|
Mijn
koopvaardijtijd bij de KPM Nadat ik in Vlissingen mijn diploma 3e stuurman grote handelsvaart (GHV) en het theoretische gedeelte van 2e stuurman GHV had gehaald stond de reis naar Indonesië als volgende punt op het programma. Op het hoofdkantoor van de K.P.M in Amsterdam, als ik mij goed herinner was dat vooraan op de hoek van de Prins Hendrikkade, kreeg ik de informatie voor de inentingen, welke kleding ik moest kopen en het aanbod voor de koop van een sextant. Ik weet niet meer exact wat de prijs was, maar het moet ergens rond de fl. 400.- geweest zijn, ik heb dat ding in Indonesië nooit gebruikt, omdat ik altijd zicht hadden op de talloze eilanden. Ik vond het dan ook achteraf misleidende verkoop van de maatschappij. Een hutkoffer werd gekocht en gevuld, waarna hij door de KPM op transport naar Jakarta werd gezet. Voor de eerste weken moesten uniformen e.d. meegenomen worden met het vliegtuig. Het was mijn eerste vlucht en we reisden nog 1e klas ook,
Echtgenotes van collega’s die in Indonesië waren en nog geen eigen huisvesting hadden woonden daar in heel kleine appartementjes. Aan de rechterkant waren de kamertjes waar wij sliepen bij aankomst uit Nederland of bij een overplaatsing of ziekteverlof. De volgende ochtend het was toen 22 juni werd ik al direct aan boord van de Plancius als 4e stuurman geplaatst. Waar de reis naar toe is gegaan weet ik niet meer, omdat ik met 20 tal schepen overal in de archipel heb gevaren, van Atjeh tot het indertijd nog Nederlandse Nieuw Guinea, maar in ieder geval eerst richting Surabaja. Mijn Maleis stelde uiteraard nog niet veel voor, wij vertrokken rond een uur of vijf en dus had ik al direct de wacht. Het eerste gedeelte van de reis moest een aantal keren van koers veranderd worden, was het geweest zoals overal, dan was er geen groot probleem geweest, want tellen in het Maleis had ik intussen wel geleerd in het vliegtuig, maar in plaats van op kompasgraden te varen gebruikte de KPM nog steeds de ouderwetse kompasstreken noord, oost etc., met alle daartussen liggende streken en dan ook nog in het Maleis. Enfin met handen en voeten en een hele hoop gebarentaal is het toch gelukt, alhoewel ik het zweet in de handen en niet daar alleen had staan. Om acht uur
‘s avonds zat het erop, toen kwam eerst een grote verbazing gevolgd
door woede bij mij opzetten, want de djurumudi = roerganger die toen ook
vertrok nam afscheid met de woorden: “eet smakelijk en voor straks
welterusten stuurman”. De rakker sprak vloeiend Nederlands, maar hij
had gedaan alsof, ook de dagen erna ging het zo, echter het heeft mij
wel goed geholpen om de taal te leren. Overigens ben ik het nu weer voor
90% kwijt. De eerste
keer dat ik in Surabaja kwam met de Plancius bleven wij daar op zondag
liggen. Als katholiek opgevoede jonge man wilde ik nog naar de kerk. Het
probleem was echter mijn beperkte kennis van de taal en het niet weten
waar ik zijn moest. Het toeval wilde dat de bisschop van Surabaja bij de
eerste stuurman op bezoek was, ze kenden elkaar goed, dit gaf mij de
gelegenheid hem naar de weg te vragen. Of het kwam door de hoeveelheid
alcohol die zij beiden al genuttigd hadden of dat er een andere reden
was weet ik niet, maar het eind van het liedje was dat een dominee die
ook aan boord was mij naar een katholieke kerk gebracht heeft. Dit is
geloof ik de eerste en tevens de laatste keer dat ik in Indonesië naar
de kerk ben geweest. Zoals gezegd heb ik de hele archipel leren kennen, d.w.z. de havens en hier en daar ook een beetje de plaatsen waar wij kwamen, alleen was het meestal maar een paar uurtjes. Met uitzondering van Jakarta, want daar kwamen wij veel en heb ik er ook een tijd met ziekteverlof gezeten. Gedurende die periode verbleef ik weer in het Logeergebouw, het eten was goed echter de kamertjes stelden niet veel voor. ‘s Avonds gingen we vaak aan de overkant van de Molenvliet wat extra’s eten bij een Chinees of Indisch restaurant. Het was meer een klein onderkomen, gemaakt van hout en golfplaten met een dak waar