Een dagje weldadigheid
     
Het verlangen om Frederiksoord te bezoeken bestond al langere tijd, maar kwam er steeds maar niet van. Frederiksoord, daar waar eens de Maatschappij van Weldadigheid het levenslicht zag. Voor mij een speciale plek, een plaats van verbeelding en de ultieme plek om terug de tijd in te reizen. Waarom? Niet zo lang geleden ontdekte ik bij mijn genealogisch onderzoek dat hier enkele verre familieleden hebben gewoond. Ze waren kolonisten, werkend aan een betere toekomst voor zichzelf en hun kroost. Vandaag kwam het er dan eindelijk van, een bezoekje aan het museum de "Koloniehof" van de Maatschappij van Weldadigheid.

Museum de Koloniehof te Frederiksoord.

    

Reconstructie van een arriverend gezin.

Het is 1818 de tijd dat Koning Willem I over het huidige Nederland, België en Luxemburg regeert, de tijd dat de Fransen nog maar pas uit Nederland verjaagd zijn en de tijd van grote armoede in meerdere lagen van de bevolking. 1818 is ook het jaar dat generaal-majoor Johannes van den Bosch een plan aan koning Willem I voorstelt. Zijn plan was het oprichten van een maatschappij die zich bezig hield met het bestrijden van de armoede in Nederland; de Maatschappij van Weldadigheid. Prins Frederik, één van de zoons van koning Willem I werd voorzitter van de Maatschappij. Al op 25 Augustus van datzelfde jaar werd de eerste steen gelegd voor de bouw van 53 woningen in een proefkolonie. Niet veel later kreeg de kolonie met toestemming van prins Frederik zijn huidige naam Frederiksoord. Direct nadat de landbouwkolonie tot Frederiksoord werd benoemd kwamen de eerste gezinnen al aan om een klein koloniehuisje te betrekken.
    

Arriverende kolonisten.

Het dagelijks leven op de kolonie.

De koloniehuisjes doen vandaag de dag ietsjes klein en armzalig aan, maar voor de kolonisten moet dit een zeer riant onderkomen zijn geweest. Te bedenken dat de meeste kolonisten van armenhuizen, kleine zoldertjes, kelders en krotten kwamen die ze ook nog eens niet voor zich alleen hadden, maar moesten delen met meerdere gezinnen. De eerste huisjes bestonden uit een woonkamer, een haard, twee ramen en een buitendeur. Het achterhuis bestond uit een houten schuur overdekt met riet met daar achter gelegen een klein toilet buitens-huis. Op de zolder van het voorhuis bevonden zich twee kleine kleine slaapkamertjes. Alle koloniewoningen waren vrijwel het zelfde en kregen ook dezelfde inventaris. Deze inventaris was berekend op zes personen, twee ouders en vier kinderen. Tevens behoorde tot iedere inventaris een spiegel, dit werd gegeven om de netheid in het gezin te bevorderen.

Het oudste type kolonistenwoning.

   

De voorgeschreven kleding 

voor een kolonist.

Bij aankomst kregen alle kolonisten voorgeschreven kleding. Er werd op toegezien dat deze goed werd verzorgd en gedragen. Deze toezicht was weldegelijk nodig, omdat de kleding samen met inventaris nog wel eens verkocht of verpand werd en het kwam ook nog wel eens voor dat de kleding werd verwaarloosd. Alle kolonisten moesten op het land aan het werk, maar het merendeel bleek al snel geen ervaring te hebben, daardoor was er voortdurend toezicht nodig van een leidinggevende. Het werk bestond uit ontginnen en het onderhouden van de tuin. De mannen en de jongens werkten verder nog op de werkplaats (hier konden ze een ambacht leren). De vrouwen en de meisjes deden aan spinnen, weven, het poten en rooien van aardappelen en het onderhouden van de woning en moestuin. Ook werden de vrouwen nog al eens ingezet op de venen en vlasakkers. Het leven van de vrouwelijke kolonist ging er dus maar zwaar aan toe. Door al dit werk dat werd verzet, kon een aardige winst worden geboekt en al snel wisten enkele kolonisten van hun opbrengst te leven.
     
Voor de arbeid die men binnen de kolonie verrichte werd men netjes uitbetaald, als er eens winst werd behaald (meer verdiend dan de kosten van levensonderhoud) dan werd dit ook gewoon uitbetaald, in geval van verlies dan werd dit genoteerd als schuld. Deze uitbetaling geschiede echter wel in eigen geslagen kolonie munten. Dit werd nodig geacht om zo de kolonist een stukje te helpen in de goede richting. Op deze manier kon men goed letten op de uitgaven van de kolonisten. Doordat het geld elders waardeloos was kon een kolonist alleen binnen de kolonie terecht met zijn geld. Op deze manier had men meer toezicht en konden schulden beter worden voorkomen. Het meeste dat in de kolonie werd geproduceerd kwam voort uit de landbouw en werd binnen de kolonie zelf gebruikt.

Het koloniegeld.

     
Binnen de koloniën ontstonden manden en matten-makerijen, een groentedrogerij, spinzalen en weverijen waar bijvoorbeeld koloniekleding werd gemaakt en zelfs een kleine conservenfabriek. In de beginjaren waren in de kolonie geen kerkgebouwen te vinden. De kolonisten waren hierbij aangewezen op de kerken uit de omgeving. De kolonie stelde het gaan naar de kerk verplicht, al bleek deze verplichting moeilijk te controleren. Werd je desondanks betrapt op het ontlopen

Arbeiders binnen de kolonie.

van de kerk dan kreeg men een boete opgelegd van twee stuivers. Het eerste kerkgebouw dat binnen de kolonie werd gebouwd was er één voor de joodse kolonisten, deze kolonisten waren voornamelijk te vinden in Willemsoord.
    

De school in Willemsoord.

De kolonie bezat ook haar eigen scholen. Kinderen van zes tot twaalf werden verplicht om naar de kolonieschool te gaan, was men ouder dan twaalf dan ging men nog een paar jaar naar de avondschool. Voor zowel jongens als meisjes met goede resultaten op school waren er goede kansen. Zo konden meisjes worden opgeleid tot dienstmeisje en jongens in de leer gaan bij het instituut voor de Landbouw. Er was niet alleen voor scholing gezorgd binnen de kolonie, maar ook nog eens voor een eigen geneesheer en later zelfs een vroedvrouw. Binnen de kolonie werd een apotheek beheerd door de geneesheer die uitsluitend bestemd was voor de lokale koloniale bevolking. Voor de premie van één cent per week was de kolonist verplicht verzekerd.
   
Na aanhoudende financiële tegenwind werd de Maatschappij van Weldadigheid overgenomen door het rijk. Vandaag de dag bestaat de Maatschappij nog steeds. Nu echter met een andere taak als dat van vroeger, het beheerd en exploiteert de landgoederen in Frederiksoord, Wilhelminaoord en Boschoord, met een totale oppervlakte van ongeveer 1300 hectare. In 1993 is in Frederiksoord met een museum uitgebreid, genaamd de Koloniehof. In dit museum valt - aan de hand van dia's en een heus ingericht koloniehuisje - de geschiedenis van de kolonie voor jong en oud te herleven. Verder is per computer nog na te gaan of er misschien nog verre familie van u in de kolonie heeft gezeten.

Eén van de resterende koloniehuisjes.

   

*Deze pagina is het best bekeken met Microsoft Internet Explorer

 met instelling tekengrootte: normaal (deze optie vindt u onder tab beeld in het Internet Explorer menu bovenaan)

  

Terug