De Geschiedenis van Oldenzaal
Naar Gert's Boeskoolpage met o.a. de werken van Jan Kip
In deze en volgende pagina's probeer ik de lezer een beeld te geven van de geschiedenis en andere zaken van en over de stad Oldenzaal. De teksten over de Geschiedenis zijn afkomstig uit de Gemeentegids Oldenzaal. In volgende uitgaven ook aandacht voor de Boeskoolman en carnaval en kunst in Oldenzaal. Hoewel verre van compleet geeft dit een aardig beeld. Probeer ook de volgende link als je meer wilt weten over Oldenzaal. http://www.oldenzaal.nl of de St Plechelmus basiliek Of voor een de link naar een webpagina met een aantal ingescande trouwboeken uit de jaren 1641 tot plm 1811 !)
En voor de liefhebbers een aantal door mijzelf gemaakte foto's uit de omgeving van Oldenzaal op deze foto bladzijde
Het wapen van de stad Oldenzaal dateert uit 1819. In november van dat jaar stelde de Hoge Raad van de Adel dit wapen als volgt vast:
"...een schild van lazuur (=blauw) beladen met een Kruis van Goud (=geel, in de bovenste rechterhoek is geplaatst bet borstbeeld eens Bisschop van goud en gekeerd ter linkerzijde van bet Schild. Het Schild is gedekt met een Kroon van goud."
de historische achtergrond hiervan is de volgende: Vanouds waren stadsvlag en stadswapen van Oldenzaal getooid met de kleuren rood en wit die ook vlag en wapen van het Bisdom Utrecht tooiden (waar Oldenzaal in oude tijden al onder viel). Ook het wapen, waar toen al bisschop en kruis in waren te zien, was gelijk aan het wapen van het Bisdom, hetgeen indertijd gebruik was. Deze bisschop is niet, zoals velen denken, St. Plechelmus, maar de patroon van het Bisdom Utrecht, St. Martinus. Zowel stadsvlag als stadswapen in deze historische vorm en kleuren rood en wit zijn te zien op de oude stadsplattegrond uit p1. 1646 van Johannes Bleau. Van lieverlee schijnen, wellicht door toedoen van de vele malen dat Oldenzaal in vreemde handen kwam, vlag en wapen in deze oude vorm in onbruik te zijn geraakt, althans in officiële zin. Bij het begin van het Koninkrijk der Nederlanden heeft het Oldezaalse gemeentebestuur de Hoge Raad van Adel verzocht het stadswapen van definitief vast te stellen. Dit resulteerde in het besluit waarvan de tekst boven is weergegeven. Opvallend is, dat de Hoge Raad er kennelijk van uit is gegaan dat Oldenzaal op het moment van het verzoek geen officieel wapen meer had. Men gaf namelijk Oldenzaal niet de kleuren van het oude wapen maar baseerde deze op de kleuren van het Rijkswapen, blauw en geel (heraldische termen: lazuur en goud). het is ook mogelijk dat men dit deed, omdat het oude wapen nooit officieel in de oude kleuren was vastgesteld
Historie in nevelen gehuld
Na de troebelen van de grote volksverhuizing, tegen bet einde van de vijfde eeuw, reed zekere Diederik van Bern met zijn mannen een walburcht binnen orn er te overnachten, zo vertelt een
heldendicht over deze Diederik. De walburcht lag op bet kruispunt van de wegen van Deventer naar Rheine en van Prüm in de Eifel naar het noorden. De naam luidde
"Aldensaela".De walburcht
zou de kleine, ronde versterking kunnen zijn geweest waarvan de grachtresten onder bet huidige
ABN/AMRO-gebouw en bet stadhuis in bet Oldenzaalse centrum liggen. Het epos vermeldt dat Diederik
na een kortstondig verblijf verder trok door het "Rinslowoud" en daar een enerverend avontuur beleefde met een olifant. Hij
moet dus al gauw in een fantasiewereld ver buiten Oldenzaal hebben
verkeerd. Dat is jammer, want de eerste sporen van deze oude stad stammen uit dat in nevelen gehulde tijdperk. Een uit 893 daterende landgoederenlijst van bet klooster in Prüm,