het in de natte moessontijd nog wel eens goed kon lekken. Wat we daar dan vaak gingen eten was saté in allerlei soorten maar ook godok = kikkerbilletjes. We gingen ook vaak de stad in om wat inkopen te doen en daarna brachten wij een bezoek aan hotel Des Indes voor een biertje, zo ook op zekere dag. Wij waren toen met z’n tweeën, bij het hotel aangekomen werden we tot onze verbazing opgevangen door een paar knappe Chinese meisjes. Zij begeleidden ons naar binnen en wij konden daar een gastenboek tekenen, toen kwamen wij erachter wat er aan de hand was, n.l. een echte Chinese bruiloft. Wij konden niet weg en moesten naar binnen en werden naar het bruidspaar gebracht. Daar stonden wij, uiteraard niet in feestkleding en zonder cadeau, we feliciteerden het bruidspaar, boden ons excuus aan en wilden vertrekken, dat werd niet toegestaan. Zowel bruid als bruidegom nodigden ons officieel uit om te blijven waarna we als eregasten werden behandeld, wij voelden ons in het begin niet erg op ons gemak tussen al die Chinezen, maar na korte tijd was dat weg door de geweldige verzorging en wij hebben toen een prachtige middag en avond gehad, om nooit te vergeten.
Ik heb
enkele maanden gevaren op wat men daar noemde de Sitzen Coasters, o.a.
de “Landak, Larantuka en Leksula”.Hier waren meestal 3 Europianen
aan boord, de kapitein, eerste stuurman en de vierde stuurman, de rest
van de bemanning waren Indonesiërs. Al deze schepen voeren vanaf
Singapore naar Sumatra en daar op de diverse kalis (rivieren) zoals de Indragiri, Musi en Siak kali . Ieder week-end waren
we in Singapore, in die tijd was Singapore nog een echte vieze stad, dit
in tegenstelling tot nu, het is nu een schone en ook veilige stad, later
meer hierover.Vanwege de hoge temperatuur en vochtigheid in de stad had
ik een abonnement op de diverse bioscopen gekocht, daar was airconditie
en vaak mooie films, er werden nog gratis sigaretten aangeboden dus het
was er goed uit te houden.Wanneer we van Singapore naar de Indragiri
rivier gingen was dat om kopra (gedroogd vruchtvlees van de kokosnoot)
en rotan te halen. Het eerste stuk van de reis door Straat Malakka was
normaal varen, daarna de Indragiri rivier op. In deze rivier hadden we
veel last van zandbanken die zich steeds verplaatsten, zodat van varen
op een zeekaart geen sprake kon zijn en ging het op ervaring en steeds
weer gokken hoever een zandbank zich verplaatst had, we liepen ook soms
vast maar dat was meestal geen probleem. Waar we wel last van hadden
waren de sero’s, (zie
foto) Dit zijn vissershuisjes van bamboe die in de rivier gebouwd waren maar door het verplaatsen van de zandbank niet meer gebruikt werden, ze waren dan ook meestal reeds in een grote staat van verval. Ze stonden dan midden in de vaargeul en we voeren er dan dwars doorheen en steeds maar weer hopen dat er niet een of andere visser het in zijn hoofd gehaald had om er toch te gaan zitten vissen, maar de bevolking daar wist heel goed wat hun dan te wachten stond als wij eraan kwamen. Wat in het begin voor mij ook een hele ervaring was, was dat ik als we aan het begin van de Indragiri rivier waren er een motor sloep buitenboord gezet werd waar ik dan met een van de matrozen vooruit moesten varen naar het eerstvolgende dorpje waar we lading moesten innemen, te lossen was er nooit veel, ik regelde dan de aanvoer van de lading naar het schip en ook waar het in het schip geladen moest worden. Omdat er veel chinezen langs de kali woonden die daar ook de handel dreven hadden wij altijd een tolk aan boord die met de motor sloep meeging. Op een van deze reizen was hij vergezeld van een Engelse dame, hoe de verhouding tussen die twee was weet ik niet, het woord escortdames bestond toen nog niet, maar iets dergelijks zal het wel geweest zijn. Hier twee foto’s van het stel gemaakt in 1954 in Prigiradja op de Indragiri rivier. Wanneer we dan weer terug voeren richting Singapore werden we opgewacht door prauwen die de smokkelwaar van de bemanning kwam ophalen, meestal zakken met koffie.
