Van Lennep's voettocht in de zomer van 1823
     
Zeer enthousiast ben ik begonnen met het lezen van het boek "Lopen met Van Lennep". Dit boek beschrijft de reis van twee jonge studenten - Jacob Van Lennep en Dirk Van Hogendorp - in de zomer van 1823. De twee maakten een soort inspectietocht door Nederland. Jacob Van Lennep, destijds 21, schreef zeer regelmatig brieven naar het thuisfront gedurende zijn reis, met enerzijds de bedoeling om de familie op de hoogte te houden, maar anderzijds ook om er later een boek van te maken. Dit boek is er uiteindelijk gekomen en weer hertaald in modern Nederlands om alles iets beter leesbaar te maken. Het is een uniek reisverslag geworden, waarbij enorm veel plaatsen worden bezocht en beschreven met een perfect gevoel voor details. Het geeft de lezer een zeer goede indruk van hoe het er in die tijd aan toe ging. wandelend door een land dat voor ons bijna onherkenbaar is, met schaapskudden op de Leeuwarder wallen, een Enkhuizen waar de huizen instorten, een strafkolonie bij Ommerschans waar de kinderen kermen van de honger. Een derde van het land was nog pure woestenij, de wegen vaak enkel modder, veel steden lagen vol mestvaalten en als ‘s avonds de poorten dichtgingen heerste buiten totale duisternis. Kort daarna zou alles veranderen, met kanalen en straatwegen, spoortreinen en stoommachines. Maar Van Lennep staat nog maar aan het begin. Hij ziet een land dat leeft in de laatste jaren van diligence, ganzeveer en tondeldoos, van besloten dorpen en landstreken, van stadspoort en wildernis.

Het boek Lopen met Van Lennep.

(ISBN 9040095132 Uitgeverij Waanders)

    

De tocht van de twee begon in Amsterdam op 28 Mei 1823 en werd besloten op Zondag 31 Augustus van datzelfde jaar, nadat ze praktisch het hele land hadden doorwandelt. Ook komen ze door vele Friese, Groningse en Drentse plaatsen en dat zijn de gronden van mijn voorvaderen. In Leeuwarden gaan de twee zelfs op bezoek bij de zoon van mijn voorvader, Willem Bartel van der Kooi. Dit was in zijn tijd een zeer belangrijk man, een echte societyschilder, waarvan nog veel portretten bestaan, meestal in privébezit. Hij had een huis en een atelier aan de Ossekop. Het huis is weg; in zijn voormalig atelier zit nu een advocatenkantoor. Op die plek is overigens ook de vrouw van Rembrandt geboren. Van Lennep schrijft helaas niet veel over dit bezoek:

Jacob Van Lennep.

“Om half vier kwam de heer B. Andreae ons afhalen en bracht ons bij de beroemde schilder Van der Kooi, waar wij de goedgelijkende portretten aantroffen van de heren Van Burmania en Van Welderen Rengers, van mevrouw Rengers, van de heer Suringar en zijn vrouw, die na haar dood geschilderd is, van de luitenant van de dragonders Rengers en zijn aanstaande, de freule Van Kempenaer.” En verderop: “Om drie uur ging ik nog eens naar van der Kooi, bij wie ik nog andere schilderijen zag, onder andere Van Dijck, naar zijn zeggen. Van der Koois schilderijen lijken sprekend en hij is heel kundig in zijn vak, maar hij weet de aangenaamste en zuiverste kleuren niet te kiezen en hij heeft dat fijne, dat zachte en sappige niet wat Hodges kenmerkt.”

Willem Bartel van der Kooi.

    

De trekschuit uit de tijd van het verhaal.

Van Lennep gaat via Stroobos (Friesland) - waar overigens de broer van Van der Kooi woonde (Tede van der Kooi en tevens mijn voorouder) - de grens over naar Groningen. Deze afstand leggen zij geheel af per schuit. Eenmaal in Groningen aangekomen maken ze taferelen mee die we tegenwoordig alleen nog in landen als Marokko tegenkomen: “Kwart over negen kwamen wij in Groningen aan, dat zich van veraf prachtig aftekent door de hoge torens. Toen we uit de schuit stapten, werden we omsingeld door twintig kleine rakkers die ons onze koffers afnamen en ze aan elkaar ontrukten louter uit dienstbaarheid. Ik moest er met mijn knots tussen slaan, tot groot genoegen van de toeschouwers die zich om ons heen verzamelden. Uiteindelijk koos Van Hogendorp er een uit, liet hem de rugzakken dragen en achter ons lopen, waardoor ons gevolg langzamerhand verminderde.” 
    
