"Mijn wortels" geschreven door Arend Dekker

   

Willem Dekker (Vader) en Arendtien

Venema (Moeder).

Het is in het jaar1921, en wel in het voorjaar, dat mijn ouders in ondertrouw gingen en veertien dagen later werd er getrouwd. Trouwen omstreeks mei was toen nog de gewoonte bij ons in Drenthe. Slechts als er haast bij was werden in andere getijden van het jaar huwelijken voltrokken. Trouwen in mei had waarschijnlijk te maken met het feit, dat boerenbedrijven werden verhuurd van mei tot mei van het volgende jaar.

  

         Vader

De vader van Willem Dekker.

Vader was 27 jaar, kwam uit een keuterboeren-gezin. Zijn vader en moeder hadden een klein eigen boerenbedrijfje. Het waren zuinige, broodeerlijke, zeer eenvoudige mensen en woonden te Armweide bij Ruinen. Veel school had vader niet gehad. Alleen lagere school tot een leeftijd van een jaar of twaalf en dan nog niet regelmatig. Als er thuis werk was voor de kinderen, b.v. bij het hooien, oogsten en aardappelrooien, dan werden ze in die tijd gewoon thuis gehouden. Omstreeks de eeuwwisseling was kinderarbeid ook hier in Drenthe geen uitzondering. Na de lagere school werd hij uitbesteed bij een boer en ging hij de deur uit. Er was dus een mond minder die om eten vroeg, want naast mijn vader waren er nog zes kinderen in het gezin. Tot zijn trouwen op 27-jarige leeftijd toe heeft hij altijd bij boeren gewerkt en bij hen over de vloer of op de deel geleefd.

  
         Moeder
Moeder was ook van boeren afkomst, maar uit een gezin, niet vergelijkbaar met dat van mijn vader, hoewel ze uit dezelfde buurt kwamen. Moeders ouders hadden aanvankelijk een grote boerderij in Ansen, ook in de gemeente Ruinen. Moeilijkheid was, dat haar vader aan astma leed. Door deze ziekte moest hij al vrij jong (plm. 50 jaar) het bedrijf van de hand doen, zijn broer werd de opvolger. Zelf stichtte hij een nieuw, kleiner bedrijf waar hij het werk nog enige jaren aan kon. Deze man was zeer intelligent, hij kende vreemde talen, o.m. Frans. Dit kwam omdat hij als jongeman gestudeerd had voor onderwijzer. Deze studie was door financiële moeilijkheden niet afgemaakt. In latere jaren maakte hij nog deel uit van de gemeenteraad van Ruinen. Op een foto uit die tijd is hij nog te zien. Het gezin was iets moderner, of iets minder conservatief. Er waren ook zes kinderen en ook moeder viel de eer te beurt om na de lagere school bij de boeren te gaan werken tot haar 21e jaar, waarna ze met mijn vader trouwde.

Ouders van (moeder) Arendtien

Venema.

   
         Hoe zag mijn omgeving in 1925 eruit?

Om belangstellende lezers een indruk te geven van de omgeving in Drenthe, waar ik opgroeide, geef ik een zo goed mogelijke beschrijving van het gebied, mogelijk heeft deze er iets aan. Bedenk hierbij, dat ik noch geograaf, noch historicus ben en dat ik onwetend ergens naast de waarheid kan zitten.

Desalniettemin, ik probeer het. Ruinen is één van de naar ik meen vierendertig gemeenten in Drenthe.

Ruinen provincie Drenthe.

Het ligt in de zuid-westhoek daarvan, ongeveer 12 km ten noord-oosten van het welbekende oude handelsstadje Meppel. Het is een brinkdorp, het middelpunt van een reeks omliggende dorpjes en gehuchten die tot deze gemeente behoren. De voornaamste zijn Ansen, Pesse, Stuifzand, Echten, Fluitenberg, Oldenhave en Armweide (De plek waar ik opgroeide) met de gehuchten Reebruggen, Anserbroek, Witteveen, Benderse, Leeuwte, Anholt, Kralo, Eursinge, Hees en Gijsselte is dacht ik het rijtje compleet. Gevraagd naar aantallen inwoners van al deze dorpen moet ik het antwoord schuldig blijven. De gemeenschap ligt ingesloten tussen de aangrenzende gemeenten Havelte (noordwest), Dwingelo (noord), Beilen (noordoost), Hoogeveen (oost), Zuidwolde (zuidoost), De Wijk (Zuid) en Ruinerwold (west). De verbinding tussen het hoofddorp Ruinen en de onder haar ressorterende buitendorpen bestaat uit smalle verharde wegen.

