B. Lijkgedichten, gedenkteekenen, wapenborden enzoovoort.

[Vanwege de vele overeenkomsten is hieronder eerst ingelezen: J. Wenning Yz., Wapenborden in de St. Martinikerk te Franeker (1678), uit "De Nederlandsche Leeuw", jrg. IV (1886), no. 5 en 6; vervolgens zijn de extra's (Latijnse gedichten) die Cannegieter geeft, opgenomen; het nummer B .. volgens Cannegieter is vet weergegeven. Ook hier zij nog eens vermeld dat er bewerkingen kunnen volgen.]

B 1. Gedenksteen in den zuider binnenmuur, van Luts van Camminga, overleden den 16 October 1605, dochter van Minno en van Luts Gerroltsdochter van Herema, hetwelk aldaar ter harer eere is opgericht door haren echtgenoot Jonker Carel van Sternsée, die den 14 Mei 1615 stierf, op Maandag den 22 d.a.v. werd begraven en een zoon was van Christoffel (overl. 1 Febr. 1560) en van Cnier Worpsdochter van Ropta (overl. 5 Maart 1555), welke beide laatsten te Metslawier zijn begraven. Op dit gedenkteeken leest men onder hunne kwartieren

Sternsée Camminga
Sigersdorf Minnema
Ropta Herema
Humalda (1) Sjaerdema

het volgende epitaphium:

Hier neffens dit gescrift leggen onder een steen
Minno van Kamming , end' Lutz Herema bi een:
Oick een' dochter van haer, genaemt Lucia, vrou'
Van Karol' Sternsee sijnde geweest getrou':
Die haer ter eeren des' gedacht'nis stellen doet.
De Dood en siet an, noch geslacht, noch macht, noch goet.
Luciae à Kamminga.
Matronae. Nobiliss: ac Lectiss: Conjugi. Dilectae. Quae. Obiit An(n)o vitae LII. Conjugii XXXIV. Christi M.D.CV.
Octob. XVI. Inter III et IV. pomerid.
Karolus A Sternsee Maritus.
M. M. S. P.

Carel woonde met zijne echtgenoote op Sjaerdema-slot (2) in het westen dezer stad, hetwelk later daarom ook wel Sternse-slot wordt genoemd en vermaakte, daar hij geene kinderen naliet, bij testamentaire beschikking Ropta-State, ten noorden van Metslawier, aan Bocke van Humalda, onder voorwaarde dat hij de naam van Sternsée bij de zijne zou voegen, hetgeen hij en zijne nakomelingen dan ook gedaan hebben. Zij hadden tot wapen: Sternsée gekwartileerd met Sigersdorf en als hartschild Humalda.

(1) Hieruit blijkt, dat de moeder van Cnier Ropta niet Anna Schenck van Tautenburgh (zooals het Stamboek zegt), maar Bjuck Sjoertsdochter Aebinga van Humalda, was. Dit komt ook overeen met de kwartieren op hare grafsteen te Metslawier, welke zijn:

Sternsée Ropta
Dosocher Eysinga
Sigersdorf Aebinga (Humalda)
Hagen Mockema

(2) In 1771 is dit perceel van stadswege als weiland en moestuin verhuurd aan Nicolaas Sioek, kastelein in 't Heerenlogement, die dit land zeer lang heeft gebruikt en naar wien hetzelve heden nog in de wandeling het Sioekeland wordt genoemd.


B 2.
Opschrift aan den pilaar onder den preekstoel:
Hier foijr onder desen witte(n) steen leit begraven de(n) edele(n) Joncker PIET(E)R VA(N) CHALLANSI, sergeant Maior des Vriescen Regimente en(de) is voor die scha(n)se van Mackum ghebleve(n) de(n) 14 Novembris Anno 1580.
Met de wapens van Challansi en Egmond van Merestein, onder eenig lofwerk.
Pieter van Challansi was de echtgenoot van Anna van Egmond van Merestein.
[Zwarte gedenkplaat thans (2003) aan ZZW-kant van pilaar 25.]


B 3.
Gedenksteen.
Viro illustri
ABRAHAHMO FREDERICO SCHURMAN
Icto
Ad Aedem D. Mariae Ultraiectinae
Canonici.
vel. vel.
Gentis suae norissimo
coniugi coniux
LURIDA VAN STUIJVESANT
M.P.C.
O. IV Aprilis Anni
MDCCLXXXIII
vixit annos LIII menses XI.
Abraham Frederick van Schurman, zoon van Mr. Johan Abraham - (broeder van Anna Maria, broeders dochter van de beroemde Anna Maria) van Schurman en Jacoba Gercama, werd geboren te Huizum 26 April 1730, kanonnik van het Kapittel van St. Maria te Utrecht, huwde 19 December 1762 Louisa van Stuijvesant, geboren 6 November 1740, dochter van Johannes van Stuijvesant en Christina Louisa Bönninger. Volgens aanteekenibng in een oude bijbel op het Franeker musuem, werd het huwelijk in de St. Geertruida-kerk te Utrecht bevestigd door Ds. Matthijs Daniël Römer.
Bij testament van 31 December 1780 vermaakte Abraham Frederik van Schurman J.U.D., die een korten tijd te Franeker woonde en den 4den April 1783 overleed te Heerenveen, aan de Franeker Academie een legaat van 30.000 Caroli gulden, benevens zijne bibliotheek en de onder hem berustende kunstwerkjes van zijne bloedverwante Anna Maria van Schurman, hare manuscripten en eenige familie-portretten.
Bij conventie van den 19de December 1779 is hij van zijne vrouw gescheiden. Hij stierf kinderloos.