De hut
waarin ik woonde aan boord van deze Sitzen coasters had een ruime kooi
met een aantal grote laden eronder. Ik had de djongos (bediende) die
mijn hut moest schoonmaken al een aantal keren gewaarschuwd om in mijn
hut geen smokkelwaar te verstoppen want de havenpolitie van Singapore
was toen ook al niet gemakkelijk en ik wilde geen moeilijkheden hebben.
Maar op zekere dag kom ik terwijl we nog op de rivier waren mijn hut
binnen en merkte dat het erg naar ongebrande koffie rook, deze had een
speciale niet nader te omschrijven geur. Ik ben toen gaan zoeken en vond
inderdaad onderin mijn kooi een zak koffie, ik heb verder niets gezegd
en gedaan, maar de laatste paar zeemijlen voordat de ophalers te
verwachten waren hield ik mijn deur op slot. Toen de prauwen langszij
kwamen heb ik een opkoper gewaarschuwd en aan hem deze zak koffie
verkocht. Even later kwam de djongos aanlopen en vroeg aan mij: “Toean
waar is mijn koffie?” Ik heb hem alleen maar gezegd dat ik van koffie
niets afwist, het gevolg was dat ik met deze bediende geen problemen
meer had met het smokkelen van koffie in mijn hut. Hij had zijn lesje nu
goed geleerd. Wanneer wij in Singapore waren konden we op basis van de ligdagen Singapore dollars kopen, dit was niet veel. Op zekere dag waren mijn schoenen kapot, maar ik had te weinig dollars om nieuwe te kopen en op de rivier was helemaal niets te koop voor mij, Wat schetst mijn verbazing toen ik een paar dagen later, wij lagen toen in Singapore, toen ik van de wal terug kwam er een paar splinternieuwe schoenen op mijn kussen stonden en eronder lag nog een bedrag aan dollars, ik weet niet meer hoeveel, maar ik heb iets van honderd dollar in mijn hoofd. Nooit ben ik te weten gekomen wie dat geregeld heeft, maar ik denk dat die tolk er wel meer vanaf wist. Of hij ook met het smokkelen te maken had weet ik ook niet, maar het zou me niets verbazen.
