, Josephina van Yperen-Maissan". 'Lul, ze heet Fien,' denk ik, telkens weer. Wel mooi, de Latijnse liederen: Lux aeterna, In paradisum.

De begrafenis op Crooswijk is kort, sober. De zon schijnt, de merels fluiten. Het graf van Fien is mooi, bloesems erboven, Kees' ouders onder haar. Kees staat erbij, gelukkig dat ze niet meer lijdt, bedroefd, dat ze er niet meer is, en zo, in evenwicht, met zichzelf samenvallend. Zo biedt Kees me zijn geloof.

Fien keert terug naar de aarde en alle gepraat over het eeuwige leven verstomt. Ik denk terug aan de overledenen die ik gekend heb, nog in mijn hart draag. Zo simpel is mijn geloof: mensen die herinnerd worden, ze zijn er, nog steeds, ze leven voort. De vergetenen dragen we altijd nog bij ons, we zijn herbouwd uit hun moleculen. Geen reïncarnatie, geen hemel, geen hel. Elk snippertje bewustzijn draagt bij aan onze geschiedenis. De slaven van ToetAnch-Amon, de soldaten van Napoleon, de joden in de gaskamers. We leven voort.

Een komische situatie bij de koffie: Een 81-jarige zus van Fien kijkt me eens aan na de begroeting. 'Je bent magerder geworden,' zegt ze. Dat klopt, wat een geheugen heeft ze, ik heb haar in geen vijftien jaar gezien. 'Hoe komt dat?' vraagt ze. 'Liefdesverdriet,' zeg ik plompverloren. Ik heb daar geen gêne meer over. Ze raakt duidelijk in verwarring. Lies probeert via een omweg te verduidelijken wie ik ben want de nicht verwart me met mijn vader.

Ook maak ik kennis met een oud-oom, een fascinerende man, zo kinderlijk in zijn uitstraling, zo tevreden met zichzelf. 'Ik heb mijn hele leven buiten gewerkt,' vertelt hij en veel meer heeft hij niet te zeggen, maar zijn ogen vertellen: 'kijk, ik ben gelukkig, leer van me.'

In memoriam Mohammeds vrouw

Ik ga de laatste twee jaar wekelijks op donderdag een uurtje naar hem toe, naar de Iraniër Mohammed Besharati, om met hem te converseren in het Nederlands en er is vriendschap uit ontstaan, over twee culturen heen.
Maar deze week belt hij op het laatste moment af. Hij praat meestal moeilijk Nederlands door de telefoon, maar nog nooit was hij zo helder als nu. Zijn vrouw heeft een hartaanval gehad, is opgenomen in het Groot ziekengasthuis. Ik moet donderdagmiddag toch naar het ziekenhuis omdat vriend Jack er ligt te bekomen van een prostaatoperatie, dus ik probeer aan de balie erachter te komen waar zij ligt. Ze is nog niet opgenomen in de database, dus er wordt doorgeschakeld naar de EHBO. Daar bestaat ze. Bent u familie? Nee, ik ben een huisvriend, zeg ik, op dat moment voor het eerst de relatie benoemend. Ik mag haar niet bezoeken. En ik dring niet aan. Jammer, achteraf.
Zaterdagavond belt Mohammed opnieuw. Mohammeds vrouw was al overleden toen ik donderdag in het ziekenhuis was en hij nodigt me uit voor de begrafenis. Mohammed. mijn hart gaat naar je uit. zeg ik hem, ontroerd.
Ze heet Amenè, of zoiets, want haar voornaam is niet zo duidelijk aanwezig. Iraniërs benoemen elkaar zelden met de naam, ze zijn de vader van... of de oudste zoon. En zij is gewoon Mohammeds vrouw. Contact maken met een vrouw uit een andere cultuur die beperkt Nederlands praat en zich op de achtergrond houdt, de koffie inschenkt, zo'n vrouw dreigt een schim te worden, al is ze vaak onderwerp van onze gesprekken.
De laatste keer dat ik haar zag, hadden ze hun kleinzoon te logeren en ik hoor haar Nederlands praten als nooit tevoren en zeg: Ik ben jaloers. Je praat met je kleinzoon meer Nederlands dan met mij. En ze lacht vriendelijk en begrijpt wat ik zeg.
De keer daarvoor was ze net terug van haar reis naar Iran, voor het eerst in vijf jaar, op bezoek bij de dochter die naar Iran was teruggekeerd, omdat ze het hier niet kon uithouden. Daar leed Mohammeds vrouw onder, dat ze haar gezin niet compleet had in dit land. Dat had invloed op haar fysiek. Het was goed dat ze nog een keer in Iran was geweest. Wat ze nog in haar leven wilde, had ze bereikt. Ze was naar haar moederland teruggekeerd, ze had haar dochter en haar familie weergezien. En ik vond het moeilijk dat ik niet in staat was haar te vragen hoe ze het gehad had. Mijn Iraans is belabberd.
Ze heeft toen een souvenir voor mij meegenomen, een Iraans wandkleedje, een handbeschilderd rechthoekig stuk leer, keurig gevat in houten stokjes, als een gebedsrol. De schildering betreft een mooie vrouw met een hert aan haar voeten. Het lijkt of de vrouw danst. En plots is er iets aan de muur van mijn huiskamer dat ik eigenlijk als kitsch beschouw. Maar ik heb het opgehangen en langzaam krijgt het zijn plek, wordt vertrouwd. En telkens zeg ik tegen mijn vrienden: Ze heeft voor mij een mooie vrouw uit Iran meegenomen. Door de culturen heen, over de taal, streelt ze mijn ogen. Vanavond ben ik blij dat het er hangt. Ik leg mijn hand op het leer en daar zijn de tranen, heel even.
De week voor haar overlijden sprak Mohammed met me over zijn eenzaamheid, in zijn flat aan de Lucasstraat. Hij was verdrietig en ik heb hem gezegd: Mohammed, ik vind het zo jammer, dat je de weekends altijd aan je familie wilt besteden. En hij zei heel oprecht: Ik wil voor mijn vrouw zorgen. Dat hoeft nu niet meer.