B 4. XV. Een lijkgedicht ter eere van den hoogleeraar Petreius Tiara, geboren te Workum den 15 Juli 1514, overleden te Franeker den 9 Februari 1586 en begraven in deze kerk in een graf, waar (volgens grafschrift) later ook zijnen broeder Dominicus is bijgezet (zie: Navorscher dl. IV [1854], bl. 373).
Epitaphium aan een pilaar:

Heus Quicunque teris haec sacri limina templi,
Suspice paulisper verbaque pauca lege,
Sortem disce tuam et quae te quoque fata manebunt,
Ocius aut sero corde reconde tuo.
Hoc saxo tegitur PETREIUS ille TIARA
Ingens doctorum pieridumque decus.
Waldriehem ei patria est Frisiorum littore clara,
Quaeque rudimentis nobilitata viri est.
Artibus Harlemum post pluribus imbuit, atque
Linguis ornavit vim facilem ingenui.
Inde Machaoniam natura doctus ad artem,
Lovanium vix dum factus ephebus adit.
Tandem pergameo, cooque aliisque magistris,
Artis honos cessit summus in Italia.
Hanc deinceps toto coluit faeciliter aevo
Musamque Graiamque Ausoniamque simul
Scilicet insignis medicus summusque poeta
Audiit, et lingua philosophus gemina.
Lovanium expertum est doctorem ipsumque Doacum,
Lugdunum in Batavis, Franekera parva suum.
Haec postquam civem quem multos foverat annos
Grate complexa est et schola docta senem,
Grandaevum et vitae saturum mors abrupit atrox,
Aggregat et civem civibus inde suis.
Discite trigeminas non ulli parcere parcas,
Nec quid in hoc magno stare perenne solo.
Nam pariter doctos rapit indoctosque bonumque
Una falce virum mors metit atque malum.

Natus Waldriehem A(nn)o D(omi)ni MDXIII July XV.
Mortuus A(nn)o ultimi temporis MDLXXXVI, Feb. IX.
Vixit annos LXXII menses VI d. XXV.

DOMINICUS TIARA frater fratri chariss. et JOAN. ARCERIUS Theod. amicus amico, maesti, in memoriam ultimae resurrectionis posuerunt.

Dit epitaphium werd gewijd aan de nagedachtenis van den professor Petrejus Tiara, door diens broeder Dominicus Tiara en professor Arcerius.
Petrejus Tiara was een zoon van Tjaert Hauckes (overl. 8 Aug. 1558) en van Lisck Doeckesdochter Eninga (overl. 13 Juli 1555) en is tweemaal gehuwd geweest; eerst met Pietrick Anskes en later met Aef Baerents, die 23 September 1597 overleed en ook alhier werd begraven.
Meerdere bijzonderheden omtrent zijn leven en werken vindt men opgeteekend bij: Boeles, Friesl. Hoogeschool, dl. II, Ie helft, bladz. 44.
In het Stamboek komt hij voor op: van Velsen B, aant. 2, alwaar veel van het hier geschrevene kan worden aangevuld.


B 5.
Epitaphium:
D.S.
et
memoriae
clariss. viri,
D. SEXTI ARCERII,
medici experientiss.
Graecarum liter. et Hippocrat.
per 18 annos in Acad. Frisiorum.
Interpetis:
Qui
postquam cum laude suum aevum
in coelibatu transegisset,
vixissetque annos 52, mens. VII,
dies XIX, lenta tabe correptus
vivere desiit
kal. August. MDCXXIII.
Frater Paulus et Jaquelina soror
hoc mon. fratri desideratiss.
maesti posuerunt.

Efferat ingenium prisci natura leporis,
Maeonidem laudet Graecia culta suum.
Suavisonos teis moduletur Anacreon ignes.
Pythia Thebanis Pindarus ore tonet;
Hoc uno veteres agnovit Frisia graios,
Hoc uno voluit suada pelasga loqui.
Patria da veniam, mutavit Graecia sedem
Et lyrici nobis iam periere sales.
P. WINSEM[IUS] historiograph[us].
Dit epitaphium werd gewijd aan de nagedachtenis van den professor Sixtus Arcerius, door zijn broeder Paulus en zijne zuster Jacquelina Arcerius.
Sixtus overleed in 1623.

B 6.
Gedenkteken in den Oostermuur.
Memoriae Aeternae
D. NICOLAI ARNOLDI,
Lesna Poloni, S.S. Theol. Doct.
et prof. in Academia Franek.
Per annos XXX bene meriti,
pie defuncti XV Octob.
MDC.LXXX Aetatis LXII.

