home info foto's Texel links

 


J. P. Thijsse deel 1

THIJSSE, Jacobus Pieter

schepper van de natuurbeweging, is geboren te Maastricht op 25 juli 1865 en overleden te Overveen op 8 januari 1945. Hij was de zoon van Jacobus Thijsse, beroepsmilitair, en Catharina Johanna Priester. Op 31 juli 1891 trad hij in het huwelijk met Helena Christina Petronella Bosch, met wie hij twee zoons kreeg.

De vader van Thijsse was beroepssergeant bij de infanterie en de gebruikelijke overplaatsingen brachten verhuizingen met zich mee. Na Maastricht woonde het christelijke gezin, dat vier kinderen telde, in Grave en Woerden. PORTRET: Jacobus Pieter Thijsse, particuliere collectie

Het rivierengebied, waaraan hij in 1938 het album Onze groote rivieren zou wijden, maakte op Thijsse een onvergetelijke indruk. Thijsse: 'mijn ouders waren liefhebbers van wandelen, tuinieren, bloemen, hengelen, lectuur en teekenen'. In 1877 verhuisde het gezin naar de Wagenaarstraat in Amsterdam, waar zijn vader, na de militaire dienst verlaten te hebben, klerk op een notariskantoor werd. Zodoende was Thijsse in de gelegenheid de Gemeentelijke Kweekschool te bezoeken. Hier kreeg hij biologieles van C. Kerbert, de latere directeur van Artis. Deze maakte met kwekelingen wandelingen in de directe omgeving van Amsterdam, onder meer langs Zeeburg, dat toen nog zeer rijk was aan wilde natuur. In 1883 behaalde Thijsse de Lagere Akte, daarna als onderwijzer de Hoofdakte en de drie aktes voor de moderne talen. De militaire dienst ontliep hij doordat hij, zoals toen gebruikelijk was bij beter gesitueerden, een zogenaamde remplaçant kon betalen. Vanaf 1883 stond hij op verschillende lagere scholen in Amsterdam voor de klas. In 1890 werd hij benoemd tot hoofd van de Fransche School in Den Burg op Texel. Kerbert gaf hem allerlei buitenlandse natuurboeken mee en van F. Holkema De Plantengroei der Nederlandsche Noordzee-eilanden (1870). Thijsse bleef levenslang verliefd op Texel en vooral op de overweldigend rijke vogelwereld. Hij profiteerde daarbij van de beschrijvingen van de duinflora in Onkruid, Botanische wandelingen (Haarlem 1886) van F.W. van Eeden, de vader van de dichter en schrijver. Bij het uitdragen van natuurkennis zou Thijsse Van Eeden als een voorbeeld en voorganger blijven zien. Zijn vrouw, een mede-leerlinge van de kweekschool (de eerste in ons land die gemengd was), kon op Texel niet aarden. Zij gingen in 1892 terug naar Amsterdam, waar Thijsse hoofd van een lagere school werd. Hier zette hij de natuurwandelingen met de klas voort. Eind 1901 volgde zijn benoeming tot leraar natuurlijke historie aan de Kweekschool als opvolger van H. Heukels. Hij had deze functie al eerder zullen aanvaarden maar kreeg toen pleuritis en het duurde anderhalf jaar voor hij weer aan het werk kon. Doordat hij niet meer de beschikking over zijn linkerlong had, werd hij een rustige wandelaar. Terwille van de gezondheid van hun jongste zoon vestigde zijn vrouw zich in 1902 met de kinderen in Bloemendaal. Thijsse hield nog tot 1913 een 'pied à terre' in Amsterdam. In de jaren negentig van de negentiende eeuw ontstond een nationale natuurbeweging, waarvan Thijsse en E. Heimans de drijvende krachten werden. Deze was deel van een vernieuwing op pedagogisch en didactisch terrein, die uitging van het waarnemen van de eigen vertrouwde leefomgeving. Heimans was hierbij direct betrokken. De natuurbeweging sloot eveneens aan bij de herontdekking van het Nederlandse landschap door de schilders van de Haagse School, die naar buiten trokken en in de open lucht schilderden. Thijsse leerde Heimans in 1892 kennen. Diens in 1893 verschenen boekje De levende natuur ging over wat er in het Sarphatipark waar te nemen viel en was bestemd voor het lager onderwijs. Thijsse vroeg aan Heimans waarom hij niet over de buitennatuur schreef. Het antwoord was: 'laten we dit samen doen'. Grotere karakterverschillen dan tussen deze beiden, die zo hecht verbonden raakten, laten zich nauwelijks bedenken. Thijsse had een zorgeloze, bruisende en meer op de voorgrond tredende natuur dan zijn bescheiden vriend Heimans. De spreuk 'Onbekommerd' op zijn exlibris geeft dit goed aan. Het is vooral door Heimans' vroege dood dat de aandacht van het nageslacht meer op Thijsse