Jet, mijn vriendin, die me in contact heeft gebracht met Mohammed, en ik gaan naar de begrafenis van Mohammeds vrouw op de algemene begraafplaats te Orthen. We weten alleen de plaats en de tijd, maar wat we daar zullen aantreffen, we hebben geen flauw idee. De zon schijnt, we lopen rond en vergapen ons aan de kitsch en de ontroering die daarmee gepaard kan gaan. Een buurvrouw van Mohammed komt ook en we delen de onzekerheden over het omgaan met een andere cultuur en wachten, drie kwartier, en komen er dan achter dat er nog een andere ingang is en lopen erheen. Plotseling komt er een hele horde Iraniërs op ons af, ik ontwaar Mohammeds grijze hoofd, dat er plots veel ouder uitziet, en we omhelzen elkaar innig. De ceremonie is voorbij, maar Mohammed neemt ons mee naar het graf van zijn vrouw en we staan er even stil, ontroerd. Het graf is al dichtgegooid en ligt vol met bloemen, er ligt een gesluierde foto van Mohammeds vrouw. Ik ben even alleen met haar en overdenk wat er te delen was, en wat niet. Choda'avez wens ik haar tenslotte, tot ziens in het Iraans en breid wanhopig mijn armen uit in een halve zegen. We lopen terug en ik hou Mohammed goed vast, aai over zijn rug, omhels hem en merk hoe prettig het is dat mannen elkaar veelvuldig mogen aanraken in zijn cultuur. Op de terugweg vertelt hij me over de laatste momenten met zijn vrouw, korte bloemrijke zinnen.
We belanden in een shoarmatent, vlak bij mij in de buurt. Het Iraans schettert ons om de oren, en ik herken de klanken en hervind steeds meer Iraanse woorden. Het is een verwarrende ervaring voor me. Bloedmooie Iraanse vrouwen, verdrietig, breekbaar en de kinderen rennen rond en spelen. Ik sta even buiten met Mohammed en zeg dat ik, toen mijn grootvader stierf, stil en verdrietig moest zijn, maar hier is leven en jeugd, een teken: het leven gaat door. En we blijven heel dicht bij elkaar. Mohammeds jongste dochter komt naar me toe en zegt in gebrekkig Nederlands dat ze zoveel over me gehoord heeft en dat ze het jammer vindt om me onder deze omstandigheden te ontmoeten. Elk begin is een goed begin, zeg ik want ik voel telkens weer dat eenvoudige, heldere woorden een basis kunnen zijn voor conversatie. Ik ontdek mijn taal opnieuw via Mohammed.
Ik heb Mohammeds vrouw niet meer gezien, zie alleen het kleinkind, Mahmoed, de zoon, Mohammed, zij die achterblijven. En het beschilderd leer, het eerste en laatste tastbare dat ik van haar kreeg, naast de vele kopjes koffie.