Frisia sis memor Arnoldi qui ostendit Athenis
Christum, quem scriptis post sua fata docet.
Quis fuerit constat, lachrymis agnoscitur urbis,
Frater amore pio, sortis honore pater.
Doctrinae melioris amans, pietasque sub isto
Religioque diu vindice tuta stetit:
Haec ait aut constans hac cum pietate morabor,
Aut mihi jam nullus restat in orbe locus.
Maestus posuit collega
M. Buschius. P.P.
Zie ook zerk 331

B 7. Wapenbord:
D.O.M.S.
Et aeternae memoriae
Illust. et gener. v.
GODTLOBI BERGKA,
l. bar. in Daub. et Leip.
qui Rudolph et Math. Impp.
Regn. Bohem. Max. neg.
Munijsque admot.
Post sereniss. Fraeder.
Rege ejusd. regn.
Optum. suffrag. in Burgrav. elect.
Ita urgente regn. fat.
Prid. kal. Nov. A(nn)o MDCXXIX ipso
Vitae et aetern. natali,
In exil. mortal. impl.
Corp. terr. ment. cael. redd.
Uxor maer. h. monum.
Marito q. opt. desideratiss. - P.C.

Hic jacet illustri Boiorum sanguine cretus,
Bergkanae gentis tot modo clarus avis.
Non semel urgentis protractus in ardua regni,
Lubrica si quando posceret aula virum,
Caesaribus laudata fides, post credita regi,
Sustinuit patriae grande cadentis onus.
Burgravium regno statuit; mox rege caduco,
Exilio comitem sors truculenta dedit.
Quae licet hunc patrio privarit scaeva sepulchro
Nec mausoleis siverit ossa suis.
Irascens fortuna tegi, tamen hospita musis
Templa viri cineres nostra lycea tenent.
Mens summo transcripta polo quae nescia rerum,
Atque acti in terris immemor exilii,
Regna videt nullos fati metuentia ludos,
Jura triumphatae subdita mortis habens.
Ite malae sortes, fluxi ludibria mundi,
Exilium patriae reddidit illae suae.
P. WINSEMIUS, Fris. Hist.
Behalve dit van 1629 hingen er ook nog twee wapenborden van 1634.

B 8. Wapenbord:
D.O.M.S.
et
Aeternae Memoriae
Illustriss. et Generosae D(omi)nae
D(omi)nae MAGDALENAE KATHARINAE
SLAWATAE,
Baronissae in Lhom et Roschenberg
GODTLOBII BERGKAE
Lib. in Daub. et Leippa.
Supremi Quondam
Regni Bohemici Burgravii viduae
Pie ac placide postquam 46 aetat.
Annum numeravit,
Animam creatori die 4to Febr.
Stylo antiquo reddentis
Franekerae in exilio.
Anno 1634.


B 9. Wapenbord:
D.O.M.
S.
et
Aet. Memoriae
Nobilissimi reverendi
et clarissimi viri,
D. JOHANNIS MACCOVII, S.S. Theol. D.
Et Profess. per annos XXLIX.
In hac Acad.

Quae dederat Lasco patriam cunasque priores
Doctorum ingeniis inclyta Sarmatiae
Haec eadem aethereo perfudit lumine civem,
Refcit et auguste verba latina loqui,
Sacraque discenti mysteria pandere turbae,
Et quicquid veteres edocuere sophi.
Desine tam clarum plorare Polonia civem.
Ille tibi famam debuit, ille sibi.
Obiit A(nn)o 1644, 24 Juny, Aetat. 56.
PIERIUS WINSEMIUS.
Johannes Maccovius is driemaal getrouwd geweest, eerst met Antje Ulenborch, daarna met eene dochter van professor Clingbijl en eindelijk met Frouk van Bonnama, die hem overleefde en nog tweemaal hertrouwde. (Zie ook zerk 319)

B 10. Wapenbord:
LAMBERTUS STACKMANS
civitatis Franek.
Dum vixit
Quaest. coss. ad comitt.
Delegatus etc.
Obiit postrid. kalend. Mart.
A(nn)o R.O. MDCXVII.
Aetat. LVI.

Infidos proceres et vim grassantis Iberi
Et patriae fugiens aspera fata suae,
Heic patriam ipse sibi propria virtute patravit,
Heic priscum exseruit nec tamen omne decus.
Exsulis et civis praeclari et munia summi
Conspectus fuit heic sustinuisse gradus.
Qui martem domuit rabidum fortemque malignam,
Exilio faelix an miser ille magis?
Aemulus exempli patrii, successor honoris,
Parcius ad tumulum debuerimne loqui.
Lambart Anthonisz. Staeckmans was in 1610 volmacht ten Landsdage wegens Franeker, burgemeester en stadsrentmeester aldaar en in 1613 en 1616 kerkvoogd te dier plaatse. Hij was getrouwd met Everke van Ghemmenich, die volgt.

B 11. Wapenbord:
EVERGETIS A GEMMENICH
virtut. matronal.
Omnium et sigillatim,
vivum (dum fuit) exemplar,
Obiit XVII kal. Decemb.
A(nn)o R.O. MDCXXXVI.
Aetat. LXXVI.

Nil tulit humanum matrona sanctius ista,
Quae sanctis aetas proxuma fluxit avis.
Aethera quin moribunda sibi spectare patentem,
Ac tolli sursum est visa, deoque frui.
Heic etiam post multa suae discrimina gentis,
Tranquillas habuit cum genitore lareis.
Nacta virum ex voto est; num quis miratur ut illos
Exilium potuit jungere? junxit hymen.
Utque pias jungunt loca nunc sublimia mentes
Sic divulsa prius corpora jungit humus.