Wanneer we de Siak rivier opgingen,
dat was een lange rivier met zeer veel haarspeldbochten was het altijd
goed opletten want niet alleen de KPM zat met enkele schepen op die
rivier maar ook de Indonesische maatschappij de PELNI. Ik kwam toen op
het idee om middels de radiotelefonie installatie een overeenkomst te
maken met zowel de KPM schepen als ook die van de PELNI om de radio
installatie op een bepaalde frequentie af te stemmen en iedere bocht in
de rivier een naam te geven. Wanneer iemand dan zo’n bocht naderde
werd dit doorgegeven zodat een eventueel tegemoetkomend schip wist wat
er achter de bocht was. Dit was maar goed ook want de Siak kali is een
zeer snel stromende rivier dus de schepen die stroomopwaarts voeren
gingen langzaam terwijl diegenen die met de stroom meevoeren er met een
rotgang de bocht om kwamen. Wanneer ik
van het ene schip naar het andere werd overgeplaatst gebeurde dat vaak
in Jakarta, soms ging het direct maar vaak zaten er een paar dagen
tussen. Dat betekende dus dat je alles echt goed moest inpakken en
meenemen naar Jakarta, dat hield dus in dat je door de douane moest. Van
de hutkoffer met kleding en dergelijke maakten zij geen probleem, maar
de radio door de douane brengen was een andere zaak. De oplossing die ik
gebruikte was de radio in de originele doos en bovenop de radio een
geldbedrag in roepia’s. Was je door de douane heen dan was het geld en
dus ook het probleem weg. Van het
salaris betaalden wij heel weinig belasting en ik maakte zoveel mogelijk
over naar Nederland, je hield dus in Indonesië maar een klein beetje
over en dat was lang niet genoeg om te kopen wat je nodig had. De
gebruikelijke procedure was dan dat je naar een bekend adres ging,
meestal een Nederlandse arts of ingenieur daar kreeg je dan 1000 of 1100
roepia’s afhankelijk van wat
de koers was en een nummer van een bankrekening in Nederland. Ik schreef
dan een brief naar Nederland en liet fl. 100.00 op betreffende
bankrekening overmaken. De zwarte koers was dus 1 op 10 of 1 op 11,
terwijl de officiële koers 1 op 3 was.
Ik was
intussen derde stuurman geworden en kon met de vierde stuurman niet goed
overweg, waarom weet ik niet. Op zekere dag kregen we echt ruzie met
elkaar en omdat je zulke dingen aan boord van een schip niet kon hebben
moest het uitgepraat worden maar daar was hij niet voor te vinden. De
eerste stuurman had echter een goede oplossing, hij was een sportsman en
had twee paar bokshandschoenen bij zich, dus dat werd een bokspartij
tussen ons. De hele bemanning kwam kijken en er werden ook nog
weddenschappen afgesloten. Wij hadden allebei geen ervaring in de
bokssport, dus er werd goed op elkaar getimmerd. Het eindresultaat was
dat ik gewonnen had, maar wel met een flinke hoofdpijn mijn kooi ging
opzoeken. Een gedeelte van deze tijd was het schip gecharterd door de regering van Indonesië, wij moesten alleen maar varen daar waar de overheid het schip wilde hebben. Met lading hadden we ook niets te doen dan alleen maar lossen en laden, al het militaire spul werd door een landmacht officier die vast bij ons aanboord was geregeld. Een tijd lang hebben toen een soort week dienst gehad van Den Pasar op Bali naar Ceram. Wij vervoerden toen troepen naar Ceram die daar toen in gevecht waren met de “opstandelingen”, er werd daar toen hevig gevochten en dat wisten de soldaten die wij aan boord hadden ook, er vielen veel doden, hun stemming was er dan ook naar. Ook maakten wij voor de regering een reis van Ceram naar Makassar, omdat de lading nog niet was gearriveerd was er weinig te doen. Wat doen in zo’n geval, natuurlijk een feestje bouwen, alle stuurlieden en machinisten deden er aan mee. De saté verkopers werden met hun hele handel aan boord gehaald en het bier vloeide rijkelijk. Zo erg dat mij later gevraagd werd als ik vertelde dat ik op de Van Swoll gevaren had: “Was jij er ook bij in Makassar?” Tegenwoordig heet Makassar “Ujung Pandang” Op 17
augustus 1954, op een reis naar het noorden van Celebes kregen wij de
gelegenheid om eens een landuitstapje te maken, dat kwam maar zeer
zelden voor in die drie jaar. Wij
lagen toen in Manado, de militairen zorgden voor vervoer. Over niet al
te beste wegen reden wij richting Tomohon waar een natuurlijk zwembad
was met redelijk warm water. Het stadje ligt tussen twee vulkanen, de
Lokon en de Mahawu die nu ook nog actief zijn, vandaar
Links op de
foto de telegrafist ook wel sparks genoemd, in het midden de sportieve
eerste stuurman en achteraan ondergetekende.