Eenmaal aangekomen bij de herberg, werden ze aangezien voor kooplui, waardoor ze in een achteraf kamertje werden weggestopt. Maar dit pikten ze natuurlijk niet. Uiteindelijk kregen ze het voor elkaar om naar een mooiere kamer te mogen verhuizen, met uitzicht over de Brede markt: “We hadden een heerlijk uitzicht vanuit ons zitvertrek over de zogenaamde Brede Markt, die deze naam wel verdient. De markt is vijftig roeden lang en dertig breed, ligt midden in de stad en is voortdurend volgestouwd met mensen omdat er negen straten op uitkomen. 

De Grote of brede markt te Groningen.

      

Het Stadhuis van Groningen anno 2005.

In het midden ervan aan onze rechterzijde staat het stadhuis. De bouw ervan is in 1793 begonnen, in 1795 gestopt, in 1802 hervat en God weet wanneer die voltooid wordt. Het jaar 1810 in de gevel duidt aan dat men toen met timmeren ophield. Het gebouw heeft de vorm van een rechthoekig hoefijzer. De voorgevel is 136 voet breed en de zuid- en noordgevels 108 voet. De voorgevel bestaat uit vier kolommen van Bremersteen, elk met een middellijn van ongeveer 4 voet dikte. Ze rusten op een blauw voetstuk van arduinsteen en ze ondersteunen de vooruitspringende grote lijst. Aan beide kanten van het voetstuk is een ruime trap van 21 treden. Het gebouw bestaat uit drie verdiepingen. 
De onderkant is van blauw arduin, waarin de ramen van de onderste verdieping en de zuider- en noorderingang zijn. De romp van het gebouw is van gebakken steen met platte pilasters van Bremersteen tussen de vensterramen.” Na een bezoek aan onder andere de academie, hortus, nieuwe werken, het sterrebos, gevangenhuis, hospitaal en de Sint Maartenskerk met bijbehorende Martinitoren trekken ze verder door de ommelanden van Groningen.
       
De twee trekken al vrij snel voorbij aan: Dorkwerd, Oostum, Garnwerd, Ezinge, Oldehove, Kommerzijl en Ruigezand In Ruigezand bezoeken ze de boerderij van Douwe Martens, waar ze enkel de vrouw van Martens nog aantroffen. Martens zelf bleek kort ervoor te zijn overleden, de kist stond zelfs nog in de grootste kamer van de boerderij, die ze dan ook niet konden bezichtigen. Vervolgens trokken ze verder via Ulrum en Leens naar Zuurdijk. Zuurdijk, een klein vruchtbaar dorpje gelegen aan het Reitdiep met destijds de rijkste boeren van Nederland. Dit zijn tevens de geboortegronden van mijn voorouders van de Torringa tak. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Van Lennep en Van Hogendorp bij een bekende van mijn voorfamilie op bezoek gingen. Het is bij Everdina Oudeman (1765-1834) de weduwe van Roelf Eyes van Kammen (1769-1809). Daar kwam ik onder het lezen achter nadat ik over de gewonnen snuifdoos las (zie verderop). Toen ging er bij mij een lichtje branden dat weduwe “Roelof Eiges” één en dezelfde moest zijn geweest als de weduwe Roelf Eyes van Kammen. Dit waren de schoonvader en moeder van Hendrikus Warendorp Jannes Torringa (broer en zoon van voorvaderen), hij was getrouwd met hun dochter Kunna Roelfs van Kammen, die de rijkste erfdochter van Zuurdijk was. Haar moeder wou in eerste instantie geen toestemming geven voor het voorgenomen huwelijk met Hendrikus Torringa, maar op den duur is ze bijgedraaid.

Het graf van Roelf Eyes van Kammen

in de vloer van de kerk te Zuurdijk.