   
Naar de gehuchten zijn het vaak slechte zandwegen of soms keienstraten. Vrijwel het hele gebied bestaat uit boerenbevolking en mensen, die met het boerenbedrijf te maken hebben en ervan leven. Het gemeentehuis staat of stond in het hoofddorp Ruinen. Met kerk (N.H.), enkele cafés, een aantal winkels, een politie-onderkomen, postkantoor en melkfabriek op de achtergrond vormde zij de mooie brink met brandkuil in het midden.
In de omgeving van de brink woonde ook de enige dokter uit de omgeving. Zo was er ook maar één veearts. Het grootste gedeelte van de bevolking was Nederlands Hervormd. Slechts een klein gedeelte was Gereformeerd. Veel van deze Gereformeerden kerkten buiten de gemeente. Katholieken waren er geloof ik niet. Wel leefden er enige Joden in het dorp. De manufacturier was volgens mij de enige onder hen, die in betrekkelijke weestand leefde en, voor zo ver ik weet, waren de anderen arm en leefden wat van de handel. Triest is dat zij in de oorlog ‘40 - ‘45 allemaal opgehaald zijn door de bezetter en er voor zover ik weet niemand teruggekomen is.

Het gemeentehuis van Ruinen.

   

Politieagent uit Drenthe zoals deze gekleed

waren ten tijde van het verhaal.

Achter de brink, iets naar het oosten, stond de lagere school, ook verschillende buitendorpen als Ansen, Echten, Pesse en nog meer hadden een school. Zo was er in de verschillende buitendorpen ook al een middenstand, zoals een bakker/winkelier, een smid/fietsenmaker, een timmerman/wagenmaker, enkele cafés/herbergen, een schoenmaker, een klompmaker, enz. of er in het hoofddorp elektriciteit en telefoon was, weet ik niet zeker, maar in verschillende buitendorpen niet, noch telefoon, noch elektriciteit. Het licht op stallen en woonhuizen kwam uit de petroleumlamp.

Er waren in het gehele gebied meen ik drie politie-agenten. De misdaad was in die tijd niet zo groot. Vernielzucht, zoals heden ten dage, daarvan was geen sprake. Trouwens, er was toen niet veel te vernielen. De drie agenten waren best in staat de orde te handhaven. Toch waren ze soms nodig, want bij gelegenheden als Ruinermarkt waren er soms flinke vechtpartijen waarbij messen werden getrokken. In de omgeving sprak men wel van ‘Ruiner messentrekkers’ of ‘bekkensnijders’.

     
Politiek gezien waren de tegenstellingen in die jaren niet groot. De populatie was over het algemeen eenvoudig, men had zijn werk en geen tijd of kennis om daaraan mee te doen. Je had tegenstellingen op kerkelijk gebied, men had een hekel aan socialen, ‘de rooien’, zoals ze die noemden. Als partijen, zover mij bekend bestonden de democraten, de christelijken (incl. Chr. Hist.) en de socialen (SDAP). Er waren in die tijd volgens mij veel mensen die stemden: “Wiens brood men eet, wiens brood men spreekt”. Talrijke eenvoudige mensen waren afhankelijk van de rijkere boeren. Bij hen vonden ze werk, van hen kon men een boerderijtje of land huren. Zij waren het, die je geld konden lenen, als je zelf wat wilde beginnen of bouwen. Bij hen kon je een paard lenen of gereedschap dat jezelf niet had. Kwam zo’n invloedrijk persoon erachter, dat je verkeerd stemde, dan kon er wel iets gebeuren, zodat je er later spijt van had. Dus, men paste wel op.

politieke partij SDAP.

      

Het was ook die tijd, dat wij kinderen voor de groten der aarde ons petje moesten afnemen, zo wij er één hadden. Hiervoor kwamen in aanmerking: de burgemeester, de dominee, de dokter en zelfs de schoolmeester werd op deze manier verheerlijkt.

Ruinen lag ten opzichte van Meppel vrij hoog. Het verschil plm. 30 meter. De noord- en oostkant van de gemeente was hooggelegen, met hier en daar grote heidevelden (daar staat nu de bekende schaapskooi). In het westen van de gemeente lagen de hogere gebieden, zoals Oldenhave, Armweide (gedeeltelijk), Anserbroek, Reebruggen en Ansen (ook gedeeltelijk). In het lagere gebied had men in het najaar en winter veel last van het water. Het water kwam via de Beilerstroom, de Ruiner Aa en meerdere waterlopen van het hoge Drenthe naar ons toe. Het moest uiteindelijk via het Meppeler Diep naar de Zuiderzee. Bij Meppel kwamen alle riviertjes bij elkaar en moesten dan samen door het “Malle Gat” naar het Meppeler Diep.

Grote heidevelden met schapen in de omgeving van Ruinen.

Als in het najaar de neerslag groot was, kon al het water niet door het nauwe “Malle Gat” en kwamen grote gebieden onder water te staan, tot zelfs in Meppel. Hieraan was ook de Reest, die vanuit het zuidoosten water aanvoerde, mede schuldig. Stonden de gebieden in onze buurt eenmaal onder water, dan bleef dat de hele winter het geval. Alleen Ruinerwold had van het water niet zoveel last, want deze gemeente had zich rondom in de dijken gelegd, waardoor de overlast in de aangrenzende gebieden nog groter werd. We zullen hier niet verder op ingaan, want heden is die overlast dank zij de inspanning van de waterschappen na de oorlog ‘40-’45 geheel voorbij, verleden tijd!