Desideratissimis parentibus poneb. [Graece:] Thrènodian,
GULIELMUS STACKMANS,
Dynasta Ruigewartius
Ord. Fris. deputat. etc.
Zie het vorig no.

B 12. Wapenbord:

D.O.M.
S.
et
ADRIANO METIO, Alcmariano,
Med. Docto
Et mathematico celeberrimo,
Qui cum per annos XXXVIII.
Easdem artes in hoc Acad.
Cum laude docuisset,
Acuta febre correptus, vivere desiit.
Corpus terrae
Famam orbi,
Mentem caelo
Reposuit XVI.
Kal. Oct. Anno
MDCXXXV.
Uxor Maer. Ma-
rito opt. et de-
sideratiss. piet.
test. c.h. mon.

P.C.
Nobilis hipparchos solertes Graecia laudet
Obscuris lucem reddere syderibus,
Doctaque se extollat Ptolomaeo nomine Memphis,
Alphonsum toto vespere fama canet,
Et pandant caelebres rerum miracula tusci,
Dania Tychonis floreat ingenio;
Illustrem hoc uno se jactat Frisia cive,
Gaudet et antiquis Belga tulisse parem.
Quid Meti quaeris tumulum? quaecunque notavit
Visibus, haec sedi vendicet astra suae.
Adriaan Metius, geboren te Alkmaar 9 december 1571, werd buitengwoon hoogleeraar in de mathematische vakken te Franeker en is tweemaal gehuwd geweest, eerst met Jetske Andreae, en later met Cecilia Vertest, die hem overleefde. Hij stierf na eene korte doch hevige ongesteldheid den 16den October 1635.

B 13. Wapenbord:
Vita circense curriculum.
D.S.
Aeternae Memoriae
Cl. v. MENELAI WINSEMII
Med. Anat. Botan.
Per annos XXIII Profess. celeb.
Fratris un. et desider. maest. P.C.

Jactet Apollineos subtilis Graeciae mystas,
Extollat Coos Pergameosque senes,
Roma suum graiis componat libera celsum,
Et sibi bis natum vendicet Hippocratem,
Hic tibi pergameum donavit Frisia civem,
Hic dedit et Cois te quoque posse loqui.
Hic tibi Romani detexit dogmata celsi,
Nomen ut e graiis duceret et latio.

PIERUS WINSEMIUS.
Illustr. ord. historiogr. el. et histor. prof.
Menelaus Winsemius, geboren te Leeuwarden 25 Januari 1591, zoon van Haijo Piers Winsemius, praeceptor aldaar, huwde 11 Juli 1613 Christina Mulerius, overleden 12 Mei 1637. Hij werd in Maart 1616 hoogleeraar in de geneeskunde te Franeker en stierf kinderloos 15 Mei 1639.


B 14. II. Wapenbord:
TACHO A GLINS, juris Professor,
et magnif. p. Acad. rector.
Natus 3 July 1619.
Denatus 11 Feb. 1673.

Glinsius explevit fatum, cui Frisia prisca
Suppeditat clarum nobilitate genus.
Quem comes hinc virtus, comes inde scientia cinxit,
Hunc dolet extinctum Palladis aula ducem.
Sunt generosi aliis exemplo, at Glinsius ipsis,
Illustrans studiis nobilitatis avos.
Sidera si rursus petat impiger Icarus alis,
Tunc Glinsi pennis hac juvat ire via.
Ingemit ipsa Themis tumulo, candorque probatus
Taconis cineres nunc ait esse suos.

Memoriae desideratiss. collegae posuit
M. Buschius, Prof.
Jr. Taco van Glins, zoon van Abbo van Glins (overleden 1622) en Alida ter Brugge, geboren 3 juli 1619, werd professor in de rechten te Franeker in 1664.
De Edele Professor Taco (of: Taecke) van Glins, hoewel uit een oud-adellijk Friesch geslacht, is geboren te Deventer en overleed den 11 Februari 1673.
Hij was de eenige zoon van Abbe en van Alijdt ter Bruggen en trouwde in 1656 met Sophia Margaretha, dochter van Balthasar Gijsberts op den Berge en van Margaretha van Rensen. Zijne vrouw wordt in het Stamboek "N. Wijnbergen" genoemd; hij had evenwel bij Sophia Margaretha op den Berge eene dochter genaamd Aleida Geertruida (overleden te Deventer en begraven te Raalte 4 Januari 1753) , die in 1696 trouwde met Gerrit van Echten tot den Relaer (overleden in Februari 1719), zoon van Jan en van Judith Martens.
Zie: Mr. J. van Doorninck, Geslachtkundige aanteekeningen ten aanzien van de gecommitteerden ten landdage van Overijssel, bladz. 179 en nader over hem: Mr. W.B.S. Boeles, Frieslands Hoogeschool, IIe deel, Ie helft, bladz. 241. Ik [= Wenning] heb echter niet kunnen vinden, dat hij te Franeker begraven is.

