Het T.U.I.G.-Manifest/The SCUM Manifesto

door

Valerie Solanas


T.U.I.G.-Manifest (Ter Uitroeiing van het Inferieure Geslacht)

Het leven in deze maatschappij is op zijn best oersaai en de maatschappij is in geen enkel opzicht van belang voor vrouwen. Voor vrouwen met burgerzin, verantwoordelijkheidsbesef en behoefte om uit de band te springen zit er dus niets anders op dan de regering omver te werpen, het geld af te schaffen, volledige automatisering in te voeren en het mannelijk geslacht uit te roeien.

Het is tegenwoordig technisch mogelijk om ons voort te planten zonder medewerking van mannen (of van vrouwen, overigens) en alleen vrouwen voort te brengen. Daar moeten we meteen mee beginnen. Het behoud van de man dient niet eens het twijfelachtige doel van de voortplanting. De man is een biologisch ongeluk: het y-gen (mannelijk) is een onvolledig x-gen (vrouwelijk), dat wil zeggen, het bestaat uit een onvolledig stel chromosomen. Met andere woorden, de man is een incomplete vrouw, een levende miskraam die in de genenfase ter wereld is gekomen. Mannelijk staat gelijk aan gebrekkig, emotioneel beperkt; mannelijkheid is een gebreksziekte en emotioneel zijn mannen mankpoten.

De man is volkomen egocentrisch, gevangen in zichzelf, niet in staat tot meevoelen met of zich verplaatsen in anderen, tot liefde, vriendschap, genegenheid of tederheid. Hij is een volledig geďsoleerde eenheid, die niet in staat is tot echt contact met wie dan ook. Zijn reacties zijn geheel en al instinctief, niet verstandelijk; zijn intelligentie is niet meer dan een werktuig in dienst van zijn neigingen en behoeften; hij is niet in staat tot geestelijke hartstocht, geestelijke interactie; het enige waar hij raad mee weet zijn zijn eigen fysieke sensaties. Hij is een halfdode homp die nergens op reageert, die niet in staat is om vreugde of geluk te geven of te ontvangen; hij is dan ook op zijn best oersaai, een onschuldige hobbezak, want alleen als je je in anderen kunt verdiepen, kun je aardig zijn. Hij zit gevangen in een schemergebied tussen de mens en de aap, en hij is veel slechter af dan de aap omdat hij in tegenstelling tot de aap beschikt over een enorm scala aan negatieve gevoelens — haat, jaloezie, minachting, walging, schuldgevoel, schaamte, twijfel — en zich bovendien bewust is van wat hij wel en niet is.

Hoewel hij uitsluitend een lichamelijke kant heeft, is de man zelfs niet geschikt als dekhengst. Zelfs als we ervan uitgaan dat hij de techniek beheerst, wat bij weinig mannen het geval is, is hij ten eerste al niet in staat om enthousiast en wellustig een nummertje te maken, maar wordt hij in plaats daarvan verteerd door schuldgevoel, schaamte, angst en onzekerheid, gevoelens die geworteld zijn in de aard van de man en die zelfs de meest verlichte scholing nooit helemaal kan wegnemen; ten tweede krijgt hij er hoegenaamd geen lichamelijk gevoel bij; en ten derde leeft hij niet mee met zijn partner, maar wordt hij geheel in beslag genomen door de vraag hoe hij het ervan afbrengt, of hij een tien verdient, de klus goed klaart. Door een man een dier te noemen bewijs je hem te veel eer; hij is een machine, een wandelende dildo. Er wordt vaak gezegd dat mannen vrouwen gebruiken. Voor wat dan? Vast niet voor hun plezier.

Hoewel de man wordt verteerd door schuldgevoelens, schaamte, angsten en onzekerheden en hij, als hij geluk heeft, hooguit een nauwelijks waarneembaar lichamelijk gevoel ondervindt, is hij toch bezeten van neuken; hij zou een rivier van snot overzwemmen, een kilometer lang tot zijn neus door braaksel waden, als hij vermoedt dat hem daarna een ontvankelijk kutje wacht. Hij neukt met vrouwen die hij veracht, de eerste de beste heks met een paardengebit, en heeft daar zelfs geld voor over. Waarom? Niet om zijn lichamelijke opwinding te verlichten, want daartoe volstaat masturbatie. Het is ook geen bevrediging van zijn ego; dat is geen verklaring voor neuken met lijken en kleine kinderen.

Die volmaakt egocentrische man, niet in staat tot echt contact, tot meevoelen of zich inleven, en vervuld van een enorme, onontkoombare, diffuse seksualiteit, is geestelijk passief. Hij vindt dat afschuwlijk dus hij projecteert die passiviteit op vrouwen, karakteriseert mannen als actief en probeert vervolgens te bewijzen dat hij dat is (‘bewijzen dat hij een Man is’). Zijn pogingen om dat te bewijzen bestaan vooral uit neuken (Grote Vent met Grote Pik maakt Grootse Wip). Aangezien hij iets onwaars probeert te bewijzen, moet hij het steeds opnieuw ‘bewijzen’. Neuken is dus een wanhopige, dwangmatige poging om aan te tonen dat hij niet passief is, geen vrouw; maar hij is passief en wil een vrouw zijn.

Als onvolledige vrouw is de man zijn hele leven bezig met pogingen om zichzelf te vervolmaken, om een vrouw te worden. Hij probeert dat te doen door constant achter vrouwen aan te zitten, met hen aan te pappen en te proberen door middel van de vrouw te leven en met haar te versmelten, en door alle vrouwelijke eigenschappen voor zichzelf op te eisen — emotionele kracht en onafhankelijkheid, overwicht, dynamiek, besluitvaardigheid, koelbloedigheid, objectiviteit, assertiviteit, moed, integriteit, levendigheid, intensiteit, diepgang, flitsendheid, enz. — en alle mannelijke eigenschappen op de vrouw te projecteren — edelheid, lichtzinnigheid, onbeduidendheid, zwakte, enz. Het moet echter wel gezegd dat de man op één punt met kop en schouders boven de vrouw uitsteekt — public relations. (Hij is er op briljante wijze in geslaagd om miljoenen vrouwen ervan te overtuigen dat mannen vrouwen zijn en vrouwen mannen.) De mannelijke stelling dat vrouwen voldoening vinden in moederschap en seksualiteit weerspiegelt wat mannen denken dat hun voldoening zou schenken als ze vrouw waren.

Met andere woorden, vrouwen hebben geen penisnijd; mannen hebben kutnijd. Als de man zijn passiviteit aanvaardt, zichzelf als vrouw beschouwt (zowel mannen als vrouwen denken dat mannen vrouwen zijn en vrouwen mannen) en travestiet wordt, verliest hij zijn verlangen om te neuken (en trouwens ook om verder nog iets te doen; hij ontplooit zich ten volle als travestiet) en laat hij zijn pik afhakken. Dan ondervindt hij een blijvend diffuus seksueel gevoel van het ‘vrouwzijn’. Neuken is voor een man een verdedigingsmechanisme tegen zijn verlangen om vrouw te zijn. Seks is zelf een sublimatie.

Door zijn obsessie om zijn niet-vrouwzijn te compenseren, gevoegd bij zijn onvermogen tot echt contact en tot mededogen, heeft de man er een puinhoop van gemaakt in de wereld. Hij is verantwoordelijk voor:

Oorlog: De normale methode voor de man om zijn niet-vrouwzijn te compenseren, namelijk door zijn eigen Kanon te laten afgaan, is absoluut ontoereikend, omdat hij het maar een zeer beperkt aantal malen kan laten afgaan; daarom knalt hij er op zeer grote schaal op los, en bewijst zo de hele wereld dat hij een ‘Man’ is. Omdat hij geen mededogen kent, en niet in staat is tot meevoelen of inleven, laat het hem koud dat het bewijzen van zijn mannelijkheid onophoudelijk leed en verminking veroorzaakt en talloze mensenlevens kost, inclusief het zijne — zijn eigen leven is toch niets waard, dus hij gaat liever roemrijk ten onder dan dat hij nog vijftig jaar verbeten voortvegeteert.

Vriendelijkheid, beleefdheid en ‘waardigheid’: Iedere man weet diep in zijn hart dat hij een waardeloos stuk stront is. Hij wordt overmand door dierlijke gevoelens en schaamt zich daar diep voor; hij wil zichzelf niet uiten maar juist voor anderen verbergen dat hij alleen maar een lichamelijke kant heeft, volkomen egocentrisch is, en andere mannen haat en minacht, en hij wil voor zichzelf de haat en minachting verbergen die hij vermoedt dat andere mannen voor hem voelen; hij heeft een grof gebouwd zenuwstelsel dat al van de kook raakt door de geringste uiting van emoties of gevoel. Om al die redenen probeert de man ‘maatschappelijke’ normen op te leggen die garant staan voor een volmaakte kleurloosheid, onbezoedeld door ook maar een spoortje van gevoel of tegendraadse meningen. Hij gebruikt woorden als ‘copuleren’, ‘seksuele gemeenschap’, ‘een relatie hebben met’ (‘seksuele relatie’ is voor mannen een pleonasme) omkleed met gekunstelde maniertjes; een chimpansee in smoking.

