De gildenoproer

 

Na het jaar 1594 was in Groningen de invloed van de gilden steeds meer af gaan nemen. Bouwmeesters en andere gilden mochten in 1601 zelfs helemaal niet meer gehoord worden, zo bepaalde de Staten-Generaal. In de jaren van 1675 tot 1662 laaide de strijd op tussen raad en de gilden, dit lijde meerdere malen tot gewelddadige uitbarstingen. De gilden waren uit op een strengere handhaving van het stapelrecht. Dit recht hield in dat alle goederen die in de ommelanden van Groningen werden geproduceerd en al het handelswaar eerst naar de stad Groningen moest worden overgebracht, om het vervolgens daar te mogen verhandelen. De raadsheren zagen hier echter niet het belang van in. Dit kwam grotendeels doordat deze raadsheren nauwe vriendschapsbanden hadden met de Jonkersgeslachten. Er moest op dat moment een beslissing worden genomen door de raad. De raad voelde zich zo bedreigd door de gildenbroeders dat ze zelfs militaire hulp inriepen. Dit hielp niet veel, omdat het volk het leger meteen de stadspoorten weer uit wees. Dit was alvast een stap in de goede richting voor de gildenbroeders.

Johan Schulenborg ontvlucht vermomd in vrouwen

 kleding de stad.

  

Gerrit Warendorp.

De gildenbroeders eisten vervolgens meer grip op de keuze van de raadsheren, vermindering van belasting gelden en eerherstel van Johan Schulenborg. Johan Schulenborg was een vriend en adviseur van de gilden en had het gebracht tot stadsafgevaardigde naar de Staten-Generaal. De raad had hem uit zijn functie gezet, waardoor een zo'n hevige oproer ontstond dat aan alle eisen van de gilden werd toegegeven. Maar op 30 november 1662 greep stadhouder Willem Frederik stevig in. Hij stuurde een groot leger naar de stad en dwong de gilden tot onderwerping. Johan Schulenborg en de gildenleiders Lucas Harckens, Gerrit Warendorp en Geert Udinck werden hierbij gevangen gezet. Eén bouwmeester wist te ontsnappen, en een ander kreeg huisarrest.

  

De Staten-Generaal drong echter aan op strenge straffen. Op 30 december werd daarom Johan Schulenborg ter dood veroordeeld en zijn goederen zouden in beslag worden genomen. Maar Johan was voorbereid en was niet op zijn achterhoofd gevallen, hij wist in vrouwenkleding te ontsnappen, en toen ze zijn bezittingen in beslag kwamen nemen bleken ze al als sneeuw voor de zon te zijn verdwenen. Hij was niet als enige ter dood veroordeeld ook Warendorp, Harckens en Udinck stond hetzelfde vonnis te wachten, hier volgt een klein fragment uit het proces tegen Gerrit Warendorp: "Alle welcke faecken fijn van feer quaeden en fschrickelijcken gevolge, ftreckende tot perturbatie van defe Stadt en de goede Ingefetenen van dien, en daaromme in een welgeftelde Regieringe niet behooren geleden maer anderen ten affchouwelijck exempel geftraft te worden: SOOIST, dat d’Heeren Borgemefteren ende Raadt den Gevangen Gerrijt Harmens Warendorp hebben gecondemneert en condemneren mits defen, om door den Scherprichter met den fwaerde geexecuteert te worden, dat de doodt daer op volget. Aldus gepronuncieert binnen Groningen den 16 Januarij anno, 1663". Op 16 januari 1663 was het dan dus zo ver voor Gerrit Warendorp. Hij werd op het schavot aan de Grote Markt geplaatst en met een 'fwaerde' door 'den scherprichter' onthoofd. Warendorp trof het niet, hij kreeg zijn straf net even te vroeg. Later zouden Udinck en Harckens namelijk op het laatste moment genade hebben gekregen in tegenstelling tot Warendorp.

  

bronnen gebruikt: Ach lieve tijd - Tien Eeuwen Groningen en de Groningers - Uitgeverij Waanders.

document "Sentien by Borgemefteren en Raadt in Groningen, gepronuncieert tegens Gerrit Harmens Warendorp" 1663

  

Terug