overgeschreven in 1222, vermeldt Oldenzaal (Salia Vetus) voor bet eerst. Het klooster had onder meer bier zijn bezittingen. Prüm ligt in Duitsland, ongeveer 25 kilometer oostelijk van bet
drielandenpunt. België Duitsland-Luxemburg. Uit historische bronnen is er weinig meer bekend dan dat omstreeks 650 de eerste poging tot kerstening van deze regio een drarnafisch verloop
heeft gehad. De prediker Gombe
rtus, broer van Nivardus, bisschop van Reims, zou in dat jaar in of in de buurt van Oldenzaal vermoord zijn. Ook is beschreven dat in 763 St. Lebuintts in
‘Olde Sala’ overleden zou zijn. Dat ‘sala’ kan zaal, of hof, of zelfs paleis betekenen. Dat de oorsprong van de stad in een versterkte hof van een regionaal heerser moet
worden gezocht, of in een centrum van een vaag middeleeuws bestuurssysteem, is des te waarschijnlijker geworden door de vondst van die vroege gracht met omwalling. Tijdens de bouw van bet
huidige stadhuis in 1965 en in 1978 bij de bouw van de ABN/AMRO-vestiging aan bet St. Plechelmusplein trof men in de ondergrond de bedding van het grachtje aan. Hoe de versterkte plaats er
uitgezien kan bebben, valt af te leiden van een identieke plek in Twente, namelijk de Hunenborg bij Tilligte aan het kanaal
Almelo-Nordhorn. In Nederland zou alleen de Zeeuwse hoofdstad
Middelburg net als Oldenzaal ontstaan zijn uit zo’n vroeg middeleeuwse versterking. Er is goede grond voor de veronderstelling dat de walburcht ouder is dan de eerste bewoonde
nederzetting in deze streek. Men heeft bijvoorbeeld in de bouwgrond heide gevonden. Dat kan er op duiden dat de versterking aangelegd is op een toen nog niet druk belopen terrein. Aangenomen
wordt dat de aanleg heeft plaatsgevonden tussen de jaren 700 en 755, maar dat grijze verleden is, als gezegd, in nevelen gehuld.
Door een aantal gebeurtenissen heeft de oude stadshistorie in het laatste
decennium van de twintigste eeuw vrij veel aandacht gekregen. Veel historische documenten waaruit kan
worden geput, waren er niet. Te vaak is Oldenzaal in zijn bewogen geschiedenis geplunderd en verwoestend in brand gevlogen. Zijn belangrijkste ‘archief’ zit in de grond onder het
centrum. En daar is dan ook het oude weer boven
gekomen. Bij graafwerkzaamheden voor een bouwproject in de
Steenstraat, tussen de Gasthuisstraat en de Ketwichstraat, werden bijvoorbeeld de
resten van het Heilige Geestgasthuis teruggevonden. Gelukkig heeft het stadsbestuur, met eigenaar en bouwer samen, een tastbare herinnering aan dit stukje heel oud Oldenzaal zichtbaar kunnen
bewaren, in het bouwwerk onder een glasplaat. Deze oudheidkundige verrassing ut ‘97 werd kort daarop gevolgd door een grotere,
nl. het aantreffen van funderingen en vloeren van het St.
Agnesklooster met bijgebouwen, kapel en kerkhof, met waterputten en andere vondsten uit de late
middeleeuwen. Het klooster blijkt aanzienlijk groter te zijn geweest dan doorgaans werd
aangenomen. Er zijn, vooral door de inspanningen van plaatselijke amateur-archeologen, duizenden voorwerpjes, potscherven, stukken glas, stukjes kleding zelfs, verzameld en in het jubileumjaar
1999 ook geëxposeerd in het historisch museum Het Palthe Huis. Boven de fundamenten van het klooster had onder andere de Radboudschool gestaan. Die werd afgebroken om met de overige bebouwing
in het gebied tussen Kloosterstraat, Nagelstraat en Boterstraat plaats te maken voor een groot, nieuw overdekt winkelcentrum, de Driehoek. Het is in 1999 geopend. In zijn keldergarage zijn de
laatste stukjes van het klooster als een monumentje zichtbaar gebleven. Het zijn echter niet alleen opgravingen geweest, waardoor de stadsgeschiedenis de aandacht genoot. In 1998 promoveerde de
kunsthistoricus Herman Lenferink op een proefschrift over de St.