Geld, huwelijk en  prostitutie, werk en voorkoming van een geautomatiseerde maatschappij: Er is geen enkele menselijke reden voor het bestaan van geld of voor de noodzaak om meer dan op zijn allerhoogst twee ŕ drie uur per week te werken. Alle niet-creatieve banen (bijna alle banen die er nu zijn) hadden allang geautomatiseerd kunnen worden, en in een maatschappij zonder geld kan iedereen zoveel van het beste van alles krijgen als ze maar wil. Maar er zijn niet-menselijke, mannelijke redenen om het geld/werk-systeem te handhaven:

1. Kutje. Uit minachting voor zijn buitengewoon inadequate ik, overmand door intense onzekerheid en een diep gevoelde eenzaamheid als hij met zijn eigen leegheid alleen is, en vanuit een wanhopig verlangen om zich aan willekeurig welke vrouw te binden, in de vage hoop zichzelf te completeren, vanuit het mystieke geloof dat hij door goud aan te raken zelf in goud verandert, hunkert de man doorlopend naar het gezelschap van vrouwen. Het gezelschap van de minste vrouw heeft de voorkeur boven dat van hemzelf of andere mannen, die hem alleen maar herinneren aan zijn eigen afstotelijkheid. Maar vrouwen, als ze tenminste niet heel jong of heel ziek zijn, moeten worden gedwongen of omgekocht om met mannen om te gaan.

2. Het brengt de contactgestoorde man in de waan dat hij nodig is en stelt hem in staat om te pogen zijn bestaan te rechtvaardigen door gaten te graven en weer dicht te gooien. Vrije tijd is vreselijk voor een man, die dan alleen nog maar kan stilstaan bij zijn groteske ik. Hij is niet in staat tot echt contact of liefde en moet dus werken. Vrouwen snakken naar boeiende, emotioneel bevredigende, zinvolle activiteiten, maar bij gebrek aan gelegenheid of bekwaamheid daartoe doen ze liever niks en verspillen ze hun tijd naar eigen keuze — met slapen, winkelen, bowlen, biljarten, kaarten en andere spelletjes, voortplanten, lezen, wandelen, dagdromen, eten, met zichzelf spelen, pillen slikken, naar de film gaan, in analyse gaan, reizen, honden en katten houden, luieren op het strand, zwemmen, TV-kijken, naar muziek luisteren, hun huis inrichten, tuinieren, naaien, naar nachtclubs gaan, dansen, op bezoek gaan, ‘hun geest verrijken’ (cursussen volgen), en ‘cultuur’ opdoen (lezingen, toneelstukken, concerten, ‘kunstzinnige’ films). Veel vrouwen zouden dan ook, zelfs bij volledige economische gelijkheid der seksen, liever met mannen leven of met hun lijf leuren, zodat ze de tijd meestal aan zichzelf hebben, dan dat ze per dag vele uren bezig zijn met saai, afstompend, niet creatief werk voor iemand anders, en fungeren als nog minder dan dieren, als machines of op zijn best — als ze een ‘goeie’ baan kunnen krijgen — als mede-beheerder van de klerezooi. Wat vrouwen zal bevrijden van de overheersing van de man is daarom de totale afschaffing van het geld/werk-systeem, niet het verwerven van economische gelijkheid met mannen binnen dat systeem.

3. Macht en overheersing. De man is geen meester in zijn persoonlijke relaties met vrouwen, maar hij verwerft algeheel meesterschap door de manipulatie van het geld en van alle zaken en personen die door het geld overheerst worden, met andere woorden, van alles en iedereen.

4. Liefdessubstituut. De man kan geen liefde of genegenheid geven en geeft daarom geld. Dat geeft hem een moedergevoel. De moeder geeft melk; hij geeft brood. Hij is de Broodwinner.

5. Het geeft de man een doel. Hij is niet in staat om van het moment te genieten, dus hij heeft iets nodig om naar uit te zien, en geld verschaft hem een eeuwig, nooit eindigend doel: Denk je eens in wat je kunt doen met 80 biljoen dollar — Beleggen! Dan heb je over drie jaar 300 biljoen dollar!!!

6. Levert de grondslag voor de belangrijkste aanleiding voor de man om te overheersen en te manipuleren — het vaderschap.

Vaderschap en geestesziekte (angst, lafheid, bedeesdheid, nederigheid, onzekerheid, passiviteit): Moeder wil het beste voor haar kinderen; Papa wil alleen maar het beste voor Papa, geen gezeur aan zijn hoofd, toegeven aan zijn illusie van waardigheid (‘respect’), een gunstig beeld van zichzelf (status) en gelegenheid om te overheersen en te manipuleren, of, als hij een ‘verlichte’ vader is, om ‘goede raad te geven’. Zijn dochter wil hij daarenboven ook seksueel — als ze trouwt geeft hij haar hand weg; de rest is voor hem. Papa kan, in tegenstelling tot Moeder, nooit aan zijn kinderen toegeven, want hij moet koste wat het kost zijn waan van besluitvaardigheid, overwicht, altijd-gelijk-hebben en kracht ophouden. Nooit je zin krijgen leidt tot een verlies aan vertrouwen in je vermogen om de wereld aan te kunnen en tot een lijdelijk accepteren van de status quo. Moeder houdt van haar kinderen. Ze wordt soms wel boos, maar woede gaat snel over en als er al sprake van is, staat dat liefde en acceptatie niet in de weg. De emotioneel zieke Papa houdt niet van zijn kinderen; hij keurt ze goed — als ze zich ‘gedragen’, dat wil zeggen, als ze aardig zijn, ‘respectvol’, gehoorzaam, meegaand, rustig en niet geneigd tot ongepaste driftbuien die erg verstorend zouden werken op Papa’s licht geraakte mannelijk zenuwstelsel — met andere woorden, als ze passieve kas-plantjes zijn. Als ze zich niet ‘gedragen’, wordt hij niet boos — als hij tenminste een moderne, ‘beschaafde’ vader is (je kunt beter zo’n ouderwetse razende en tierende bruut hebben, die is zo belachelijk dat je al snel je respect voor hem verliest) — maar geeft hij veeleer blijk van zijn afkeuring, een gemoedstoestand die, in tegenstelling tot woede, blijvend is en acceptatie in de weg staat, zodat het kind achterblijft met een gevoel van minderwaardigheid en een levenslang ziekelijk verlangen naar bevestiging; het gevolg is angst voor onafhankelijk denken, want dat leidt tot onconventionele, afkeurenswaardige meningen en levensstijlen.

Als een kind Papa’s goedkeuring wil, moet het Papa respecteren, en aangezien Papa vullis is, kan hij zich alleen verzekeren van dat respect door zich afzijdig te houden, door afstandelijkheid, door ervan uit te gaan dat ‘vreemde ogen dwingen’, en inderdaad kan hij alleen als vreemde de welverdiende minachting ontlopen. Zijn afstandelijkheid stelt hem in staat om onbekend te blijven, mysterieus, en zo kweekt hij angst (‘respect’).

Afkeuring van emotionele ‘scčnes’ leidt tot angst voor sterke emoties, angst voor je eigen woede en haatgevoelens, en angst om de werkelijkheid onder ogen te zien, aangezien die meteen woede en haat oproept. De angst voor woede en haatgevoelens, gevoegd bij een gebrek aan vertrouwen in het eigen vermogen om de wereld aan te kunnen en te kunnen veranderen, of zelfs om naar enigszins het eigen lot te kunnen bepalen, leidt tot de dwaze overtuiging dat de wereld en de meeste mensen in die wereld leuk zijn en dat de meest banale en triviale vormen van vermaak buitengewoon veel plezier verschaffen.

Het effect van het vaderschap op mannen is met name dat ze er ‘Kerels’ van worden, dat wil zeggen, zeer afwijzend staan tegenover elke neiging tot passiviteit, nichterigheid en tegenover verlangens naar vrouwzijn. Iedere jongen wil zijn moeder nadoen, haar zijn, met haar versmelten, maar Papa verbiedt dat; hij is de moeder; hij mag met haar versmelten. Hij zegt dan ook tegen de jongen, soms met zoveel woorden, soms tussen de regels door, dat hij geen moederskindje moet zijn, dat hij zich als een ‘Man’ moet gedragen. De jongen, doodsbenauwd en vol ‘respect’ voor zijn vader, gehoorzaamt, en wordt net als Papa, dat toonbeeld van ‘Mannelijkheid’, het typisch Amerikaanse ideaalbeeld — de fatsoenlijke, heteroseksuele droogkloot.