Op de reizen door de Molukken als 2e stuurman was mijn taak niet alleen wachtlopen tijdens de vaart, maar als er ergens dekpassagiers aan boord kwamen moest ik zorgen dat ze hun ticket betaalden en ook voor hun overvracht moesten de kosten in rekening worden gebracht. Iedere dekpassagier mocht een bepaalde hoeveelheid bagage gratis meenemen en voor de rest moest betaald worden. Dit laatste was altijd een soort wedstrijd tussen de passagiers en de tweede stuurman want men wilde uiteraard zo weinig mogelijk betalen. De grotere bagage stukken en ook fietsen stonden ergens aan dek en wanneer ik vroeg van wie dat was gaf niemand antwoord. Daarom nam ik enkele matrozen mee op mijn rondgang en als ik iets vond waar nog niet voor was betaald en waarvan niemand zogenaamd de eigenaar was, dan liet ik dat door de matrozen meenemen en achter slot zetten. Vaak gaf iemand dan al te kennen eigenaar te zijn en wanneer dat niet het geval was dan kwam er wel een vraag als de betreffende passagier van boord ging en hij/zij alsnog moesten betalen. Dit laatste werd minder toen bekend werd dat voor dit soort bagage extra betaald moest worden, want matrozen kosten ook geld en door het niet aangeven eigenaar te zijn hadden wij extra werk. Omdat wij
in de Molukken weliswaar een vaste route hadden, maar er zelden een plek
was om af te meren gingen wij voor anker wanneer er op een eilandje waar
we langs kwamen een vlag of een lamp was, dit was het afgesproken
systeem. Er werd dan een motorsloep buitenboord gezet en als 2e
stuurman ging ik dan als eerste van boord, regelde aan de wal alles,
want voor die lading moest uiteraard ook betaald worden en ik kwam dan
weer met de laatste sloep terug aan boord. De tijden dat ik in ieder
geval wacht had was van middernacht tot 04.00 uur en van 12.00 uur tot
16.00 uur. Maar er werd natuurlijk ook geladen en gelost tussen al die
eilandjes op de andere tijden, dan kwam het op bepaalde stukken van de
route regelmatig voor dat de tweede stuurman 2 á 3 maal 24 uur
nauwelijks aan slaap toe kwam, af en toe een enkel uurtje. Dit had dan
ook tot gevolg dat de gemiddelde tweede stuurman het niet langer
volhield dan zo’n 2 maanden, deze Molukkenlijn heette dan ook bij ons
de bloedlijn. Op de reizen naar de noord kant van Bali moesten wij altijd Balinese stieren en ijzerhout ophalen. De stieren werden met prauwen langszij gebracht omdat er nergens havens waren, zij vonden dat ook niet zo prettig als ze met een paar banden onder de buik op gehesen en aan boord getakeld werden. De stieren kregen een plaatsje op het tussendek, o.a. ook om een beetje tegen de directe zonnestralen beschut te zijn. Boven de beesten waren met hout stellages gemaakt en daarop sliepen dan de dekpassagiers, dit was niet zo aangenaam want die stieren bleven natuurlijk niet mooi stilstaan maar vonden het nodig om zo af en toe eens met de horens tegen het hout te bonken. Met het laden van ijzerhout was het ook oppassen geblazen want wanneer er eentje in het water viel ging die direct de diepte in en moest er iemand gaan duiken om de balk weer naar boven te krijgen. Wanneer wij
in Belawan Deli (Sumatra) waren lagen wij aan de kade en de horizontale
zendantenne aan boord liep precies evenwijdig aan het zinken dak van de
loodsen waarin de lading lag opgesloten. Omdat ik ook voor vertrek naar