Plechelmuskerk. Dat leverde voor kenners nieuwe inzichten op over de bouw van de imposante basiliek en attendeerde ook algemeen
geïnteresseerde Oldenzalers weer eens op het interessante verleden van hun stad. Hetzelfde effect heeft de discussie over Oldenzaals betekenis in de tijd van de Hanze gehad, waarover ook in
1998 een studiewerk verscheen met tal van wetenswaardigheden die van betekenis zijn voor het verkrijgen van meer inzicht in de stadsgeschiedenis vol branden en plunderingen. Het werd geschreven
door de germanist Gerard Seyger. De titel: "Aldenselen in Twinta".
De belangstelling voor de Hanze ontstond overigens omdat Oldenzaal in 1980 tot zijn verrassing door Zwolle was uitgenodigd deel te nemen aan een quasi-historische
‘Hanzedagvaart’. Die organiseerde de Overijsselse hoofdstad als onderdeel van een stadsjubileum. Zwolle had 750 jaar eerder zijn stadsrechten
verworven. Men had op een
internationale lijst van Hanzesteden ook Oldenzaal aangetroffen. Oldenzaal heeft, zo blijkt uit de opgedoken documenten, in de veertiende eeuw
handelscontacten onderhouden met Lubeck in
Noordoost-Duitsland, toentertijd de leidende stad in het grote Hanzeverbond. Er is correspondentie gevonden uit de jaren 1351 en 1368, onder meer over de nalatenschap van een Oldenzaalse
koopman die in Noorse Hanzestad Bergen was overleden. In 1474 is Oldenzaal betrokken geweest bij een vredesverdrag van de Hanze met Engeland. De stadszegel prijkt namelijk aan het verdrag. Dat
Oldenzaals positie in de Hanze lange tijd zo onduidelijk is geweest, kwam onder meer door een grote stadsbrand in 1492, de zogenaamde
"Helmichsbrand", en door de belegeringen en plunderingen
tijdens de Gelderse oorlogen in de tweede helft van de vijftiende eeuw. De Hanze-organisatie was destijds onderverdeeld in
"Drittels" of "Quartiere",regionale organisaties. Overijssel was deel
van het Keulse Drittel. Deventer was de "principaal"-stad voor onze regio. Uit 1554 is er een lijst met een reeks kleinere en grotere Hanzesteden waar Oldenzaal ook tussen staat. Er zijn
Hanze-akten bewaard gebleven die de principaalsteden hun "bijsteden" toezonden ter bespreking "binnen haar muren" of die tot betaling uitnodigden. Zwolle heeft een stadsrekening uit 1549
waarmee in Overijssel Hanzebelasting wordt geind. "Oldenzaal dient 30 gul-dens te betalen, Enschede 16 guldens, Ootmarsum 12 guldens". Ook een onderzoek door de stadsarchivaris van Zwolle, drs.
PC. Berkenvelder, heeft beter licht doen schijnen over de positie van Oldenzaal als
Hanze-stad. Haar rol zal wel niet van het grootste belang geweest zijn, omdat ze immers niet aan water lag.
Er is echter in de latere Hanze-geschiedenis een periode geweest waarin vanwege de concurrentie en de toenemende vijandschap op zee, de moeilijk begaanbare landwegen toch belangrijk waren en
Oldenzaal een goed gelegen stad tussen de IJsselsteden en het Nedersaksische achterland moet zijn geweest. Hoe dan ook, het gemeentebestuur is in 1980 ingegaan op de Zwolse uitnodiging. Het is
actief mee gaan doen in een poging om de steden uit de oude handelsorganisatie weer iets voor elkaar te laten betekenen. En in 1999 organiseerde Oldenzaal zelfs de negentiende Internationale
Hanzedagen uit de ‘nieuwe tijd’. Uit 125 Europese steden kwamen de afgevaardigden naar de stad. Er werd geconfereerd, op podia in het centrum traden tientallen culturele groepen op,
er was een grote, bonte Hanzemarkt. Nooit eerder had de stad de organisatie van een zo groot en kostbaar evenement op zich genomen.