Het effect van het vaderschap op vrouwen is dat ze er mannelijk van worden — afhankelijk, passief, huiselijk, dierlijk, aardig, onzeker, op zoek naar bevestiging en vastigheid, laf, nederig, vol ‘respect’ voor autoriteiten en mannen, gesloten, niet erg ontvankelijk, halfdood, gewoontes, saai, conventioneel, afgevlakt en volstrekt minderwaardig. Papa’s Meisje, altijd angstig en gespannen, onkoelbloedig, onanalytisch, niet objectief, waardeert Papa, en daarna ook andere mannen, tegen een achtergrond van angst (‘respect’). Ze is niet alleen niet in staat om de lege huls te zien achter die façade van afstandelijkheid, maar aanvaardt zelfs de mannelijke definitie van hemzelf als superieur, als vrouw, en van haarzelf als inferieur, als man, wat ze dankzij Papa dan ook echt is.

De toename van het vaderschap, een gevolg van de toegenomen en wijder verbreide welvaart die nodig is om het vaderschap tot bloei te brengen, heeft gezorgd voor de algehele toename van de geestelijke armoede en de neergang van de vrouwen in de Verenigde Staten einde de jaren twintig. Omdat welgesteld zijn heel vaak samengaat met vaderschap hebben in de meeste gevallen alleen de verkeerde meisjes, namelijk die uit de ‘bevoorrechte’ middenklasse, een ‘goede opleiding’ gehad.

Het effect van vaders is, kortom, dat ze de wereld met mannelijkheid hebben aangetast. De man is een soort negatieve koning Midas — alles wat hij aanraakt verandert in stront.

Onderdrukking van individualiteit, dierlijkheid (huiselijkheid en moederschap) en functionalisme: De man is slechts een samenraapsel van geconditioneerde reflexen, niet in staat tot frank en vrije respons; hij zit vast aan zijn vroege conditionering, die volledig is bepaald door zijn ervaringen in het verleden. Zijn vroegste ervaringen heeft hij opgedaan met zijn moeder en hij is zijn hele leven aan haar gebonden. Het wordt de man nooit geheel duidelijk dat hij geen deel is van zijn moeder, dat hij hij is en zij zij.

Zijn grootste behoefte is te worden geleid, beschut, beschermd en bewonderd door Mama (mannen verwachten dat vrouwen aanbidden waar mannen vol afschuw voor ineenkrimpen — zichzelf). Omdat hij alleen een lichamelijke kant heeft, hunkert hij ernaar (voorzover hij zich niet ‘in de buitenwereld’ vol overgave verzet tegen zijn passiviteit) om te zwelgen in basale dierlijke bezigheden — eten, slapen, poepen, ontspannen en door Mama getroost worden. Het passieve, leeghoofdige Papa’s Meisje, altijd uit op bevestiging, op een klopje op het hoofd, op ‘respect’ van elk stuk vullis dat langskomt, wordt eenvoudig verlaagd tot Mama, geesteloze lenigster van lichamelijke noden, troostster van lusteloze, aapachtige tronies, opkrikster van het nietige ego, bewonderaarster van de minderwaardigen: een warmwaterkruik met tieten.

Het tot dieren verlagen van de vrouwen uit het meest achtergebleven segment van de samenleving — de ‘bevoorrechte, goed opgeleide’ middenklasse, de hekkensluiters van de mensheid — waar Papa de scepter zwaait, is zo grondig aangepakt dat ze proberen uit hun bol te gaan op barensweeën en je ze midden in de twintigste eeuw, in de hoogst ontwikkelde natie ter wereld, overal ziet liggen met baby’s smakkend aan hun tieten. Het is echter niet omwille van de kinderen dat de ‘deskundigen’ tegen vrouwen zeggen dat Mama thuis moet blijven en zwelgen in dierlijkheid, maar omwille van Papa; de tiet moet Papa houvast bieden; op de barensweeën moet Papa plaatsvervangend uit zijn dak gaan (hij is half dood, dus hij reageert alleen nog maar op vreselijk sterke stimuli).

Het is om zowel psychologische als praktische redenen noodzakelijk om de vrouw te verlagen tot een dier, tot Mama, tot een man: de man is niet meer dan een lid van de soort, vervangbaar door elke andere man. Hij heeft geen diepgewortelde persoonlijkheid, die voortkomt uit wat je intrigeert, wat je boeit buiten jezelf, waar je iets mee hebt. Mannen zijn volledig in zichzelf gekeerd, kunnen alleen iets hebben met hun eigen lijf en hun lichamelijke prikkels, en verschillen dan ook alleen van elkaar in de mate waarin en de manier waarop ze zich proberen te verzetten tegen hun passiviteit en tegen hun verlangen om een vrouw te worden.

De persoonlijkheid van de vrouw, waar hij zich terdege van bewust is, maar die hij niet begrijpt en waar hij emotioneel niets mee aan kan en geen vat op krijgt, beangstigt en verontrust hem en vervult hem met afgunst. Dus hij ontkent die persoonlijkheid in haar en blijft iedereen karakteriseren in termen van zijn of haar functie of nut, waarbij hij zichzelf natuurlijk de belangrijkste functies toebedeelt — arts, president, wetenschapper — en zo zichzelf van een identiteit, maar niet van een persoonlijkheid, voorziet. Hij probeert zichzelf en vrouwen ervan te overtuigen (hij is er altijd het best in geslaagd om vrouwen te overtuigen) dat de vrouw de functie heeft om kinderen te baren en op te voeden en om te zorgen voor de ontspanning, verkwikking en verheffing van het ego van de man; dat haar functie zodanig is dat zij vervangbaar is door elke andere vrouw. In werkelijkheid heeft de vrouw de functie om met anderen om te gaan, uit haar bol te gaan, lief te hebben en zichzelf te zijn, onvervangbaar door wie dan ook; de man heeft de functie om sperma te produceren. We hebben nu spermabanken.

In werkelijkheid heeft de vrouw de functie om op onderzoek uit te gaan, te ontdekken, te bedenken, problemen op te lossen, grappen te maken, muziek te maken — allemaal met liefde. Met andere woorden, om een magische wereld te creëren.

Voorkoming van privacy: Hoewel de man, uit schaamte voor wat hij is en voor vrijwel alles wat hij doet, recht op privacy en geheimhouding eist voor alle facetten van zijn leven, heeft hij niet echt respect voor privacy. Omdat hij leeg is, en niet een compleet, op zichzelf staand wezen, omdat hij niet op zichzelf kan kicken en constant behoefte heeft aan vrouwelijk gezelschap, is er volgens hem niets mee mis om de gedachten van elke willekeurige vrouw binnen te dringen, zelfs van een volslagen vreemde, op elke plek en op elk moment. Hij reageert zelfs verontwaardigd en beledigd als hij om die reden op zijn plaats gezet wordt, en ook verbaasd — hij kan zich absoluut niet voorstellen dat iemand zelfs maar voor een minuutje de voorkeur geeft aan zichzelf boven het gezelschap van de eerste de beste engerd. Omdat hij een vrouw wil worden, streeft hij ernaar om constant onder vrouwen te verkeren, wat nog het dichtst in de buurt komt van zelf een vrouw worden. Daarom heeft hij een ‘maatschappij’ gecreëerd met het gezin als hoeksteen — een man-vrouw-paar en hun kinderen (het excuus voor het bestaan van het gezin), die zo ongeveer op elkaars lip leven en zonder scrupules inbreuk maken op de rechten, de privacy en de geestelijke gezondheid van de vrouw.

Afzondering, buitenwijken en voorkoming van gemeenschapsgevoel: Onze maatschappij is geen gemeenschap, maar hooguit een verzameling van afzonderlijke gezinseenheden. Vanuit zijn wanhopige onzekerheid en zijn angst dat zijn vrouw bij hem weg zal gaan als zij wordt blootgesteld aan andere mannen of aan alles wat maar in de verste verte op leven lijkt, probeert de man haar af te zonderen van andere mannen en van het kleine beetje beschaving dat er is, en verbant hij haar naar de buitenwijken, een verzameling in zichzelf gekeerde stellen met hun kinderen. Dankzij die afzondering kan hij proberen om zijn pretenties van individualiteit op te houden door een ‘echte individualist’ te worden, een eenling voor wie non-coöperatie en alleen zijn gelijk staan aan individualiteit.

Er is nog een reden voor de man om zich af te zonderen: elke man is een eiland. Hij is gevangen in zichzelf, emotioneel geďsoleerd, contactgestoord, en is daarom doodsbenauwd voor beschaving, mensen, steden, situaties die een vermogen tot begrip voor en omgang met mensen vereisen. Dus als een bang konijn hopt hij weg, en je ziet Papa’s kontje de rimboe in verdwijnen, naar een buitenwijk of, als het om hippies gaat — die gaat ver, Man! — helemaal tussen de koeien, waar hij ongestoord kan neuken en voortplanten en met zijn kralen en zijn fluit kan klooien.