Indonesië in Nederland het certificaat Hier nog een paar foto’s van de Leksula in Teluknibung aan de oostkust van Sumatra. Toen ik twee jaar vaartijd bij de KPM erop had zitten was ik nog in de gelegenheid om het examen praktisch gedeelte van 2e stuurman GHV in Jakarta te doen. Het was de laatste mogelijkheid dat het diploma zowel in Nederland als in Indonesië erkend werd. Aan de ene kant stond het in het Nederlands en aan de andere kant in het Maleis, het examen was op 7 en 8 december 1955. Toen ik het examenlokaal binnenkwam zaten twee Nederlandse heren op mij te wachten, ik begroette hen met: “Goeden morgen heren” en kreeg als antwoord: “Selamat pagi tuan” . Groot was mijn verbazing dat het hele examen in het Maleis ging en na een opmerking hierover tegen de Nederlandse voorzitter van de examencommissie vertelde hij me dat deze twee heren van nationaliteit waren veranderd en Indonesiër waren geworden. Dat was de reden dat zij alleen maar Maleis wilden spreken en ze deden dan ook of het Nederlands een vreemde taal voor hen was. Een enkel Engels woord werd wel nog geaccepteerd. Maar omdat het over de dagelijkse praktijk ging ben ik er toch nog in geslaagd mijn diploma te halen. Daarna moest ik nog één jaar varen, want we hadden een contract van 3 jaar. Omdat bij de KPM nog steeds een ranglijstensysteem gehanteerd werd maakte ik direct promotie en kwam als 2e stuurman onderaan op de lijst te staan. Onderstaand mijn diploma, links in het Nederlands en rechts in het Maleis, de foto moest natuurlijk aan de Maleise kant.
Slotfase KPM
in Indonesië. Op 5 december 1957 mochten de KPM schepen de havens niet meer verlaten op last van de Indonesische regering. Zij plaatste gewapende bewakers aan boord en de bemanningen werden als gevangenen behandeld. Er volgde nu een periode van onderhandelen waarin de verschillende verzekeringsmaatschappijen een belangrijke rol speelden. Uiteindelijk mochten de schepen die aan de ketting lagen vertrekken met als boodschap dat zij nooit meer in de Indonesische wateren zouden komen. In konvooi
gingen de schepen naar Singapore en met deze uittocht kwam er een einde
aan de scheepvaarthistorie. Mijn vertrek uit Indonesië.
Omdat alle medewerkers van de KPM een driejarig contract hadden gingen vaak hele groepen tegelijk terug naar Nederland, zo ook toen mijn tijd erop zat. Het vertrek was op zaterdag 28 april 1956 en de aankomst op Schiphol was dinsdag 1 mei 1956. Omdat het vliegtuig als extra charter vliegtuig emigranten naar Australië had gebracht en ons op de terugreis in Jakarta oppikte was er geen wisselbemanning beschikbaar en vlogen wij steeds een beperkt aantal uren zodat de bemanning kon rusten. Op koninginnedag waren wij in Kairo en werden daar met z’n allen uitgenodigd door de Nederlandse ambassadeur voor een staande receptie die avond. Omdat ik in
de drie jaren dat ik in Indonesië gewend was geraakt aan de temperatuur
had ik dan ook in Kairo geen probleem met de temperatuur daar en ik
verwonderde mij erover dat er op de bedden in het hotel dikke dekens
lagen, maar ‘s nachts heb ik ze hard nodig gehad aan de rand van de
woestijn. Van Kairo naar Schiphol was er eigenlijk gepland om in Rome te
landen waarom wist niemand, daarom heeft de piloot namens alle
passagiers een telegram naar zijn directie gestuurd met het verzoek om
non stop naar Amsterdam te vliegen, want voor de afhalers kwamen die
paar uur tijdwinst goed van pas. Aan de vooravond van mijn vertrek zat de hele groep bij elkaar in het logeergebouw aan de Molenvliet in Jakarta. Het was een gewoonte geworden dat iedereen het laatste geld naar de barkeeper schoof, want dat was in Nederland toch niets meer waard, en dan werd er een afscheidsbiertje gedronken totdat de barkeeper zei dat het geld op was. We wisten dat deze man eerlijk was. Op een gegeven moment komt er iemand naar mij toe die pas in Indonesië was en vroeg mij of ik iets voor hem wilde doen. Ik dacht hij zal wel een brief of iets dergelijks mee willen geven, dat kon je in 1956 nog doen, tegenwoordig is zelfs dat veel te gevaarlijk geworden met drugs en dergelijke. Ik zei: “vertel maar op”, het antwoord was verbazingwekkend, hij zei letterlijk: “zou jij met mijn vrouw willen trouwen?” , omdat ik al een aantal biertjes op had gaf ik als antwoord: “maar natuurlijk doe ik dat voor jou” en hij vertrok. Ik was in de veronderstelling dat hij ook een paar biertjes te veel op had. De volgende ochtend om 6 uur stond hij naast mijn bed met een dikke enveloppe, ik vroeg hem: “wat is de bedoeling?”