gericht bleef. Uit hun samenwerking ontstond de vermaarde serie natuurboeken, die alle bij Versluys in Amsterdam verschenen: Van vlinders, bloemen en vogels (1894), In sloot en plas (1895), Door het rietland (1896), Hei en dennen (1897), In de duinen (1899) en In het bosch (1901). De schrijvers illustreerden de boeken zelf. Het bijzondere van deze serie is dat het niet gaat om soortenkennis maar om inzicht in levensgemeenschappen. Engelse en Duitse auteurs, onder wie de Amerikaan John Burroughs, gingen hen voor en inspireerden hen. In 1899 waagden zij zich aan een Geïllustreerde flora van Nederland, die in 1899 in Amsterdam verscheen. Hieraan lag geen buitenlands voorbeeld ten grondslag, zoals bij de andere Nederlandse zakflora's het geval was. Bovendien waren alle planten door de auteurs naar de natuur getekend, in totaal meer dan 3.400 figuurtjes. De grote gebreken zijn in de tweede druk van 1909, mede door de inbreng van de vakbioloog H.W. Heinsius, verholpen. Het Wandelboekje voor natuurvrienden (Amsterdam 1900) was een soort vademecum. In het Vondelpark (Amsterdam 1901) was hun laatste gemeenschappelijke publikatie, want daarna publiceerden Thijsse en Heimans ieder apart. Een rol kan hebben gespeeld dat Thijsse zich vooral aan de vogels wijdde en Heimans aan de geologie. Uit ons krijtland (Amsterdam 1911) wordt wel het beste boek van Heimans genoemd. Het orgaan van de natuurbeweging werd De Levende Natuur. Het vloeide voort uit de stroom reacties, vragen en eigen waarnemingen, die de serie natuurboeken veroorzaakte. In maart 1896 begon dit onder redactie van Heimans, J. Jaspers en Thijsse, alle drie onderwijzers, te verschijnen. Het tijdschrift vormde het bindende element tussen de natuurminnaars overal in het land, die elkaar zo van hun waarnemingen op de hoogte hielden. Het telde in korte tijd duizend abonnees. Veel meer werden het er niet. Vooral onderwijzers droegen de natuurbeweging. De meesten beperkten zich tot hun directe omgeving, zoals J.B. Bernink, G.J. Meinen, J. Ceton, J. Hof, J. Vijverberg en K. Zwart. Thijsse was ook nauw betrokken bij de organisatorische vormgeving van deze natuurbeweging. Hij was medeoprichter van de Nederlandse Vereeniging tot Bescherming van Vogels (1899), medeoprichter en lange tijd secretaris van de Nederlandse Ornithologische Vereeniging (1901) en medeoprichter van de (Koninklijke) Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging (1901). In 1904 diende het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een voordracht in om het Naardermeer (deze 'waardeloze plas') vol te storten met het huisvuil van de snel groeiende stad. Thijsse en Heimans sloegen in de hun ter beschikking staande persorganen alarm. De gemeenteraad verwierp het voorstel van het college met een krappe meerderheid maar daarmee was het gevaar niet geweken. Er moest een organisatie komen die grote sommen geld bij elkaar zou brengen om bedreigde, waardevolle natuurgebieden te kunnen aankopen. In 1905 kwam de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland tot stand, waarvan Thijsse tot zijn dood secretaris zou blijven. Het Naardermeer werd in 1906 het eerste natuurreservaat in Nederland. Door het Vondelpark-boek kwam Charles Boissevain op het idee Thijsse te vragen wekelijks iets in het Algemeen Handelsblad te schrijven. Dit is te zien als het begin van de natuurleven-journalistiek in de dagbladpers. Later schreef Thijsse ook in andere dag- en weekbladen. Zo nam hij na de vroegtijdige dood van Heimans in 1914 diens rubriek in De Groene Amsterdammer over. Door zijn omgang met Henri Polak had hij ook een band met de diamantbewerkersbond. In het vakbondsorgaan voor jonge leden Het Jonge Leven schreef Thijsse vanaf het begin in januari 1910 tot juli 1914 over de natuur. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam hieraan tijdelijk een einde. Daarna verscheen de natuurrubriek weer van januari tot december 1917. Vanaf 1911 was de rubriek voorzien van tekeningen en vanaf 1913 ook van foto's. In vrijwel elk nummer stond een artikel van Thijsse. In 1935 stond Thijsse Henk van Laar, voorman van de Arbeiders Jeugd Centrale, terzijde bij het inrichten van de heemtuin De Heimanshof op de Paasheuvel.

Vervolg deel 2

 

home info foto's Texel links