De ‘hippie’, wiens verlangen om een ‘Man’ te zijn, een ‘echte individualist’, niet zo sterk is als dat van de gemiddelde man, en die bovendien erg opgewonden raakt van het idee dat er vele vrouwen voor hem beschikbaar zijn, rebelleert tegen de hardheid van het Kostwinnersbestaan en de sleur van de monogamie. Onder het mom van samen delen en samenwerken vormt hij een commune of een stam, die met al zijn saamhorigheid en deels ook daardoor (de commune is in feite een uitvergroot gezin en maakt daarom uitvergroot inbreuk op de rechten, de privacy en de geestelijke gezondheid van vrouwen) net zomin een gemeenschap is als de normale ‘maatschappij’.

Een echte gemeenschap bestaat uit individuen — niet slechts uit leden van de soort, niet uit stellen — die, met respect voor elkaars persoonlijkheid en privacy, geestelijk en emotioneel met elkaar omgaan — vrije geesten in een vrije relatie tot elkaar — en die met elkaar samenwerken om gezamenlijke doelen te bereiken. Traditionele lieden zeggen dat de basiseenheid van de ‘maatschappij’ het gezin is; ‘hippies’ zeggen de stam; niemand zegt het individu.

De ‘hippie’ bazelt maar door over individualiteit, maar heeft daar net zomin een voorstelling van als elke willekeurige andere man. Hij wil terug naar de Natuur, terug naar de rimboe, terug naar waar de harige beesten leven waar hij er een van is, weg van de stad, waar tenminste nog een spoortje, een eerste aanzet tot beschaving te vinden is, om te leven op het niveau van de soort en de tijd te vullen met eenvoudige, niet-intellectuele activiteiten — op het land werken, neuken, kralen rijgen. De belangrijkste activiteit van de commune, die daar ook op gebaseerd is, is serieneuken. De ‘hippie’ wordt vooral naar de commune gelokt door het vooruitzicht van volop gratis kut — het belangrijkste gedeelde goed, waar je maar om hoeft te vragen en je krijgt het, maar verblind door hebzucht is hij niet voorbereid op al die andere mannen met wie hij moet delen, of op de jaloezie en de bezitsdrang van de kutjes zelf.

Mannen kunnen niet samenwerken om een gemeenschappelijk doel te bereiken, want het doel van elke man is alle kut voor zichzelf. De commune is dan ook gedoemd te mislukken: elke ‘hippie’ zal in paniek de eerste de beste onnozele trien pakken die wat in hem ziet en haar zo snel mogelijk afvoeren naar de buitenwijken. Maatschappelijke vooruitgang is voor een man onmogelijk, hij zwalkt heen en weer tussen afzondering en serieneuken.

Conformisme: De man wil een individu zijn, maar hij is bang voor alles in hemzelf wat maar een klein beetje anders is dan bij andere mannen; dan denkt hij al gauw dat hij geen echte ‘Man’ is, dat hij passief is en uitsluitend seksueel, een hoogst verontrustend vermoeden. Als andere mannen A zijn en hij niet, kan hij geen man zijn; dan is hij een flikker. Dus hij probeert zijn ‘Mannelijkheid’ te bewijzen door net zo te zijn als alle andere mannen. Anders zijn, zowel bij andere mannen als bij hemzelf, vindt hij bedreigend; het betekent dat zij flikkers zijn die hij tot elke prijs uit de weg moet gaan, dus hij probeert ervoor te zorgen dat alle andere mannen zich conformeren.

De man durft anders te zijn in de mate waarin hij zijn passiviteit en zijn verlangen om vrouw te zijn, zijn flikkerdom, accepteert. De man die het verst gaat is de travestiet, maar hoewel hij anders is dan de meeste mannen, is hij precies hetzelfde als alle andere travestieten; net als de functionalist heeft hij een identiteit — hij is een vrouw en probeert op die manier al zijn problemen weg te definiëren — maar heeft nog steeds geen individualiteit. Hij is er niet volledig van overtuigd dat hij een vrouw is en betwijfelt ten zeerste of hij wel vrouwelijk genoeg is, dus hij conformeert zich dwangmatig aan het mannelijke stereotype van vrouwelijkheid, en uiteindelijk blijft er niets over dan een verzameling gekunstelde maniertjes.

Om zeker te weten dat hij ‘Mannelijk’ is, moet de man erop toezien dat de vrouw duidelijk ‘Vrouwelijk’ is, het tegenovergestelde van ‘Mannelijk’, dus de vrouw moet zich gedragen als een flikker. En Papa’s Meisje, bij wie al haar vrouwelijke instincten eruit geperst zijn toen ze klein was, voegt zich gemakkelijk en gedienstig in die rol.

Gezag en overheid: Omdat de man geen besef heeft van goed en kwaad, geen geweten — dat heb je alleen als je kunt meevoelen met anderen — omdat hij geen vertrouwen heeft in zijn niet-bestaande zelf, omdat hij uit noodzaak competitief is ingesteld en van nature niet in staat tot samenwerking, voelt hij een behoefde aan externe begeleiding en sturing. Daarom heeft hij gezagsdragers in het leven geroepen — priesters, deskundigen, bazen, leiders enz. — en een overheid. Hij zou willen dat de vrouw (Mama) hem begeleidde, maar kan dat feit niet accepteren (hij in tenslotte een MAN). Hij zou de Vrouw willen spelen, haar functie als Geleidster en Beschermster willen bekleden. Dus zorgt hij ervoor dat alle gezagsdragers mannen zijn.

Er is geen enkele reden waarom een maatschappij die bestaat uit redelijk denkende wezens die met elkaar kunnen meevoelen, die compleet zijn en geen natuurlijke reden hebben om met elkaar te concurreren, een overheid, wetten of leiders zou moeten hebben.

Filosofie, godsdienst en een moraal gebaseerd op seks: Het onvermogen van de man om zich in iets of iemand te verdiepen maakt zijn leven doelloos en zinloos (het ultieme mannelijke inzicht is dat het leven absurd is); daarom heeft de filosofie en de godsdienst uitgevonden. Hij is leeg, dus hij richt zich naar buiten, en zoekt daar niet alleen begeleiding en sturing, maar ook de verlossing en de zin van het leven. Omdat het geluk niet voor hem is weggelegd op deze aarde, heeft hij de Hemel uitgevonden.

Een man is niet in staat tot meevoelen met anderen en ? Hij is uitsluitend seksueel. Voor hem geldt als ‘kwaad’ seksuele ‘losbandigheid’ en deelname aan ‘afwijkende’ (‘onmannelijke’) seksuele praktijken, wat zou betekenen dat hij zich niet verzet tegen zijn passiviteit en zijn totale seksualiteit, die, als hij eraan toegeeft, de ‘beschaving’ zou vernietigen, aangezien ‘beschaving’ volledig is gebaseerd op de behoefte van de man om zich tegen deze eigenschappen te verzetten. Voor een vrouw geldt (volgens mannen) als ‘kwaad’ elk gedrag dat mannen zou overhalen tot seksuele ‘losbandigheid’ — wat zou betekenen dat ze mannelijke behoeften niet boven de hare plaatst en geen flikker is.

Godsdienst geeft mannen een doel (de Hemel) en houdt vrouwen aan mannen gebonden, maar biedt daarnaast ook rituelen waardoor de man kan proberen boete te doen voor het schuldgevoel en de schaamte die hij voelt omdat hij niet genoeg weerstand biedt aan zijn seksuele neigingen; in wezen zijn dat de schuldgevoelens en de gevoelens van schaamte over zijn manzijn.

De meeste mannen zijn zo laf dat ze hun natuurlijke zwakheden op vrouwen projecteren. Ze bestempelen die als vrouwelijke zwakheden en geloven van zichzelf dat ze vrouwelijke sterke kanten hebben; de meeste filosofen, iets minder laf, geven wel toe dat mannelijke gebreken bij mannen voorkomen, maar willen niet toegeven dat ze uitsluitend bij mannen voorkomen. Dus noemen ze de aard van de man de Aard van de Mens, presenteren hun nietigheidsprobleem, dat hen doet gruwen, als een filosofisch dilemma, waardoor hun dierlijkheid ineens gewichtig wordt, noemen hun nietigheid hoogdravend hun ‘Identiteitsprobleem’, en pruttelen dan pompeus verder over de ‘Crisis van het Individu’, de ‘Essentie van het Zijn’, ‘Existentie Voorafgaand aan Essentie’, ‘Existentiële Wijzen van Zijn’ enz., enz.

Een vrouw neemt niet alleen haar identiteit en haar individualiteit voor kennisgeving aan, maar weet instinctief dat anderen pijn doen het enige kwaad is, en dat de zin van het leven liefde is.

Vooroordelen (op grond van ras, etniciteit, godsdienst, enz): De man heeft zondebokken nodig op wie hij zijn gebreken en tekortkomingen kan projecteren en op wie hij zijn frustraties kan uitleven over het feit dat hij geen vrouw is. En de verschillende vormen van discriminatie hebben het praktische voordeel dat ze zorgen voor een aanzienlijke vergroting van de kutjesvoorraad die ter beschikking staat van de mannen aan de top.