B 15.
Epitaphium:
Memoriae
HENRICI ANTONIDAE
VAN DER LINDEN,
S.S. Theol. Doctoris,
Qui Nerdae natus
XIII Feb. MDXLVI,
Jussu Albani ducis
Ob religionem proscriptus
MDLXIII.
Carceris periculum
Exilium,
Parentis, soceri, affinium,
In laniena Nerdena, kal. Dec. MDLXXII
Internecionem passus,
Inque omnibus divina clementia
sustentatus et conservatus,
Eccles. Dikhusanae
Frisior. MDLXXIIII.
Dein Enchusanae MDLXXVIII.
Pasturam.
Tandem ad cathedram theologicam
vocatus, Acad. hanc in praesentia
Illustriss. Gubernatoris
Gulielmi Nassovii et illust. ac
Praepot. ord. delegatorum
Inauguravit XXIX July MDLXXXV.
Hanc aedem academicis exercitiis
Initiavit XIII Feb. MDLXXVII.
Et usque ad XX Mart. MDCXIIII.
Verbi divini et verae religionis
Praeconio
Deum liberatorem suum
Glorificavit.

Nepos
JOHANNES ANTONIDES
VAN DER LINDEN
M.D. et prof. ord.
Et Acad. bibliothec.
Secutus voluntatem parentis
ANTONII VAN DER LINDEN
M.D. Amstelodam.
Pietatis causa posuit
XIV Juny MDCL.

Timor Domini
Initium Sapientiae.
Henricus Antonides van der Linden, of Nerdenus, zoals hij zich naar zijne geboorteplaats Naarden noemde, zag het levenslicht 13 Februari 1546 en werd in 1585 hoogleeraar in de godgeleerdheid te Franeker. (Zie ook zerk 307.)
Dit epitaphium hing oorspronkelijk in de acedemiekerk te Franeker.


B 16. VII. Onder het hoofdwapen van Eminga deze inscriptie:

Den WelEedelgebooren Heer
ALBARTUS SYBRANDUS VAN EMINGA,
op Roordaburch, Grijtman over Franekerdeel.
Obijt 9 Januari A(nn)o 1662.

De kwartieren, die op dit bord voorkomen, zijn:

Eminga--Luinia Roorda--Hottinga
Jaerla--Tziaerda (3) Naerden--Zuillen (4)
Eminga
Roorda--Harmana Goslinga--Unema
Walta--Deeckema Tzyarda (5)--Epinga

Albartus Sybrandus van Eminga was een zoon van Pybe van Eminga en van Perck Sijbrantsdochter van Roorda (zie: no. VI), waardoor hij in het bezit kwam van Roordaburgh bij Franeker en waarop hij, volgens bovenstaande inscriptie, dan ook als Grietman van Franekeradeel woonde en stierf. (Zie ook: Sminia, Nieuwe naamlijst van Grietmannen, bladz. 195 en 196, alwaar, zooals ook in het Stamboek, de datum van zijn overlijden niet wordt genoemd).

Zyne beide vrouwen volgen hierna, onder nos. VIII en IX. 1 Dit wapenbord, alsook dat van zijne tweede vrouw Foockel Doeckesdochter van Botnia, berust thans in het Museum van het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde te Leeuwarden.

(3). Wapen: Tjaerda van Rinsumageest. Wanneer men deze kwartieren echter met het Stamboek uitcijfert, dan krijgt men Albada van Poppingawier.

Dat de kwartieren, op wapenborden en grafsteenen voorkomende, niet altijd te vertrouwen zijn, is reeds meer gebleken. De vervaardiger dezer kwartieren zal misschien in de plaats van de moeder van Eelck Bottesdochter Jaerla (gehuwd aan Minne van Eminga) de vrouw genomen hebben van haren zoon Botte van Eminga op Jaerla te Wetsens, die gehuwd was met Syts Sydsdochter van Tjaerda.

(4). Wapen: in blauw een zilveren keper, vergezeld van drie gouden sterren.

(5). Wapen: Sjaerdema met de pijl (zie: Stamboek, plaat 32 n°. 186).


B 17. VIII. Maria barones thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, dochter van Georg-Wolfgang en van diens tweede vrouw Doedt Wilcoosdochter van Holdinga. Zij was de eerste vrouw van Albertus Sybrandus van Eminga voornoemd, testeerde 7 Juli en overleed den 29 October 1646. Hare kwartieren zijn:

Schwartzenberg--Castel Hottinga--Camminga
Guttenberg--von Thann Eysinga--Hermana
Grombach--Fuchs Roorda--Hottinga
Martena--Hottinga Camminga--Minnema

Deze kwartieren vindt men ook in het handschrift Adelen van Cronenburgh, en wel van haren broeder Wilco van Holdinga van Schwartzenberg, obiit den 22 Juli 1668 en die het Stamboek abussivelijk in 1618 laat sterven, terwijl zijn eerste kind (Isabella Susanna) 21 September 1639 werd geboren.


B 18. IX. De inscriptie, onder het hoofdwapen van Botnia, luidt als volgt:

Hooghgeboren Vrouw
Vrouw Fokel van Botnia, oud 67 jaren.
Obiit den 22 Febr. 1673.

Zij was, zooals uit de onderstaande kwartieren blijkt, eene dochter van Doecke (overl. 1 October 1621, oud 52 jaar) en van Ymck Sickesdochter van Dekema (overl. 2 April 1641. oud 57 jaar) (6) en niet, zooals het Stamboek zegt, van Juw (of Julius Dominicus) en Luts van Meckema. Ook van haar wordt in het Stamboek de datum noch het jaar van overlijden genoemd.