De eeuwenlange armoede valt af te lezen aan de bevolkingsgroei van het stadje. In 1626 telde Oldenzaal slechts 1500 zielen. In 1816 waren bet er 2195, maar met slechts voor 503
man werk. In 1832 besloot de Algemene Armenstaat tot oprichting van een zogenaamde stadsarmenfabriek. Deze fabriek ging jute zakken maken voor de koffiehandel van de Nederlandsche Handel
Maatschappij. De onderneming groeide uit tot 400 arbeiders. De bedelarij was daarmee vrijwel verdwenen. Helaas was de
onderneming niet in staat te voldoen aan de kwaliteitseisen die de NHM
stelde. Het bedrijf werd uiteindelijk overgenomen door de Engelsman Thomas Ainsworth, de grote stuwer van de
modernisering van de Twentse textielnijverheid. Toentertijd waren er
inmiddels
meerdere kleinere textielbedrijfjes in Oldenzaal. Ondermeer een van de energieke
J. Ph. Gelderman, afkomstig uit Duitsland. Hij had zijn zaak in 1817
van Gildehaus naar Oldenzaal overgebracht. Gelderman startte met een handweverij. Hij werd met plaatsgenoot Stork, die zich
naderhand in Hengelo vestigde, de grondlegger van de Oldenzaalse
textielindustrie. Die is lange tijd in Oldenzaal de belangrijkste verschaffer van werkgelegenheid geweest. H.P. Gelderman en Zonen
NV Molkenboer,
Zwartz, Kan en Wellink, om maar enkele namen te noemen.De opkomst van de textielindustrie had tot gevolg dat de consequenties van de industrialisering zichtbaar werden. De invoering van de
stoommachine deed de stadspoorten van Oldenzaal verdwijnen (ze stonden in de weg). In 1865 kwam de spoorwegverbinding
Almelo Oldenzaal Salzbergen tot stand, vooral om steenkool uit Duitsland te
kunnen aanvoeren. Dit was bet einde van de postkoets en de postiljon, met al zijn romantiek. Het was echter tegelijkertijd bet begin van een bijzondere positie: Oldenzaal werd, met zijn
belangrijke station, een grensplaats van betekenis. Douane en marechaussee zouden er sterk vertegenwoordigd zijn.
zonder textiel en uiteindelijk ook mm of meer zonder (staats)grens. In 1961 werd de "Stichting tot bevordering
van de ontwikkeling, in bet bijzonder de industriële, van de gemeente Oldenzaal", opgericht. De stad opende haar poorten voor nieuwe bedrijven. Het succes kwam al snel. Een groep gevarieerde,
jonge bedrijven heeft de kans gegrepen zicb bier te ontwikkelen. De kwetsbaarheid uit de tijd van de monocultuur (textiel) verdween. In 1964 kwam bet industrieterrein de Eekte gereed. Even
heeft bet er in de naoorlogse jaren naar uitgezien dat de stad bet centrum zou kunnen worden van de opbloeiende olie- en gaswinning. Hier namelijk werd in 1947 de Nederlandse Aardolie
Maatschappij opgericht. Aan de korte droom van een nieuw leven als NAM metropool herinnert
echter nog slechts een aantal royale woningen van die ‘oliemensen’ die kort maar
heerlijk
van Oldenzaal hebben genoten en daarna naar Assen dienden te verhuizen. Dat lag dichter bij de bodemrijkdom aan die en later uiteraard voornamelijk gas dan Oldenzaal, waar men ten onrechte ook
grote olievoorraden had vermoed.
Voor bet nieuwe hoofdstuk in de stadshistorie is een gebiedsuitbreiding in 1955 onontbeerlijk geweest. Noord- en
Zuid Berghuizen, buurtschappen van de gemeente Losser, maar in de
praktijk al lang bij de stad behorend; werden Oldenzaals. Het grondgebied groeide van 300 tot 1500 hectares. Oldenzaal was ineens vijfmaal groter dan bet voorheen was geweest. Er konden nieuwe
woongebieden worden gebouwd, nieuwe industrieën worden aangetrokken, nieuwe voorzieningen worden verwezenlijkt. Toen de structurele problemen in de textielsector zich in de jaren na 1958
duidelijk gingen aftekenen, was in de gemeente besloten tot een actief wervingsbeleid. De resultaten zijn op de huidige industrieterreinen te zien: veel moderne bedrijven uit uiteenlopende
sectoren, die opvallen door de grote zorg die aan de uiterlijke vormgeving is
besteed en een flunk stuk van de werkgelegenheid voor hun rekening nemen, zowel in Oldenzaal als in de regio. Vanaf
1955, bet jaar waarin de stad dus, na tientallen jaren touwtrekken met buurgemeente Losser, Berghuizen verwierf, is meer tot stand gebracht dan in de vorige drie eeuwen bij elkaar. Daar kwam
bij dat de toenemende complexiteit op bet terrein van bet ruimtelijk ordeningsbeleid een planmatige aanpak ging eisen die tot dan toe had ontbroken. De bouwdrift had overigens ook bedenkelijke