Concurrentie, prestige, status, opleiding, onwetendheid en sociale en economische klasse: Omdat hij beheerst wordt door een verlangen naar de bewondering van vrouwen, maar geen intrinsieke waarde heeft, construeert de man een uiterst kunstmatige maatschappij die hem in staat stelt om een schijn van waarde op te houden door middel van geld, prestige, ‘hoge’ maatschappelijke status, academische titels, beroepsgebonden status en kennis, en door zoveel mogelijk andere mannen beroepsmatig, sociaal, economisch en qua opleiding naar onderen te werken.

Het doel van ‘hoger’ onderwijs is niet om te onderwijzen maar om zoveel mogelijk mensen van de diverse beroepsgroepen uit te sluiten.

De man, een en al lijfelijkheid, niet in staat tot geestelijk contact, kan kennis en ideeën wel begrijpen en gebruiken, maar is niet in staat om ze zich eigen te maken, om ze emotioneel te vatten; hij schat kennis en ideeën niet op hun intrinsieke waarde (ze zijn slechts middelen tot een doel) en voelt dientengevolge geen behoefte aan geestelijke metgezellen, geen behoefte om het intellectuele potentieel van anderen te ontginnen. Integendeel, de man heeft groot belang bij onwetendheid; daardoor hebben die paar goed onderlegde mannen een beslissende voorsprong op de niet-onderlegde mannen en bovendien weet de man dat een verlichte, bewuste vrouwelijke populatie zijn einde zal betekenen. De gezonde, arrogante vrouw verlangt het gezelschap van gelijken die ze kan respecteren en van wie ze kan genieten; de zieke, onzekere, mannelijke vrouw zonder zelfvertrouwen hunkert net als de man naar het gezelschap van wormen.

Een waarachtige maatschappelijke revolutie kan niet door mannen tot stand worden gebracht, aangezien de man aan de top de status quo wil handhaven en de man onderop alleen maar de man aan de top wil worden. De mannelijke ‘rebel’ is een farce; dit is de ‘maatschappij’ van de man, door hem gecreëerd om zijn behoeften te vervullen. Hij is nooit tevreden, want hij is niet in staat tot tevredenheid. Uiteindelijk rebelleert de mannelijke ‘rebel’ alleen tegen zijn manzijn. De man verandert alleen onder dwang van de technologie, als hij geen keus heeft, als de ‘maatschappij’ het stadium heeft bereikt waarin hij moet veranderen of verzuipen. Dat stadium hebben we nu bereikt; als vrouwen niet snel hun kont tegen de krib gooien, zouden we allemaal wel eens kunnen verzuipen.

Voorkomen van conversatie: Omdat de man volledig op zichzelf is gericht en niet in staat is om zich te verdiepen in iets buiten zichzelf, is de ‘conversatie’ van de man, als het niet over hemzelf gaat, een onpersoonlijk geneuzel dat geen enkele menselijke waarde heeft. Een ‘intellectueel gesprek’ tussen mannen is een opgefokte, dwangmatige poging om indruk te maken op vrouwen.

Papa’s Meisje, passief, aangepast, met respect en ontzag voor de man, staat hem toe om zijn vreselijk saaie geklets over haar uit te storten. Dat is niet zo heel moeilijk voor haar, omdat de stress, de angst, het gebrek aan zelfvertrouwen en de onzekerheid over haar eigen gevoelens die Papa haar heeft bijgebracht, ervoor zorgen dat ze oppervlakkig waarneemt en niet inziet dat het geleuter van de man geleuter is; net als de estheticus die zijn ‘waardering’ uitspreekt voor de zeepbel Kunst met een grote K, denkt ze dat ze kickt op iets wat haar stierlijk verveelt. Ze staat niet alleen toe dat hij met zijn geleuter de boventoon voert, ze past haar eigen ‘conversatie’ eraan aan.

Ze heeft van kinds af aan geleerd om aardig, beleefd en ‘waardig’ te zijn, om toe te geven aan de behoefte van de man om zijn dierlijkheid te verbergen. Dus ze beperkt haar ‘gespreksstof’ braaf tot kletspraatjes, een saai, zouteloos vermijden van onderwerpen die verder gaan dan banaliteiten. Als ze is ‘opgeleid’ voor ‘intellectuele’ gesprekken, dat wil zeggen onpersoonlijke vertogen over irrelevante abstracties, kunnen ook het Bruto Nationaal Product, de Europese Unie of de invloed van Rimbaud op de symbolistische schilderkunst op haar repertoire staan. Ze is zo goed in het voldoen aan zijn verwachtingen dat het uiteindelijk haar tweede natuur is geworden en dat ze zelfs met mannen slijmt als haar gezelschap uitsluitend uit vrouwen bestaat.

Afgezien van dit geslijm, is haar ‘gespreksstof’ verder beperkt omdat ze geen afwijkende, originele meningen durft te verkondigen en ze door die onzekerheid in zichzelf gekeerd blijft, hetgeen haar ervan weerhoudt om een charmante gesprekspartner te zijn. Vriendelijkheid, beleefdheid, ‘waardigheid’, onzekerheid en egocentrisme dragen nauwelijks bij aan diepgang en gevatheid, kwaliteiten die een conversatie moet hebben om die naam waardig te zijn. Echte conversaties zijn zeldzaam, aangezien alleen zelfverzekerde, arrogante, extraverte, trotse, praktisch ingestelde vrouwen in staat zijn tot diepgaande, kattige, gevatte gesprekken.

Voorkomen van vriendschap (liefde): Mannen minachten zichzelf en alle andere mannen aan wie ze meer dan een oppervlakkige gedachte wijden en die ze niet als vrouwen beschouwen (bijvoorbeeld ‘meelevende’ psychiaters en ‘Grote Kunstenaars’) of als woordvoerders van God, en verder alle vrouwen die hen respecteren en hun ter wille zijn; de onzekere, behaagzieke, meegaande mannelijke vrouwen minachten zichzelf en alle vrouwen die zijn zoals zij; de zelfverzekerde, swingende, avontuurlijke vrouwelijke vrouwen minachten mannen en de slijmerige mannelijke vrouwen. Kortom, minachting is aan de orde van de dag.

Liefde is niet gelijk aan afhankelijkheid of aan seks, naar aan vriendschap, en daarom kan liefde niet bestaan tussen twee mannen, tussen een man en een vrouw, of tussen twee vrouwen, als een van beiden (of allebei) onbenullig, onzeker, slaafs en mannelijk is; liefde is, net als een echte conversatie, alleen mogelijk tussen twee zelfverzekerde, eigenzinnige, onafhankelijke, toffe vrouwelijke vrouwen, aangezien vriendschap is gebaseerd op respect, niet op minachting.

Zelfs onder vrouwen die oké zijn komen diepgaande vriendschappen zelden voor als ze eenmaal volwassen zijn, omdat ze bijna allemaal hetzij gebonden zijn aan mannen om het economisch te kunnen redden, hetzij met veel moeite hun eigen weg door de jungle moeten hakken en moeten proberen om met hun hoofd boven de vormeloze massa uit te blijven steken. Liefde kan niet bloeien in een maatschappij die gebaseerd is op geld en zinloos werk; liefde vereist volledige economische en persoonlijke vrijheid, en verder vrije tijd en de gelegenheid om je bezig te houden met boeiende en emotioneel bevredigende activiteiten die, als je ze deelt met mensen die je respecteert, tot diepgaande vriendschappen leiden. Onze ‘maatschappij’ biedt nauwelijks mogelijkheden tot dergelijke activiteiten. Nadat hij de wereld heeft ontdaan van conversatie, vriendschap en liefde, biedt de man ons de volgende onbeduidende alternatieven:

‘Kunst met een grote K’ en ‘Cultuur’:De mannelijke kunstenaar zoekt de oplossing voor het dilemma dat hij niet in staat is om te leven en dat hij geen vrouw is, in de constructie van een uiterst gekunstelde wereld waarin de man als held wordt voorgesteld, dat wil zeggen, vrouwelijke eigenschappen vertoont, en waarin de vrouw alleen figureert in zeer beperkte, oninteressante, ondergeschikte rollen, namelijk alleen nog maar als man.

Het mannelijke ‘kunstzinnige’ doel is niet om te communiceren (hij heeft niets in zich, dus hij heeft niets te melden), maar om zijn dierlijkheid te verbergen. Daarom neemt hij zijn toevlucht tot symboliek en vaagheid (‘Diep, hč?’). De overgrote meerderheid van de mensen, vooral de ‘goed opgeleiden’, hebben geen vertrouwen in hun eigen oordeel, stellen zich nederig op en zijn autoriteitsgevoelig (‘Papa weet het beter’ wordt in volwassenentaal ‘de criticus weet het beter’, ‘de schrijver weet het beter’, ‘de doctor weet het beter’). Ze laten zich gemakkelijk wijsmaken dat vaagheid, eromheen draaien, onbegrijpelijkheid, indirectheid, dubbelzinnigheid en saaiheid tekenen zijn van diepgang en genialiteit.