TOM

Na een paar dagen ben ik Rome meer dan zat. Ik verzuip in die grote stad, vind geen aansluiting bij mensen, monumenten. Ik besluit naar Florence te liften vanuit een plaats in de buurt van Rome.
En zo zit ik 's ochtends vroeg comfortabel te lezen in de trein van Rome naar Viterbo, de rugzak in het bagagenet. Tegenover me zit een Italiaanse jongen, zo te zien een soldaat met verlof. Aan de andere kant van het gangpad zitten twee mannen tegenover elkaar. De oudste van de twee leest een krant maar kan zijn nieuwsgierigheid af en toe niet bedwingen, vouwt zijn krant over de breedte in tweeën en kijkt steels naar zijn overbuurman. Deze heeft een zuidelijk uiterlijk en draagt een keurig kaki vrijetijdskostuum. In het bagagenet boven hem ligt een koffer, naast hem wat boeken met "Italy" erop. Ik schat hem een jaar of 35. Hij zit te borduren aan een heel klein lapje. Als de trein begint te rijden houdt de borduurder met zijn arbeid op en gaat lezen.
De reis duurt lang voor de honderd kilometer die de trein moet afleggen. Om de haverklap stopt de trein bij smoezelige stationnetjes met veelbelovende namen. Ik vraag zo goed en zo kwaad als het gaat aan mijn overbuurman wanneer we in Viterbo aankomen en hij maakt me duidelijk dat het nog wel een uur kan duren. De borduurder zit met hetzelfde probleem. Hij zoekt in zijn toeristengids een plaatsnaam op, houdt zijn vinger erbij en laat het boek aan zijn overbuurman zien. Deze begint een heel verhaal in het Italiaans waar de borduurder niets van begrijpt. Ik begrijp wel dat hij ook naar Viterbo wil.
Af en toe kijk ik eens naar hem, al net zo nieuwsgierig. Hij is geen Italiaan dus voor mijn gevoel een betere potentiële gesprekspartner dan de anderen om mij heen. Ik vraag hem op een gegeven moment of ik zijn reisgids in mag zien. Ik ken Viterbo niet en het moet een mooie stad zijn. Hij gebaart dat ik de gids moet aannemen, lijkt niet te kunnen praten.
De trein stopt midden op het platteland. Iedereen gaat uit het raam hangen, ook mijn overbuurman. De dertiger komt tegenover mij zitten en schrijft iets op een kladblokje, laat het mij lezen en geeft me een pen.
"English"
"I'm Dutch"
What town? Ghent? Amsterdam?"
"Ghent is in Belgium," schrijf ik. "'s Hertogenbosch. Where do you come from?"
"New Jersey, USA, near New York City. I'm going to Viterbo. I saw you ring. `Peace'. Good! We need it." Hij wijst op mijn zilveren ring met het vredesteken. Ik schrijf: "Are you travelling thru' Europe alone? I'm doing Italy alone for the first time and there are times I find it very difficult." Hij aarzelt, schrijft "A long story. I was staying in my friends appartment in Roma for several days. Now I'm alone to travel Viterbo-Orvieto-Siena. I usually went out with my friends in Europe the past years. Last year I was alone in Venice for one week. Now I should have someone with me."
Dat voelt goed, dezelfde golflengte, twee eenzame mannen die samen wat tijd op een goede manier willen invullen. Hij is zeer geïnteresseerd in mijn manier van vakantievieren.
"Where are you staying. Outside?"
"Youth hostels, campings, and when I can't find them, yes, outside..."
"Save financially?"
"No, I just like it this way. I can afford more luxury but in that way it is less exciting."
"Not true, from my experience."
"I only experienced less when I travelled with my girlfriend & others."
Zo schrijven we nog een tijdje aan elkaar, het stapeltje papier met onze conversatie groeit. Ik ben enthousiast over deze manier van praten. Het is heel direct, je hebt geen tijd voor "talking rubbish", zoals ik hem schrijf.
De trein komt eindelijk aan in Viterbo aan en ik vind het zonde zo'n contact te laten schieten. In het stationscafé drinken we samen een kop koffie en ik vraag hem of we de stad niet samen kunnen bezichtigen. Ik heb het vage plan meteen verder te liften, maar dit lijkt me wel zo aangenaam. Viterbo schijnt me de moeite waard en Tom -zo heet hij- ook. Na wat heen en weer geschrijf maken we een eetafspraak 's avonds om half acht. Tenminste als ik een slaapplaats kan vinden. Het hotel waar hij logeert is me veel te duur. Ik wil blijven proberen zo weinig mogelijk uit te geven, een kruising tussen gierigheid en sport.