. Waarop hij antwoordde: “jij gaat terug naar jouw verloofde, maar ik wil de mijne naar Indonesië laten komen, maar de KPM betaald alleen de reiskosten als ik getrouwd ben en ik heb alle papieren in orde gemaakt”. Ik verzekerde hem : “dat komt wel in orde”, want ik snapte nu wat de bedoeling was. Hij wilde met volmacht (met de handschoen) trouwen en ik moest dan voor hem de vervanger zijn. Na mijn aankomst in Nederland heb ik contact opgenomen met zijn moeder die in Venlo woonde en zij zorgde dan voor de verdere voortgang van de zaak. De trouwerij is in Bloemendaal geweest en op vragen van de ambtenaar van de burgerlijke stand antwoordde ik op de vraag: “G. Faessen neem u als gevolmachtigde van jonkheer van R… mejuffrouw S…tot uw wettige echtgenote” waarop ik met ja antwoordde, ik moest daarna nog enkele formulieren tekenen en mijn collega in Indonesië was getrouwd. Mijn verloofde (mijn huidige echtgenote sinds bijna vijftig jaar) was er uiteraard ook bij aanwezig. De bruid stuurde daarna een telegram naar Indonesië met als inhoud: “liefste J…wij zijn zojuist getrouwd en tot ziens in Indonesië”. De bruid is naar Indonesië vertrokken en wij hebben nooit meer iets van hun gehoord tot in de jaren ‘90 er op TV een programma kwam waar mensen gezocht werden, het heet nu Spoorloos. Toen wij dit programma gezien hadden heb ik de KRO gebeld en het hele verhaal verteld, de KRO wilde het wel uitzoeken, maar ik moest eerst zelfs gaan zoeken en als ik geen succes had zouden zij het overnemen. Maar na tien weken ijverig zoeken vond ik ze terug in Queensland Australië. Om het verhaal hier kort te houden, wij hebben ze geschreven over tempo dulu (de oude tijd) en hun antwoord was: “als jullie ooit naar Australië willen komen ben je hier hartelijk welkom”. Toen wij
een aantal zaken geregeld hadden zijn wij naar Australië gevlogen en
hadden vijf weken een heerlijk contact met hun. Vandaar zijn we naar
Tasmanië gevlogen, waar onze achterburen uit Nederland een bungalow
hadden. In de zomer waren zij altijd in Nederland en in de Europese
winter gingen zij naar Tasmanië. We hebben daar toen een 2e
hands auto gekocht en hebben vervolgens een trektocht van nog eens vijf
maanden langs de oostkust van Australië gemaakt. Dit was echt
pionieren, want meestal wisten wij ‘s morgens nog niet waar wij ‘s
avonds zouden slapen. Omdat ons dit zo goed bevallen was hebben we twee
winters later nog eens een trektocht van zes maanden door Australië
gemaakt. Na mijn thuiskomst in 1956 heb ik eerst een paar maanden vakantie genomen, omdat ik niet meer terug wilde naar de koopvaardij ben ik gaan solliciteren naar een baantje aan de wal. Ik heb in totaal twee sollicitaties geschreven, eentje naar de Staatsmijnen in Geleen en eentje naar Philips in Eindhoven. Bij beiden kon ik direct beginnen, daar zouden ze tegenwoordig hun vingers bij aflikken. In beide gevallen ging ik er in salaris op achteruit, maar bij de Staatsmijnen het meeste, daarom ben ik toen naar Eindhoven gegaan. In september 1956 ben ik daar begonnen maar in februari 1957 kreeg ik een oproep van de Koninklijke Marine, om een opleiding van enkele maanden in Den Helder te volgen, voor Aspirant Reserve Officier (ARO). na voltooiing van deze opleiding volgde de beëdiging als LTZ3 KMR (Luitenant ter Zee 3 Koninklijke Marine Reserve.