‘Kunst met een grote K’ bewijst dat mannen superieur zijn aan vrouwen, dat mannen vrouwen zijn. Die Kunst is, zoals anti-feministen ons maar al te graag in herinnering brengen, voor het overgrote deel gemaakt door mannen. We weten dat het om Kunst met een grote K gaat omdat mannelijke gezagsdragers dat zeggen, en we kunnen daar niets tegen inbrengen, want alleen mensen met een gevoel voor verfijndheid dat ver boven het onze uitstijgt kunnen die grootheid waarnemen en waarderen. Het bewijs van hun superieure gevoeligheid is dat ze waardering hebben voor de rotzooi waar ze waardering voor hebben.  Waardering is de enige afleiding van de ‘liefhebbers van kunst en cultuur’; omdat ze passief en incompetent zijn en het hun ontbreekt aan verbeelding en gevatheid, moeten ze het daarmee doen; omdat ze niet in staat om voor hun eigen afleiding te zorgen, om hun eigen wereldje te creëren, om ook maar de minste invloed op hun omgeving uit te oefenen, moeten ze accepteren wat er is; omdat ze niet creatief zijn of open staan, moeten ze toeschouwer zijn. Je in ‘cultuur’ verdiepen is een wanhopige, verbeten poging om uit je bol te gaan in een saaie wereld, om te ontsnappen aan de gruwel van een steriel, geestloos bestaan. ‘Cultuur’ dient als een zoethoudertje voor de ego’s van de incompetenten, waarmee ze hun passieve toeschouwersstatus goedpraten; ze kunnen prat gaan op hun vermogen om ‘verfijnde’ zaken te waarderen, om een juweel te zien terwijl er alleen een drol ligt (ze willen bewonderd worden om hun bewondering). Ze hebben er geen vertrouwen in dat ze iets kunnen veranderen en leggen zich neer bij de status quo. Daarom moeten ze wel iets mooie in drollen zien, want ze verwachten niet dat ze ooit nog iets anders dan drollen voorgeschoteld zullen krijgen.

De aanbidding van ‘Kunst’ en ‘Cultuur’ leidt er niet alleen toe dat veel vrouwen zich met saaie, passieve activiteiten bezighouden die hen afleiden van belangrijker en meer voldoening schenkende activiteiten en van het ontplooien van actieve vermogens, maar leidt er ook toe dat we constant worden lastiggevallen met pompeuze studies over de diepe schoonheid van deze of gene drol. Daardoor kan de ‘kunstenaar’ de reputatie krijgen iemand te zijn die beschikt over superieure gevoelens, waarnemingen, inzichten en oordelen, wat ondermijnend werkt op het vertrouwen van onzekere vrouwen in de waarde en de validiteit van hun eigen gevoelens, waarnemingen, inzichten en oordelen.

De man, met zijn zeer beperkte repertoire aan gevoelens en, dientengevolge, zeer beperkte waarnemingen, inzichten en oordelen, heeft de ‘kunstenaar’ nodig om hem te vertellen waar het in het leven om gaat. Maar omdat de mannelijke ‘kunstenaar’ een uitsluitend seksueel wezen is dat zich geen raad weet met iets wat zijn eigen lichamelijke prikkels te buiten gaat, en niets te melden heeft dat verder gaat dan het inzicht dat het leven voor de man zinloos en absurd is, kan hij geen kunstenaar zijn. Hoe kan iemand die niet in staat is tot leven ons vertellen waar het in het leven om gaat? Een ‘mannelijke kunstenaar’ is een contradictio in terminis. Een ontaarde kan alleen maar ontaarde ‘kunst’ maken. De ware kunstenaar is elke zelfverzekerde, gezonde vrouw, en in een vrouwelijke maatschappij zal de enige Kunst, de enige Cultuur, bestaan uit verwaande, verknipte, toffe vrouwen die kicken op elkaar en op alles wat het universum biedt.

Seksualiteit: Seks is niet een onderdeel van een relatie; integendeel, het is een solitaire ervaring, niet-creatief, een enorme tijdverspilling. De vrouw kan heel gemakkelijk — veel gemakkelijker dan ze misschien denkt — haar seksuele driften wegconditioneren. Dan kan ze zich volkomen beheerst en verstandelijk wijden aan echt waardevolle relaties en activiteiten; maar de man, die seksueel op vrouwen schijnt te vallen en ze constant probeert op te winden, stimuleert de oversekste vrouw tot vlagen van wellust, waardoor ze een seks-complex krijgt waar maar weinig vrouwen ooit uit weten te ontsnappen. De geile man windt de wellustige vrouw op; hij moet wel — als de vrouw boven haar lichaam uitstijgt, zich verheft boven het dierlijke, zal de man, wiens ego gelijk staat aan zijn pik, verdwijnen.

Seks is de toevlucht van de geestloze. Hoe geestlozer een vrouw is, hoe dieper ze verankerd is in de mannelijke ‘cultuur’; kortom, hoe aardiger een vrouw is, hoe seksueler ze is. De aardigste vrouwen in onze ‘maatschappij’ zijn je reinste seksmaniakken. Maar omdat ze zo ontzettend, vreselijk aardig zijn, verlagen ze zich natuurlijk niet tot neuken — dat is ongepast — in plaats daarvan bedrijven ze de liefde, komen ze tot lichamelijke intimiteiten of bouwen ze een zinnelijke band met iemand op; literaire types horen Eros in zich bonzen en hebben deel aan het universum; religieuze types hebben spirituele gemeenschap met de Goddelijke Sensualiteit; mystici smelten samen met het Erotisch Principe en worden één met de Kosmos, en trippers leggen contact met hun erotische cellen.

Aan de andere kant zijn de vrouwen die het minst in de mannelijke ‘Cultuur’ verankerd zijn, de onaardigsten, de botte en simpele zielen die neuken gewoon als neuken zien, die te kinderlijk zijn voor de grote-mensenwereld van buitenwijken, hypotheken, vaat-kwasten en poepluiers, te egoďstisch om kinderen en echtgenoten groot te brengen, te onbeschaafd om er ook maar ene moer om te geven wat anderen van hen denken, te arrogant om respect op te brengen voor Papa, de ‘Groten der Aarde’ of de diepe Wijsheid van de Klassieken, die alleen vertrouwen op hun dierlijke, primitieve instincten, die Cultuur gelijkstellen aan lekkere wijven, voor wie het najagen van emotionele kicks en spanning de enige afleiding is, die walgelijke, gemene, choquerende ‘scčnes’ schoppen, de haatdragende, gewelddadige takkewijven die geneigd zijn degenen die hen te veel irriteren op hun bek te slaan, die, als ze dachten dat dat ongestraft kon, net zo lief een mes in een man zijn borst steken of een ijspriem in zijn reet rammen als naar hem kijken, kortom, diegenen die volgens de normen van onze ‘cultuur’ TUIG zijn...die vrouwen zijn beheerst en betrekkelijk verstandelijk en toch niet aseksueel.

Ongehinderd door fatsoen, vriendelijkheid, discretie, de publieke opinie, de ‘moraal’, het ‘respect’ van klootzakken, altijd flitsend, doet het smerige, minderwaardige TUIG de ronde... en nog eens en nog eens... ze hebben de hele show gezien — elk onderdeel — de neukers, de pijpers, de potten – ze hebben de hele baan afgetippeld, in elke hoek gekeken — de pik-hoek, de kut-hoek... je moet door een hoop seks heen om bij anti-seks te komen, en TUIG heeft het allemaal doorgemaakt, en nu zijn ze klaar voor een nieuwe show; ze willen uit de hoeken tevoorschijn kruipen, in beweging komen, van start gaan, uitzwermen. Maar TUIG voert nog niet de boventoon; TUIG bevindt zich nog steeds in de goot van onze ‘maatschappij’, die, als hij niet van zijn huidige koers afwijkt en als de Bom niet valt, zichzelf dood zal bonken.

Verveling: Het leven in een ‘maatschappij’ gemaakt door en voor wezens die, als ze niet bruut en deprimerend zijn, oersaai zijn, kan, als het niet bruut en deprimerend is, alleen maar oersaai zijn.