kanten. Ze ging namelijk gepaard met een grote sloopwoede in de kwetsbare, armelijke binnenstad. Terecht of onterecht, de binnenstad ging lijken op een lang verwaarloosd gebit. Sinds begin
jaren zeventig hebben daarna de renovatie en ook de rehabilitatie van bet stadscentrum grote aandacht gekregen. Binnen de
financiële mogelijkheden werd de erfenis van bet verleden in harmonie
gebracht met eigentijdse veranderingen. De bouw van nieuwe woonwijken liet een verheugende bewustwording zien omtrent de kwaliteit van bet wonen, al vertoont de Thij nog sterk de symptomen van
die bouwdrift uit de eerste periode van stadsuitbreiding. In de Thij II zijn daarna waardevolle bomen en boutwallen grotendeels gespaard. In de Essen en in de Graven Es, de buitenwijk die als
laatste is aangelegd, is niet alleen de waardevolle begroeiing in kaart gebracht, om die vervolgens zoveel mogelijk te sparen, maar is hetzelfde gebeurd met de al aanwezige boerderij en. En in
de binnenstad wordt rond de eeuwwisseling nog volop gepuzzeld over bet goed inpassen van bet winkelcentrum Inden Vijfhoek en sinds ‘99 ook de ernaast gelegen De Driehoek, over de bouw van
een aantrekkelijke huizenrij langs de Ganzenmarkt waar aan de overkant het toch al royale stadhuis eveneens in ‘99 een flinke vergroting heeft ondergaan. Aan plannen mankeert het niet,
aan ambities evenmin. Wie weet, krijgt de stad in die nieuwe bebouwing langs de Ganzenmarkt wel een heus cultureel centrum.
Was de stad in het verleden een belangrijk grens- en overslagstation voor de spoorwegen geweest, toen de grote
nieuwe verkeersweg A1 werd aangelegd ontstonden er kansen in het
wegvervoer. De stad had vroeger haar transportbedrijven bij het station. Nu kwam er een bedrijvencentrum langs de A1: de Hanzepoort. Het is speciaal bestemd voor bedrijven die actief zijn op
het gebied van op- en overslag, vervoer en distributie van goederen en serviceverlening aan vervoerders, verladers, vrachtwagens en chauffeurs. De Hanzepoort is een versteviging gebleken van de
hele transport- en distributiesector in Twente. Het goederencentrum heeft een belangrijke logistieke functie gekregen. Er is een zakelijke dienstverleende bedrijvigheid gevestigd.
Douaneactiviteiten worden nu ook daar ontplooid; niet alleen voor de landsgrens overigens maar evengoed naar de even verderop gelegen Luchthaven Twente. De Hanzepoort ligt dicht bij bet moderne
industriegebied, dat eerst De Eekte besloeg maar later werd uitgebreid naar Het
Hazewinkel, waar het nog altijd groeimogelijkheden heeft. Ten zuiden
van de spoorlijn ligt een al ouder
bedrijfsterrein van meer dan honderd hectare. Bovendien is er een viertal kleinere bedrijfsterreinen dat vanuit het verleden verspreid over de stad ligt. De grote Oldenzaalse bedrijvigheid
concentreert zich echter rond de zuidelijke ingang van de stad, waar bijvoorbeeld ook de
bedrijven naar toe getrokken zijn die Oldenzaal als "meubelstad" zijn gaan promoten. De "meubelstad" zou
een onderdeel van Oldenzaal-winkelstad kunnen worden genoemd. In toenemende mate heeft de stad namelijk die betekenis gekregen in Noordoost-Twente en het aangrenzende Duitse gebied. In 1999 is
bet nieuwe royale winkelcentrum de Driehoek geopend met feestelijkheden waarvoor zelfs meer bezoekers naar de stad kwamen dan voor de jaarlijkse grote carnavalsoptocht. Bij de eeuwwisseling was
de afwerking van de Driehoek nog volop gaande en werden voorbereidingen getroffen om het oudere, ernaast gelegen In den Vijfhoek een grote opknapbeurt te geven, zodat dit als een knusser
winkelgebied zijn eigen aantrekkelijkheid zou behouden. Oldenzaal is op een moderne manier zijn aantrekkelijkheid gaan ‘promoten’. Bij het winkelen behoort de gezelligheid die de
stad graag uitstraalt. Op borden langs de invalswegen noemt ze zich niet alleen een Hanzestad, maar ook (en veel langer al) "De Glimlach van Twente". Het ietwat
Bourgondische karakter van de
bevolking komt vooral tot uiting in bet carnaval, dat nergens boven de grote rivieren zo uitbundig, maar vooral ook zo goed georganiseerd, wordt beleefd als bier. Zeven carnavalsverenigingen
accepteren daarbij de centrale rol van de oudste, meer dan veertig jaargangen tellende Kadolstermennekes (Winterkoninkjes). Het past in een goed ontwikkeld sociaal en cultureel leven. Naast