Waarschijnlijk is zij eerst gehuwd geweest met Juw Aedes van Eysinga (overl. 1649), doch in elk geval was zij de tweede vrouw van Albertus Sybrandus van Eminga voornoemd (zie: no. VII).

Hare kwartieren op dit wapenbord voorkomende, zijn de navolgende:

Botnia--Hottinga Dekema--Hottinga
Ockinga--Mennema Liauckma--Mennema
Botnia
Jongama--Harmana Tamminga--Ripperda
Walta--Heerma Seckenge--Gisens

(6). Zie ook: Sminia, Nieuwe naamlijst van Grietmannen, bladz. 196 en vooral de Nieuwe Friesche Volksalmanak van 1858, bladz. 19, alwaar men een fragment vindt van het geslacht Botnia, opgemaakt door den heer Mr. A. Telting.


B 19. IV. Jonker Frederik van Vervou stierf den 16 Juni 1621 en is, zooals het Stamboek zegt, te Franeker begraven, ofschoon dit de datum van zijn overlijden niet noemt. Hij was een zoon van Raes en van Amelia Fritsdochter van Grombach en trouwde te Franeker den 12 September 1585 met Jel van Oostheim, die hem overleefde en eene dochter was van Hessel en van Teth Bockesdochter van Burmania.

Behalve een wapenbord heeft er ook een lijkgedicht ter zijner gedachtenis in deze kerk gehangen. Zijne kwartieren zijn:

Vervou Grombach
Clocquier Martena

Zie nader over hem: De Vrije Fries, Ie deel, bladz. 287--290.


B 20. V. Mevrouw Saepck (Sophia) van Andrée, geboren Vervou, overleden te Franeker den 28 Januari 1671. was eene dochter van Hessel Raes van Vervou (grietman van Franekeradeel) en van Sjouck Joostesdochter van Ockinga, en eene kleindochter van den zooeven genoemden Frederick van Vervou.

Zij is tweemaal gehuwd geweest, en wel 1°. met Wijtze Sickes van Camminga, heer van Ameland (overl. 24 Januari 1641) en 2°. met Joachim Martijns van Andrée, ridder, hoogleeraar te Franeker, enz. (overl. 11 Mei 1655), weduwenaar van Ansck Poppesdochter van Burmania. Hare kwartieren zijn:

Vervou--Clocquier Ockinga--Hermana
Grombach --Martena Roorda--Walta
Andrée--Vervou
Oostheim--Martena Camminga--Minnema
Burmania--Heemstra Stenstra--Ydtsma

B 21. VI. Juffer Perck van Roorda (van Tjummarum) stierf den 18 Augustus 1643, was eene dochter van Sijbrant (die in 1581 te Groningen in ballingschap stierf en aldaar in de Aa-kerk werd begraven) en van Teth Siptsdochter van Goslinga , gehuwd met Pijbe van Eminga, zoon van Syds en van diens tweede vrouw Trijn Johansdochter van Roorda (met de baar). Hare kwartieren zijn:

Roorda Goslinga
Hottinga Unema
Naerden Sjaerdema
Zuillen Epinga

Het Stamboek vermeldt haar overlijden niet doch zegt dat zij haren echtgenoot overleefde.


B 22. III. De Hoog Edelgeboren Heer Barthold van Oostheim (of: Ostheim), Kapitein en Hofmeester van Graaf Hendrick van Nassau, was een zoon vau Hessel en van Wilhelmina Bartholdsdochter van Ghendt, stierf den 16 Januari 1654 en is, volgens het Stamboek, te Franeker begraven.

Hij trouwde in 1645 met Susanna Sophia barones thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, geboren 1 Juli 1620, overl. 31 Maart 1683, dochter van Frederick en van diens eerste echtgenoote Sybilla van Plettenberg en liet kinderen na.

(Zie: Stamboek op Martena, aanteekening 16, dat de datum van zijn overlijden niet noemt). Zijne kwartieren zijn:

Oostheim van Ghendt
Martena .....
Burmania van Eyl
Heemstra .....

B 23. X. Wapenbord:
Nob(ilissimi) D. ORCKIUS À DOYEM,
obiit 30 8ber (October)
1641.
Deze Orck van Doyem was een zoon van den secretaris van Harlingen Orck en van Doedt Hesselsdochter van Aysma en is, volgens aanteekening, gestorven den ,30 8 ber 1641." (Het Stamboek zegt: 31 October).
Hij werd den 29 Februari 1616 aangesteld tot raad in den Hove van Friesland (zie: Naamrol der H.H. Raden 's Hoffs van Friesland, bladz. 34) en was gehuwd met Hiltje Sjucksdochter van Humalda (zie: Wenning no. XI). Zijne kwartieren zijn:

Doyem Aysma
..... Aesgema
Popma Aesgema
Adelen Beyma

Misschien is hij dezelfde Orck van Doyem, die 4 Juni 1588 met Eilardus Reinalda gelastigde was tot den vrede-onderhandeling met Spanje.