Geheimzinnigheid, censuur, onderdrukking van kennis en ideeën, en onthullingen: De diepgewortelde, geheime, meest vreselijke angst van iedere man is de angst om ontmaskerd te worden, niet als vrouw, maar als man, een sub-humaan dier. Hoewel vriendelijkheid, beleefdheid en ‘waardigheid’ voldoen om het gevaar van persoonlijke ontmaskering te bezweren, moet de man om de ontmaskering van de mannelijke sekse als geheel te voorkomen en zijn onnatuurlijke, dominante positie in de ‘maatschappij’ te behouden, zijn toevlucht nemen tot:

1. Censuur. In een soort reflexreactie op losse woorden en frasen in plaats van een verstandelijke reactie op betekenissen, probeert de man uitlokking en onthulling van zijn dierlijkheid te voorkomen door censuur uit te oefenen, niet alleen op ‘pornografie’ maar op elk werk dat ‘vieze’ woorden bevat, ongeacht de context waarin ze gebruikt worden.

2. Onderdrukking van alle ideeën en kennis die hem zouden kunnen ontmaskeren of zijn dominante positie in de ‘maatschappij’ zouden kunnen bedreigen. Veel gegevens uit de biologie en psychologie worden achtergehouden omdat ze aantonen dat de man veruit inferieur is aan de vrouw. Ook het probleem van geestesziekten zal nooit worden opgelost zolang de man de touwtjes in handen heeft, op de eerste plaats omdat mannen er belang bij hebben alleen vrouwen aan wie een flinke steek los is geven mannen de touwtjes in handen — en op de tweede plaats kunnen mannen niet toegeven dat vaderschap een rol speelt in het veroorzaken van geestesziekten.

3. Onthullingen. De grootste bron van genot in een mannenleven — voorzover de opgefokte, norse man ooit ergens genot in kan scheppen — is het ontmaskeren van anderen. Het maakt niet uit als wat ze worden ontmaskerd, als ze maar ontmaskerd worden; dat leidt de aandacht af van hemzelf. Anderen ontmaskeren als agenten van de vijand (Communisten en Socialisten) is een van zijn favoriete bezigheden, omdat het de bron waar de dreiging voor hem van uitgaat niet alleen van hemzelf wegneemt, maar ook van het land en van de westerse wereld. Zijn complexen komen niet uit hemzelf, maar uit Rusland.

Wantrouwen: Omdat de man niet in staat is tot meevoelen of tot genegenheid of trouw en uitsluitend aan zichzelf denkt, heeft hij geen besef van eerlijkheid; hij is laf, moet constant de vrouw de hielen likken om bij haar in de gunst te komen, waar hij niet buiten kan, is altijd bang dat zijn dierlijkheid, zijn mannelijkheid wordt ontdekt, heeft altijd iets te verbergen, en moet daarom altijd liegen; 2 Hij is leeg, dus hij heeft geen eergevoel of integriteit — hij weet niet wat die woorden betekenen. De man is, kortom, onbetrouwbaar en de enige juiste instelling in een mannelijke ‘maatschappij’ is er een van cynisme en wantrouwen.

Lelijkheid: Omdat de man een en al seksualiteit is, niet in staat tot enige verstandelijke of esthetische respons, volkomen materialistisch en inhalig, heeft hij niet alleen ‘Kunst met een grote K’ op de wereld losgelaten, maar heeft hij ook de landschaploze steden gedecoreerd met lelijke gebouwen (zowel van binnen als van buiten), lelijke inrichtingen, lelijke billboards, snelwegen, auto’s, vuilniswagens en, het ergste van alles, zijn eigen weerzinwekkende persoon.

Haat en geweld: De man wordt verteerd door spanning, door frustratie over het feit dat hij geen vrouw is, dat hij nooit enige bevrediging of enig plezier zal kunnen ervaren; verteerd door haat — geen rationele haat, gericht tegen mensen die misbruik van je maken of je beledigen — maar irrationele, ongerichte haat... haat die uiteindelijk tegen zijn waardeloze ik is gericht.

Nodeloos geweld moet niet alleen ‘bewijzen’ dat hij een ‘Man’ is, maar dient ook als uitlaatklep voor zijn haat en geeft hem bovendien — de man is immers slechts tot seksuele reacties in staat en heeft heel sterke stimuli nodig om zijn halfdode ik te stimuleren — een klein beetje seksuele opwinding.

Ziekte en dood: Alle ziekten zijn geneeslijk, en veroudering en de dood zijn het gevolg van ziekte; het is dan ook mogelijk om nooit oud te worden en eeuwig te leven. Veroudering en dood zouden in feite binnen enige jaren achter ons kunnen liggen, als de wetenschap zich met volle energie en vereende krachten op dit probleem zou storten. Dit zal echter niet gebeuren binnen de mannelijke gevestigde orde, vanwege:

1. De vele mannelijke wetenschappers die zich niet wagen aan biologisch onderzoek, omdat ze als de dood zijn voor de ontdekking dat mannen vrouwen zijn, en die een duidelijke voorkeur tonen voor viriele, ‘mannelijke’ projecten op het gebied van oorlog en dood.

2. De vele potentiële wetenschappers die worden afgehouden van een wetenschappelijke loopbaan door de rigiditeit, saaiheid, kostbaarheid, tijdrovendheid en oneerlijke exclusiviteit van ons ‘hoger’ onderwijs.

3. Propaganda die wordt verspreid door onzekere mannen met goede banen, die angstvallig over hun posities waken, zodat slechts een zeer select groepje de abstracte wetenschappelijke begrippen kan doorgronden.

4. Wijdverbreid gebrek aan zelfvertrouwen dat voortkomt uit het vader-systeem dat veel begaafde meisjes ervan weerhoudt om wetenschapper te worden.

5. Gebrek aan automatisering. Er is nu een schat aan gegevens beschikbaar die, na geordend en met elkaar in verband gebracht te zijn, een geneeswijze zouden opleveren voor kanker en verscheidene andere ziekten en die wellicht het raadsel van het leven zouden oplossen. Maar er is zo’n massa aan gegevens dat er snelle computers nodig zijn om alles te controleren. De invoering van computers zal tot in het oneindige worden uitgesteld zolang de man het voor het zeggen heeft, omdat de man het vreselijk zou vinden om door machines te worden vervangen.

6. De onverzadigbare behoefte van het geldsysteem aan nieuwe producten. De meeste van de weinige wetenschappers die niet aan vernietigingsprojecten werken, doen onderzoek voor ondernemingen.

7. De man houdt van de dood — die windt hem seksueel op en, aangezien hij van binnen al dood is, wil hij sterven.

8. De bevoordeling door het geldsysteem van de minst creatieve wetenschappers. De meeste wetenschappers komen uit op zijn minst tamelijk welgestelde gezinnen waar Paps de scepter zwaait.

De man is niet in staat om een positieve gelukstoestand te bereiken, het enige waarmee je je bestaan kunt rechtvaardigen, dus hij is op zijn best ontspannen, op zijn gemak, neutraal, en deze toestand duurt maar heel kort, omdat al snel de verveling, een negatieve toestand, de kop opsteekt; hij is daarom veroordeeld tot een lijdend bestaan dat alleen van tijd tot tijd wordt verlicht door kortstondige perioden van rust, een staat die hij alleen kan bereiken ten koste van de een of andere vrouw. De man is van nature een bloedzuiger, een emotionele parasiet, en om die reden heeft hij ethisch geen recht op leven, aangezien niemand het recht heeft om ten koste van een ander te leven.

Net als mensen meer bestaansrecht hebben dan honden omdat ze hoger in de evolutie staan en een hoger bewustzijn hebben, hebben vrouwen ook meer bestaansrecht dan mannen. De eliminatie van elke willekeurige man is dan ook een rechtvaardige en goede daad, een daad die vrouwen zeer ten goede komt en tevens een daad van barmhartigheid.

Dit morele discussiepunt zal uiteindelijk echter puur academisch worden doordat de man zichzelf langzaam maar zeker uitroeit. Naast hun deelname aan de aloude, klassieke oorlogen en rassenrellen, worden mannen steeds vaker flikker of richten ze zichzelf te gronde met drugs. Of de vrouw wil of niet, uiteindelijk zal ze de leiding helemaal overnemen, al is het alleen maar omdat ze wel moet — de man zal dan feitelijk niet meer bestaan.

Deze trend wordt nog versneld door het feit dat steeds meer mannen aan verlicht eigenbelang doen; ze beseffen steeds vaker dat het belang van de vrouw ook hun belang is, dat ze alleen kunnen leven door de vrouw en dat hoe meer de vrouw gestimuleerd wordt om te leven, om zichzelf te ontplooien, om een vrouw te zijn en geen man, hoe meer hij bijna leeft; hij komt tot het inzicht dat het eenvoudiger en bevredigender is om door haar te leven dan om te proberen haar te worden en zich haar kwaliteiten toe te eigenen, die te presenteren als de zijne, de vrouw te kleineren en te stellen dat ze een man is. De flikker, die zijn mannelijkheid, dat wil zeggen zijn passiviteit en zijn uitsluitend seksueel zijn, zijn verwijfdheid, accepteert, is er ook het best bij gebaat als vrouwen echte vrouwen zijn, want dan wordt het gemakkelijker voor hem om mannelijk, verwijfd te zijn. Als mannen slim waren, zouden ze proberen om echte vrouwen te worden, zouden ze intensief biologisch onderzoek doen dat ertoe zou leiden dat mannen door operaties aan de hersenen en het zenuwstelsel in staat gesteld zouden worden om zowel geestelijk als lichamelijk tot vrouwen te transformeren.