vele hobby-verenigingen zijn er diverse grote sportclubs, zoals Quick 20, VV Oldenzaal, FC Berghuizen ZVV De Esch , en hockeyclub
Bully. Ook toneel en muziek zijn goed vertegenwoordigd, niet
alleen in de koren die de stad met haar rijke roomse verleden altijd heeft gehad. Operettevereniging Het Masker en de Oldenzaalse Operettevereniging hebben naam. Muziek wordt intensief beoefend
in twee grote harmonien, Semper Crescendo en St. Joseph, en in diverse vele kleine muziekgezelschappen van bet
lichtere genre,
b.v. bet Stroatensemble. In 1999 is bet gezamenlijk optreden van
de culturele verenigingen in een groot Klank- en Lichtspel over de geschiedenis van de stad een hoogtepunt geweest in de jubileumviering. Een muziek- en acteerspektakel van eigen bodem was bet,
gespeeld door 300 Oldenzalers.
Uit zijn karakteristieke verleden heeft Oldenzaal waardevol bezit weten te behouden op twee terreinen: die van bet onderwijs en die van de verzorging van zieken en bejaarden. Het Twents Carmellyceum, flu een grote scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, was ooit bet eerste gymnasium van heel Noordoost Nederland. Nu is er bovendien bet Thy-college en bet grote Marcellinuscollege voor beroepsonderwijs. (alle scholen zijn nu vereenigd in het Twents Carmelcollege) De oudste instelling voor armen en zieken in Oldenzaal was bet Heilige Geestgasthuis, waarvan een "giftbrief" stamt uit 1351. De verzorging van zieken kreeg echter structuur toen eeuwen later, namelijk in 1848, de Zusters Franciscanessen van Heythuysen hun klooster, bet St. Antoniusklooster, aan de Gasthuisstraat hadden betrokken. Aanvankelijk hebben zij zich weliswaar beziggehouden met bet geven van onderwijs, maar in i868 is op hen een beroep gedaan om te helpen bij een tyfusepidemie in Hengelo.
In Oldenzaal waren toen inmiddels ook initiatieven ontplooid om te komen tot een ziekenhuis. In 1874 werd aan de Zuidwal achter bet klooster een begin gemaakt met de bouw ervan, waar overigens twintig jaar over zou worden gedaan. De naam van bet ziekenhuisje werd "Heil der Kranken". Vanaf 1907 begonnen de zusters zich ook met de ziekenverzorging aan huis bezig te houden. Tegen 1916 werd duidelijk dat de accommodatie aan de Zuidwal veel te klein was en in 1918 werd (weer als "Heil der Kranken") bet nieuwe ziekenhuis in gebruik genomen dat inmiddels een onderdeel is geworden van bet Medisch Spectrum Twente. Het ziekenhuis is een bijzonder bezit van de stad geweest. Het bood tevens woonruimte voor de zusters. Er was een kapel aan verbonden. Het was, met een eigen boerderij, lange tijd praktisch "selfsupporting", verbouwde zijn eigen boeskool, het product dat in Oldenzaal zo royaal uit de grond is gekomen dat bet zelfs op markten in de omliggende plaatsen te koop werd aangeboden en de Oldenzalers hun bijnaam "boeskolen" bezorgde. Die bijnaam heeft in de jaren zestig, toen het huidige stadhuis werd opgeleverd, een extra accent gekregen door de creatie van bet "Boeskoolmenneke", bet kereltje dat met zijn buitenmodel kool zelfs mm of meer een symbool van de vrolijke gemeenschap is geworden. Het ziekenhuis is lange tijd in handen geweest van de zorgzame nonnen. Het stond bovendien onder kerkelijke leiding. In kerkelijke kring zijn ook de initiatieven genomen voor uitbreiding van de hulpverlening. In 1950 werd besloten tot de bouw van huisjes voor bejaarden op bet ziekenhuisterrein. Dit was bet begin van de Mariahof, een thuis voor bejaarden. Het hood in 1958 al aan 42 personen onderdak. In december 1960 hebben de zusters Franciscanessen van Heythuysen afscheid genomen. Hun plaats is ingenomen door de zusters Franciscanessen van Denekamp. Na de fusie met de ziekenhuizen in Enschede en Losser in bet Medisch Spectrum Twente was bet tijd voor de Franciscanessen om definitief afscheid te nemen. Bijna 150 Jaar hadden zij in Oldenzaal gewerkt en gewoond. In bet laatste jaar van de twintigste eeuw moesten de Oldenzalers actie gaan voeren om bun ziekenhuis in elk geval gedeeltelijk te kunnen behouden in een streven naar concentratie binnen het Medisch Spectrum. Daarbij ging bet niet alleen om bet behoud van belangrijke voorzieningen, maar ook om bet voortbestaan van een stukje geschiedenis. Het Heil der Kranken was inmiddels bet centrale instituut naast een modern verzorgingshuis en naast ouderentehuizen Molenkamp, Scholtenhof en natuurlijk Mariahof.