De totale diensttijd was 21 maanden, wanneer wij exercitie oefening kregen was het tenue voorgeschreven en in de winter mochten wij wollen handschoenen dragen, met dien verstande dat wanneer een van ons de handschoenen vergeten was, de rest ze ook niet aan mocht doen. Dit soort oefeningen kregen wij van een sergeant van de mariniers en die vond het dan leuk om na een poosje oefenen even op de plaats rust te staan met de geweerkolven op de grond in de sneeuw, voor diegenen die het niet weten onder aan de geweerkolf zit een metalen plaat, die was dus na een poosje ook goed koud. Dus iedereen kwaad op diegene die de handschoenen vergeten was. Wat ik ook nog goed weet is, dat als wij een poosje met het geweer moesten rennen, wij goed moe waren, omdat onze conditie niet zo denderend was. Iemand vroeg toen aan de sergeant: “Kunnen we niet even gewoon marcheren?” Daar kwam dus niets van in en tot overmaat van ramp begon de sergeant rondjes om ons heen te rennen, want hij had uiteraard een goede conditie. Wij kregen uiteraard ook oefeningen geweer schieten, na al het voorgaande waren wij dus op wraak uit. We hadden al eerder geleerd om een geweer helemaal uit elkaar te halen en na schoonmaken weer in elkaar te zetten. Het was een M1 Garand, een semi-automatisch wapen. Nu had iemand ontdekt dat wanneer je van een bepaalde pal iets weg gevijld had, dan werd het ineens een automatisch wapen, en wanneer je dan de trekker overhaalde vlogen alle 8 patronen er direct na elkaar uit. We hadden afgesproken om goed mis te schieten waarop de sergeant boos werd en zei: “Aro’s ( zo werden wij genoemd) ik zal jullie wel eens laten zien wat echt schieten is, geef mij maar eens een geweer.” Hij kreeg dus het bewerkte geweer, ging op de grond liggen en toen hij de trekker overhaalde kwam er dus niet één kogel uit, maar alle acht. Hij schrok natuurlijk want dat had hij niet verwacht, we hebben het echter wel geweten, o.a. op het strand moesten wij daarna, ik geloof wel ruim 5 km hard lopen en dan niet vlak bij het water waar de grond nog hard was, maar iets verder van het water in de mulle zand.
Aan het
einde van de opleiding moesten wij ook examen doen, dit was niet alleen
om de kennis te controleren, of je ook kon zakken voor het examen weet
ik niet, maar de volgorde van de examens bepaalde de volgorde van de beëdiging
en die bepaalde weer de volgorde van de rangorde op de lijsten van de
marine. De marine vindt de ouderdom in rang (dat is die volgorde) erg
belangrijk, vandaar.
De bemanning had dit natuurlijk direct in de gaten en toen er vragen gesteld konden worden was een van de eerste vragen: “Wat moet ik doen als een dronken officier een commando geeft”, dit natuurlijk tot grote hilariteit van de rest, en daar stond ik dan, maar ik kon het toch wel waarderen en dat wisten zij ook anders hadden ze het niet gevraagd.
|