We schrijven elkaar een afscheidsgroet en lopen samen het café uit. Ik ben een beetje vertederd als ik hem zo zie lopen. Hij is klein en ziet er erg alleen uit met zijn koffertje. De wetenschap dat hij doofstom is maakt hem nog eenzamer. Verder heb ik het vage gevoel dat hij homofiel is, dat heb ik vaker als ik mannen meer dan aardig vind, een prachtvoorbeeld van Freudiaans afweermechanisme.
Ik schrijf twee brieven aan vriendinnen op een vuilnisbelt en vind vlak bij de stad een weiland, mooi verscholen achter een muur, waar ik mijn tent kan opzetten en besluit de vier uur die mij scheiden van de afspraak met Tom te besteden aan een rondgang door Viterbo.
Bij verrassing kom ik Tom tegen en we maken samen een wandeling door de middeleeuwse buurt, pittoreske steegjes, bevroren in de tijd, onwezenlijk. Het moet een vreemd gezicht geweest zijn, een wat haveloze jongen met een rugzak naast een keurig geklede man die samen zwijgend, kijkend rondlopen, af en toe elkaar op de schouder tikken om elkaar ergens op te wijzen, soms stil staan om te schrijven op onooglijke papiertjes die ze aan elkaar laten lezen. Tom blijkt een graad in kunstgeschiedenis te hebben, gespecialiseerd in de middeleeuwen, dus er is genoeg stof voor discussie over barok en renaissance. Hij weet zich trouwens prima verstaanbaar te maken. In een slecht verlichte kerk loopt hij gewoon de sacristie in en gebaart naar iemand daar aanwezig of hij het licht niet kon aandoen. En het lukt hem.
Om half acht gaan we eten in een hem aanbevolen restaurant. Ik eet een ongelooflijk hete spaghetti al 'Etrusce en blus die met een Scalope al vino bianco. We hebben het prima naar onze zin, de conversatie gaat van politiek naar kunst, relaties. Op een gegeven moment vraag ik hem of ik de conversatie mag behouden en hij stemt er mee in. Door al dat geschrijf raakt Tom door zijn notitieboekje heen. Gelukkig heb ik nog een kladblokje bij me. Het eten is lekker, de conversatie boeiend, juist in al zijn beperkingen. Tom blijft zich maar druk maken over mijn nacht. "I hate (I can't help) to see you sleep outside. I just thought of you sleep on the floor in my room if you don't mind. I doubt you'll sleep comfortably"
Ondertussen maakt hij zich over nog iets anders ongerust. Hij verwacht een vriend in het hotel en ik bied aan voor hem op te bellen. "Good idea!" Of ik een boodschap achter wil laten overbrengen met een ontmoetingsplaats. Telefoneren in het Italiaans! Geen handen, geen voeten... De vriend is nog niet gearriveerd en de boodschap komt over.
Dan gaan we naar zijn hotel en worden zeer argwanend bekeken. We moeten beloven dat ik binnen het uur weer weg zal zijn. We schrijven nog even met elkaar in zijn kamer, omhelzen elkaar hartelijk en daar ga ik de duisternis in met zijn kaart om de weg terug te vinden.
Overdag is een middeleeuws stadje ontzettend vredig maar 's avonds, schaars verlicht verwordt het tot het decor van een Jack-the-Ripper-film. Ik sluip door de pittoreske steegjes die nu vol duistere hoeken en gaten blijken te zitten. Het rustige weilandje achter de muur is vol geritsel. Auto's rijden af en aan en lijken allemaal bij mijn tent te stoppen. Met een mes in de hand lig ik verstijfd te wachten tot het dag wordt. Niets aan de hand. "I doubt if you'll sleep comfortably". Hij had gelijk, Tom. En dan de vraag: stel dat...
Om half zes sta ik alweer te pakken en na een wandelingetje van een uur sta ik met mijn liftbordje langs de weg. Verkleumd, niet geslapen, maar ik ben weer "on the road" en zing een blues voor de nog niet aanwezige zon.

Naschrift:

Deze reiservaring is grotendeels in 1980 geschreven en in 1994 voltooid, gebaseerd op herinneringen en de complete correspondentie met Tom, een ééndagsontmoeting, gevolgd door twee ansichtkaarten.

gepubliceerd in de Meanderkrant.