    
Nu nog even iets dichter bij het huis waar ik opgroeide. Het gehucht of dorpje had de naam Armweide, het lag juist aan de rand van de lagere gebieden. Ons huis stond tegenover een bosje, ik hoefde alleen de weg over te steken, om in dat bosje te komen. Achter het bosje lag een meertje, het had de naam “Karstkoelen”. Vermoedelijk was het een oude gletscherkuil, zoals die meer voorkomen in Drenthe. In die dagen lag er nog een bootje in, welke werd gebruikt om veen uit het water te halen en om daar turf van te maken. Het was erg diep, een bodem was met de langste stok niet te meten. In het water zat veel vis. De visotter leefde er toen ook nog. En natuurlijk veel kikkers die op zomeravond grote concerten gaven. Salamanders en ik weet niet wat waterdieren meer, voelden zich hier thuis. Verder allerlei watervogels, eenden enz. Ik kende ze niet allemaal.

Arend's ouderlijk huis.

     
Het meertje was zo ongeveer rond, in het midden gewoon water, maar naar de kanten van die grote plompe-bladen, waar in de zomer die mooie Lelies op bloeiden. Verder naar de kant de Lisdodden, die in de voorzomer met hun gele bloemen een halve meter boven water, van het meertje een schilderstuk maakten. Nog verder naar de kanten riet, riet dat je kon gebruiken als dakbedekking. Daarna struikgewas, Wilgen en ander licht houtgewas, dan volgden de Berken en Elzen. Ze groeiden als het ware op een moeraslaag, die op het water dreef.

Karstkoelen anno 2004 met dichtgegroeide randen.

Je kon er alleen lopen als ‘s winters alles goed dichtgevroren was dan bestond de mogelijkheid, dat je erdoor zakte, me de kans op verdrinking. Dat gold vooral voor kinderen, die werden dan ook goed door de ouders gewaarschuwd, daar niet zonder geleide te komen. Tenslotte kwam de vaste wal en daar was dan het bos met Eiken en hakhout. In de eerste tijd, dat we er woonden, mocht ik ook niet bij het meertje komen, maar na verloop van tijd was ik er vertrouwd geraakt en kende al gauw elk plekje. Wat heb ik daar veel gespeeld, wat liggen ook daar veel herinneringen. Er is nu veel veranderd, de otter en de ooievaar zie je er niet meer, maar ja, de rest zal er nog wel zijn. Bos en meertje zijn heden beschermd natuurgebied. Zo, daar groeide ik dus op.

    
         Het Begin
Zoals vermeld trouwden mijn ouders in Mei van het jaar 1921. Ze huurden een klein huisje in Ruinerwold, de plaats waar beiden na hun schooljaren hadden gewerkt. Vader werkte de eerste tijd nog bij de boeren in die omgeving, en ook moeder probeerde zo nu en dan wat bij te verdienen. Moeilijk hadden ze het niet, want beiden hadden in de jaren dat ze als boerenmeid en boerenknecht werkten goed gespaard.

 In Maart van het volgende jaar (1922) werd ik geboren. Moeder vertelde later, dat ik bij de geboorte pikzwart en broodmager was geweest. De borstvoeding, zo vertelde ze later, moest ook nog gedeeld worden met een ander jongetje. Ze had twee kinderen tegelijk aan de borst gehad. Dat andere jongetje zou een kind zijn geweest van een boer, waarbij ze vroeger had gewerkt. Eigenaardig, maar het zal wel waar zijn geweest, want moeder vertelde geen grapjes.

Toen ik twee jaar oud was en ik inmiddels een zusje had gekregen, gingen mijn ouders verhuizen. Vader en moeder hadden een klein boerderijtje gehuurd in Ansen, het plaatsje waar moeder als kind had gewoond. Ook daar werkte vader naast de verzorging van het eigen bedrijfje bij boeren in de omgeving. Moeder verdiende ook wat, door soms bij anderen te werken, maar ook door te breien en naaien voor vrouwen uit de buurt. Het ging hen goed en ik denk haast, dat dit de mooiste jaren in hun bestaan zijn geweest. Wat zou het nog moeilijk voor hen worden!

Van links naar rechts Lammechien Dekker,

Arendtien Venema, boven Willem

Dekker en onder Arend Dekker, de

persoon achter dit verhaal.

     
   

Eerst tot zover, meer zal spoedig volgen.

   

*Deze pagina is het best bekeken met Microsoft Internet Explorer

 met instelling tekengrootte: normaal (deze optie vindt u onder tab beeld in het Internet Explorer menu bovenaan)

  

Terug