      
Het geluk heeft niet lang geduurd, want Kunna is twee jaar later al overleden. Ze hebben één zoon gekregen; Roelf Eyes Torringa. Roelf zou naar verloop van tijd de rijkste boer van Zuurdijk worden. Als kind erfde hij al alle bezittingen van de van Kammens en op zijn twaalfde was hij al grootgrondbezitter. Van Lennep schrijft over het bezoek aan weduwe Everdina Oudeman: “Wij maakten een uitstapje naar de Zuurdijk, om de weduwe (van) Roelof Eiges te bezoeken, die daar een mooie boerderij heeft. Lang dwaalden we rond omdat men de weg verkeerd gewezen had. Tenslotte liep ik een boeren erf op om naar haar te informeren.

Thee drinken en een pijpje roken, zoals dat in die

tijd ging bij de Groninger boeren. Deze zeer oude foto

is gemaakt in 1868 te Niebert.

Een grote hond die mij aanviel, dwong mij snel de aftocht te blazen, maar de boer kwam meteen bij ons en wees ons een pad dat wij volgen moesten. Toen we bij de hoeve waren, bleven we bij de plank staan uit vrees voor soortgelijke ontmoetingen en durfden die niet over, temeer omdat wij van de achterkant op het erf kwamen. We riepen vanuit alle macht maar dit hielp niet. Toen waagde ik het, al rondkijkende, eerst met één voet, vervolgens met de andere, en eindelijk met het hele lijf in de appelboomgaard te gaan. Nu des te minder geluid makend, naderde ik eindelijk de woning en klopte aan. Men deed open, waarop ik van Hogendorp riep. We vroegen naar de weduwe en werden na enig wachten door haar rentmeester of boekhouder naar haar toe gebracht. De eigenares was oud en lelijk, eenvoudig gekleed en sprak in een erg onaangenaam Platduits dialect. Meteen schonk ze ons een bittertje, gaf ons pijpen en stelde ons veel vragen, want net als alle Friezen en Groningers was zij heel nieuwsgierig.
      
Na een korte rust bracht zij ons naar een kamer, waar alles glom van het prachtig porselein en zilverwerk. In de ene hoek stond een staand kabinetsuurwerk met een klok en verschillende rollen muziek. Daarop stonden heel lieve walsen en airtjes, die zij voor ons af liet spelen. Aan de andere kant hing een kast met vijftien zilveren en twee gouden zwepen, die op verschillende plaatsen door haar harddravers gewonnen waren. 
Ook toonde zij ons een gouden snuifdoos van 8 pond gewicht, met briljanten ingelegd en met het cijfer van koning Lodewijk Napoleon in het midden. Dan liet zij ook nog stenen zien, waar in Groningen om geharddraafd was en die door haar gewonnen waren. In nabij gelegen gang stond weer een spelende klok. Verschillende kamers wandelden wij door, alle goed gemeubileerd. Een Bulhond die zo groot en sterk was als een leeuw, vergezelde ons, maar hij was heel beleefd en goed opgevoed.Ook zagen wij de tuin, waarin perziken, abrikozen, druiven, morellen enz. enz. heerlijk stonden te pronken. De koeien- en paardenstallen waren niet te tellen. Het koetshuis keek precies uit op een laan die onderaan een dijk helemaal rondgaat door haar bezittingen. Die strekken zich uit tot aan het Reitdiep en hebben een omvang van 800 grazen land. De schuren leken wel kerken. Meer dan tachtig koeien en over de honderd schapen grazen in haar weilanden” Het wereldje lijkt destijds wel erg klein te zijn geweest, als men bedenkt dat Van Lennep en zijn vriend wel erg dicht bij mijn voorouders of bekenden ervan zijn geweest.

De gouden snuifdoos met meer dan 100 briljanten, geschonken door koning Lodewijk Napoleon als prijs

 bij een harddraafwedstrijd in Groningen op

2 September 1808.

       

   

*Deze pagina is het best bekeken met Microsoft Internet Explorer

 met instelling tekengrootte: normaal (deze optie vindt u onder tab beeld in het Internet Explorer menu bovenaan)

  

Terug