Dat laatste jaar voor de eeuwwisseling is er een geweest vol activiteiten. De stad verdedigt haar positie in een veranderend milieu, wat bijvoorbeeld blijkt uit zo’n actie
tegen sluiting van haar voorzieningen voor zieken. Al jarenlang
hang n bovendien veranderingen van gemeentelijke indelingen in de lucht, waarbij de
grootste twee Twentse steden zouden moeten samensmelten tot Twentestad en dorpen tot grote plattelandsgemeenten. De stad Oldenzaal
wordt daarbij met rust wordt gelaten,
maar kent flu wel beter dan ooit de grenzen van haar groei. Het is een stad geworden met een aangenaam
leefklimaat en een
gevarieerde economische bedrijvigheid. De jubileumviering van ‘99 was een goede kans om dat uit te dragen. Ook bet in 1993 verwijderen van
slagbomen en controle aan de grens is van betekenis geweest voor het nieuwe imago van de stad. Ze ligt in een van Nederlands mooiste natuurgebieden,
wat heel lang nogal onbekend is geweest buiten de eigen regio. Nu kon, in een tijd van toenemende behoefte aan recreatie, de aantrekkelijkheid van Oldenzaals omgeving nog worden uitgebreid met die van bet Duitse grensland. Vooral de Internationale
Hanzedagen in juni ‘99 hebben de Oldenzalers de kans gegeven de aandacht te trekken. Het gemeentebestuur is erin geslaagd die gebeurtenis te maken tot een activiteit niet alleen ter
promotie van Oldenzaal, maar van heel Twente. Wat haar een fikse financiële ondersteuning van de Stichting Twente Promotie opleverde, maar ook een grote directe betrokkenheid van de Kamer
van Koophandel bij hetgeen zich afspeelde in deze stad. Het jubileum zelf, waarin dus werd herdacht dat Oldenzaal 750 jaar geleden zijn stadsrechten kreeg (en 950 jaar geleden zijn
marktrechten), zal vermoedelijk vooral in herinnering blijven als een verzameling festiviteiten waar meer plaatsgenoten bij betrokken zijn geweest dan bij enige andere feestelijke gebeurtenis
in de op dit vlak rijke historie van de stad. Die betrokkenheid bleek zowel uit de royale financiële bijdragen van bet eigen
bedrijfsleven als uit de organisatie van zoveel verschillende
activiteiten door maatschappelijke en culturele groeperingen. Ze lieten Oldenzaal zien zoals bet zichzelf graag ziet, al mogen er nog zoveel vernieuwingen zijn. In de stad met haar nog altijd
voor bet overgrote deel rooms-katholieke bevolking is het jubileum zowel geopend als afgesloten in de
Plechelmusbasiliek, maar wel in samenspel met de historie. Voor de opening in januari was
filet alleen kardinaal Simonis, de huidige bisschop van Utrecht naar Oldenzaal gekomen, nee, uit de sacristie dook in middeleeuws gewaad ook die Otto III op aan wie de stad dus vermoedelijk
haar stadsrechten dankt. En bij de festiviteiten werd naast de grote rk-kerk dikwijls gebruik gemaakt van de protestants-christelijke Hofkerk die sinds een aantal jaren ook dienst doet als
cultuurtempel.