B 24. XI. Wapenbord:
Hoogh geboren Vrouwe HILTJE VAN HUMALDA,
Obiit 15 July 1644.
Dochter van Sjuck (afkomstig uit het geslacht Aebinga van Blija) en van diens tweede vrouw Franscke Jeppesdochter van Groestra (of: Grustra), trouwde, zoo het mij in het Stamboek toeschijnt, den 12 October 1603, met Orck Orcks van Doyem voornoemd.

Ook van haar wordt in het Stamboek de datum en het jaar van overlijden niet opgegeven.

Hare kwartieren zijn:

Humalda Groestra
Mockema .....
Feytsma Roorda
Eminga Donia

B 25. XII. Jr. Orck van Doyem, Raed ordinaris in den Hoove van Vrieslandt, stierf den 8 October 1645 en is in deze kerk begraven. De steen, die zijn graf dekt, is reeds zeer onduidelijk, doch met veel moeite heb ik in het randschrift zijnen naam en de datum van zijn overlijden herkend.

Ofschoon het Stamboek zijn overlijden niet meldt, meen ik hem te moeten en kunnen houden voor den Orck, die aldaar voorkomt als de zoon van Orck van Doyem en Hiltje Sjoertsd. (lees: Sjucksdochter) van Humalda (zie hiervoor n0 X en XI) en waarvan in aanteekening 4 op dat geslacht wordt gezegd, dat hij den 19 Februari 1645 werd aangesteld tot raad in den Hove van Friesland (zie: Naamrol, bladz. 39).

Hij is alsdan gehuwd geweest met Luts van Herema (gedoopt te Berlikum, 17 October 1619), dochter van den grietman van Menaldumadeel Tjerck van Herema (overl. 7 Juni 1655) en van diens eerste vrouw Luts Douwesdochter van Walta (overl. 10 October 1619).

Zijne kwartieren zouden dus zijn:

Doyem Humalda
Popma Feytsma
Aysma Groestra
Aesgema Roorda

Zijn zoon, mede Orck genaamd, trouwde in November 1669 te Anjum met: [volgt als XIII [B 26].]


B 26. XIII. Vrouwe Anna Susanna Barones zu Schwartzenberg en Hohenlansberg, geboren den 22 Juli 1637, overleden den 22 Februari 1675, dochter van Wilhelm Balthasar (overl. 23 Augustus 1639) en van diens tweede echtgenoot Hedwich Elisabeth Hauto van Hautenberg (overl. 2 November 1657).

Het Stamboek zegt, dat zij haren echtgenoot (zie aan het slot van het vorige nummer) overleefde, ofschoon dit. haar overlijden evenmin als dat van haren echtgenoot meldt. Hun beider kwartieren zijn:

Doyem Schwartzenberg
Humalda Meckema
Herema Hautzenberg (?)
Walta Kraijen (Krahe?)

B 27. XIV. Jr. Theodardus ( Tjaert) Holdinga van Walta, overleed den 11 Januari 1668. Hij was een zoon van Sijbren Tjaerts van Walta en van diens eerste vrouw Franscke Orcksdochter van Doyem.

In het Stamboek wordt hij slechts Tjaert van Walta genoemd en gezegd, dat hij op jeugdigen leeftijd stierf in 1667, en in aanteekening 32 op dit geslacht, dat hij kapitein is geweest. Aldaar wordt ook gezegd (in aanteekening 33) dat zijn neef, eveneens Tjaert genaamd, kornet is geweest, doch volgens Adelen van Cronenburg in 1667 als student te Franeker is overleden.

Het schijnt mij toe, dat het Stamboek de beide neven met elkaar heeft verward en dat in elk geval kornet en kapitein voor de eene aanteekening geldt en student te Franeker, overleden 1667, voor de andere. In dit geval zou onze Tjaert eerst kornet en later kapitein zijn geweest en zou ook Adelen van Cronenburg gelijk hebben.

Hoe het ook zij, A. v. Cronenburg geeft aan "Tjaert Holdinga van Walta, obijt 1668," deze kwartieren:

Walta Doyem
Holdinga Aysma
Feytsma Humalda
Feytsma Groestra

en als wapen: gevierendeeld, 1. gedeeld: a. Holdinga, b. Walta, 2. Doyem, 3. Feytsma en 4. Humalda.


B 28. XVI. Wapenbord van NICOLAUS ARNOLDI, Professor te Franeker, geboren te Lesna (Polen) 17 December 1618, overleden 15 October 1680, zoon van Michaël en van Anna Gertich.
(Zie grafzerken no. 41.)
Hij is tweemaal gehuwd geweest, eerst in 1645 met Riem van der Nitzen (overl. in 1652 en begraven te Minnertsga), dochter van Martinus Carels en van Ath van Offenhuizen en daarna in 1653 met Anna Pibinga (overl. 15 Maart 1700 en bij haren echtgenoot in deze kerk begraven), dochter van den burgemeester van Franeker Wijbren Jacobs en van Elisabeth Paulusdochter van Ghemmenich. (Zie in het Stamboek: Offenhuizen, aant. 6, als ook: Boeles, Friesl. Hoogeschool, dl. II, 1e helft, bl. 203 en vooral Het geslacht Arnoldi in De Vrije Fries, dl. VI, bl. 57).
Bij de eerste vrouw heeft hij geene kinderen verwekt, doch bij de laatste vijf zonen en vier dochters, waarvan slechts drie zonen en ééne dochter tot volwassenheid kwamen.
Dat Riem van der Nitzen eene dochter was van Martinus en niet van Carel (zooals het Stamboek zegt), blijkt uit het navolgende grafschrift (zie: Vrije Fries, bladz. 82) in de kerk te Minnertsga:

Martinus jacet hic & Carolus alter et alter
Gnatus, Avus, Genitor, Nitzenii generis.
Remigia, Catharina soror, jacet Attia Mater,
Offenhuysanae gemina corusca domus.
en daaronder:
Suavissimae Conjugi Remigia a Nitzen posuit
Maritus Nicolaus Arnoldus, S. S. Th. D. & Prof. 1652.

Dat Carel (de vader van Martinus van der Nitzen) gehuwd zou zijn geweest aan Lijsbeth, dochter van Jonkheer Pieter van Rhoon, is mogelijk ook volgens de kwartieren op evengenoemden steen, die tot randschrift heeft:

A(nn)o 1566 de(n) 21 Septembris sterf de(n) Eedele(n) Eeretveste(n) en(de) Gestrenge(n) Heer Caerl va(n) Nitsze(n), Ridder, Raed Kon. Ma. President in den Hove van Vrieslant.

Deze Kwartieren zijn nl.:

Nitsem Roon
Weyer Grex
Kaesters Wena
Goetbloets St. Guericx

B 29. XVII. Wapenbord, alsvoren van den professor Arnoldus Verhel, geboren te Amersfoort in 1580:
In obitum
Nobiliss. spectatiss.
clariss. consultiss. et acutiss.
viri
D. ARNOLDI VERHEL.
L.U.D.L.A.M.
Philosoph. Profess. Primar.
In Academ. Franekq. Annos 47.
Nati Amersfortis 1580 et denati
Quarto rectoris magnif. A(nn)o 1664.

Cessisti tandem fatis grandaeve Verhelli,
Vitam Christo cui dicaveras reddis.
Graecia nestoreos extollat laudibus annos,
Prudentiamque praedicet senectutis;
Nestoreum prope cum spatium tua viderit aetas
Virtute eam prudentiaque vicisti.
Si qua fides pietasque fuit, si candor in orbe,
Pars magna tecum condita est sepultura
Collegae venerabilis memoriae.
P.U. Duber.

Verhel komt in het Stamboek voor op: Hoytema, 1e fragment, aant. 31, en nadere bijzonderheden van hem vindt men opgeteekend bij: Boeles, Friesl. Hoogeschool, dl. II, 1e helft, bladz. 112. Beiden zeggen dat hij 14 Februari 1664 stierf (zie echter het hierna volgende grafschrift) en laatstgenoemde meent, dat zijne ouders waren Hendrik Verhel en Anna Groodvelt en dat hij, voor hij Riemcke Gravius trouwde, was gehuwd geweest met Aukje Ansta.
Riemcke was eene dochter van den ontvanger van Wijmbritzeradeel Jan Martens Gravius en van Barber Tietesdochter van Hoytema.

Onder de wapens van Verhel en Gravius, zijn deze kwartieren geplaatst, allen met de namen er onder:

Verhel Lange
Louwe Weede
de Wijs de Beer
Pijl Bylant

Mag men deze kwartieren vertrouwen, dan moet zijne moeder eene Lange zijn geweest.


B 30. Wapenbord van JOHANNES WUBBENA, Professor te Franeker, overleden 28 Februari 1681. Hij is tweemaal getrouwd geweest, te weten: 1. met ANNA CLOPPENBURCH, overleden 1669 en 2. met RIXT DOMANS, de weduwe van Professor WISSENBACH. (Zie Mr. W.B.S. Boeles, Friesl. Hoogeschool dl. II p. 239.)


B 31. Bernardus Schotanus, Professor te Franeker, overleden 5 October 1652. (Zie ook zerk 320)


B 32. Johan van Schurman, overleden 19 Februari 1633. (Zie ook zerk 40)


B 33. Frederick van Schurman, overleden 5 November 1623. (Zie ook zerk 40)


B 34. I. Jonker Adam van Paffenrode (of: Paffenraed), afkomstig uit Gelderland en wiens moeder -- volgens een kwartierbord van zijne kleindochter Ymck (overl. 1677), dochter van zijnen zoon Schelte bij Wick van Dekema verwekt -- eene Renesse moet zijn geweest, overleed den 13 September 1639 en is in deze kerk begraven en wel, volgens aanteekening, in het graf van Anna van Dekema.
Hij was gehuwd met Ymck van Liauckama, die 7 Augustus 1620 testeerde en eene dochter was van Schelte en van diens derde vrouw Jel Jarichsdochter van Dekema.
Men vindt hem en zijne nakomelingen in het Stamboek van den Frieschen Adel op: Dekema, aanteekening 51, dat echter de datum noch het jaartal van zijn overlijden opgeeft.


B 35. Mr. Johannis Canutus Vellejus, overleden 11 September 1637.


[B ..] Gulielmus Staakmans, overl. 21 Nov. 1640;
den Capitein Moons (Moens?), overl. 1639;
een onbekend wapen met "3 Cuickens op een geel veldt" [geslacht Cuyck?] met het jaartal 1639 en
nog een onbekend waarop de letters I. V. D. en het jaartal 1641.