Of we vrouwen moeten blijven gebruiken voor de voortplanting of dat voortplanting in laboratoria moet plaatsvinden, wordt ook een academische vraag: wat gebeurt er als het normaal wordt dat elke vrouw (twaalf jaar of ouder) de pil inneemt en als zich geen ongelukjes meer voordoen? Hoeveel vrouwen zullen er dan nog opzettelijk zwanger worden of (bij een ongelukje) bleven? Nee, Virginia, vrouwen vinden het helemaal niet enig om fokmerries te zijn, wat de meeste gehersenspoelde robot-vrouwen daar ook over mogen beweren. In een maatschappij waar iedereen volledig bewust is, zal het antwoord luiden: geen enkele. Moet er een bepaald percentage vrouwen onder dwang gereserveerd worden om als fokmerrie te dienen voor de soort? Dat kan natuurlijk niet. Het alternatief is baby’s produceren in een laboratorium.

Wat betreft de vraag of we al dan niet moeten doorgaan met het voortplanten van mannen: uit het feit dat de man, net als allerlei ziekten, altijd bestaan heeft, volgt niet automatisch dat hij zou moeten bleven bestaan. Als genetische manipulatie mogelijk is — en dat zal spoedig het geval zijn — spreekt het vanzelf dat we alleen volmaakte, complete wezens produceren en geen lichamelijke gebreken of emotionele en andere stoornissen, zoals mannelijkheid. De opzettelijke productie van blinden zou uiterst immoreel zijn en hetzelfde geldt voor de opzettelijke productie van emotioneel gestoorden.

Waarom zouden we eigenlijk vrouwen produceren? Waarom moeten er nieuwe generaties komen? Wat heeft dat voor zin? Op het moment dat veroudering en dood tot het verleden behoren, hoeven we ons toch niet meer voort te planten? Wat kan het ons schelen wat er gebeurt als we dood zijn? Wat kan het ons schelen dat er geen nieuwe generatie is om ons op te volgen?

Uiteindelijk zal het natuurlijke verloop der gebeurtenissen, der sociale evolutie, leiden tot de totale overheersing van de wereld door de vrouw en vervolgens tot de beëindiging van de productie van mannen en, uiteindelijk, tot de beëindiging van de productie van vrouwen.

Maar TUIG is ongeduldig; TUIG laat zich niet troosten met de gedachte dat toekomstige generaties zullen bloeien; TUIG wil ook een graantje meepikken van het spannende leven. En als een grote meerderheid van de vrouwen TUIG waren, konden ze het binnen een paar weken volledig voor het zeggen hebben in dit land, door zich eenvoudigweg uit de arbeidsmarkt terug te trekken en zo de hele natie lam te leggen. Er zijn ook aanvullende maatregelen te bedenken, die elk op zichzelf al voldoende zijn om de economie en wat dies meer zij volledig te ontwrichten: vrouwen plaatsen zich buiten het geld-systeem, ze stoppen met kopen en plunderen gewoon en weigeren eenvoudigweg om wetten na te leven die ze niet willen naleven. De politie, de marechaussee, de landmacht, de marine en de mariniers zouden met zijn allen niet in staat zijn om een opstand te onderdrukken van meer dan de helft van de bevolking, vooral als die bestaat uit mensen zonder wie ze volkomen hulpeloos zijn.

Als alle vrouwen gewoon bij mannen weggingen, weigerden om ooit nog iets met een man te maken te hebben, zouden de overheid en de nationale economie volledig instorten. Zelfs zonder bij mannen weg te gaan kunnen vrouwen die zich bewust zijn van de mate van hun superioriteit aan en macht over mannen, binnen een paar weken alle touwtjes in handen krijgen, de totale onderwerping van mannen aan vrouwen bewerkstelligen. In een gezonde maatschappij zou de man gehoorzaam achter de vrouw aan draven. De man is onderdanig en gemakkelijk te leiden, gemakkelijk te onderwerpen aan de dominantie van elke vrouw die hem wil domineren. De man wil eigenlijk niets liever dan door vrouwen geleid worden, wil dat Mama de baas is, wil zich aan haar zorg overgeven. Maar dit is geen gezonde maatschappij en de meeste vrouwen weten in de verste verte niet wat hun positie ten opzichte van de man is.

Het conflict gaat dan ook niet tussen vrouwen en mannen, maar tussen TUIG — dominante, onbevreesde, zelfverzekerde, gemene, gewelddadige, egoďstische, onafhankelijke, trotse, avontuurlijke, vrijmoedige, arrogante vrouwen, die zichzelf geschikt achten om het universum te regeren, die naar de grenzen van deze ‘maatschappij’ zijn gerold en graag door willen rollen naar iets wat veel verder ligt dan wat die maatschappij te bieden heeft — en aardige, passieve, tolerante, ‘cultuurminnende’, beleefde, waardige, bedeesde, afhankelijke, angstige, geestloze, onzekere, bevestiging zoekende Papa’s Meisjes, die geen raad weten met het onbekende, die zich willen blijven wentelen in het riool dat ze tenminste kennen, die willen achterblijven bij de apen, die zich alleen zeker voelen met hun Grote Papa in de buurt, met een grote sterke man naast hen en met een pafferig, harig gezicht in het Witte Huis, die te laf zijn om de vreselijke waarheid onder ogen te zien over de ware aard van de man, van Papa, die zich scharen bij de zwijnen, die zich aan het dierlijk leven hebben aangepast, zich daar enigszins op hun gemak bij voelen en geen andere manier van ‘leven’ kennen, die hun geest, hun gedachten en hun doelen naar het mannelijk niveau hebben verlaagd, die, bij gebrek aan verstand, fantasie en gevatheid alleen van waarde kunnen zijn in een mannelijke ‘maatschappij’, die slechts een plaatsje kunnen krijgen onder de zon, of liever gezegd in de smurrie, als trooststers, ego-opkriksters, ontspansters en baarsters, die als onbeduidend worden afgedaan door andere vrouwen, die hun tekortkomingen, hun mannelijkheid, op alle vrouwen projecteren en die de vrouw als worm zien.

Maar TUIG is te ongeduldig om te wachten tot er miljoenen klootzakken onthersenspoeld zijn. Waarom zouden de flitsende vrouwen maar blijven voortploeteren met de saaie mannelijke vrouwen. Waarom zouden de vlotten hun lot verbinden aan dat van de engerds? Waarom zouden de actieven en fantasierijken overleg plegen met de passieven en de saaien over sociaal beleid? Waarom zouden de onafhankelijken zich in het riool laten opsluiten, samen met de afhankelijken die maar aan Papa blijven hangen?

Een handjevol TUIG kan binnen een jaar het land overnemen door het systeem systematisch te verzieken, op selectieve wijze eigendommen te vernietigen en door moord:

TUIG gaat de tegenwerkende klasse vormen, het verziek-personeel; ze krijgen allerlei banen en werken tegen. TUIG-verkoopsters zullen bijvoorbeeld geen geld vragen voor koopwaar; TUIG-telefoonbeambten rekenen niets voor gesprekken; TUIG-medewerksters in kantoren en fabrieken zullen niet alleen tegenwerken, maar ook in het geheim apparatuur vernielen. TUIG zal tegenwerken tot er ontslag op volgt en dan een nieuwe werkkring zoeken om in tegen te werken.

TUIG zal buschauffeurs, taxichauffeurs en metro-muntenverkopers onder dwang hun baan afnemen en zelf de bussen en taxi’s laten rijden en de metro-munten uitdelen aan het publiek.

TUIG zal alle nutteloze en gevaarlijke objecten vernielen — auto’s, etalages, ‘Kunst met een grote K’, enz.

Uiteindelijk zal TUIG de ether overnemen — radio- en TV-stations — door onder dwang alle radio- en TV-medewerkers van hun baan af te helpen die het binnengaan van TUIG in de opnamestudio’s willen verhinderen.

TUIG gaat paartjes-rammen — gemengde (man-vrouw)paren aanvliegen, waar dan ook, en ze in elkaar rammen.

TUIG zal alle mannen vermoorden die niet bij de Mannenafdeling van TUIG horen. De Mannenafdeling bestaat uit mannen die zich nijver inzetten voor hun eigen uitroeiing, mannen die, ongeacht hun motieven, goede werken doen, mannen die het spelletje met TUIG meespelen. Mannen in de Mannenafdeling zijn bijvoorbeeld: mannen die mannen doden; biologen die aan constructieve projecten werken, niet aan biologische oorlogsvoering; journalisten, schrijvers, redacteuren, uitgevers en producenten die ideeën verspreiden en propageren die zullen leiden tot het bereiken van de doelen van TUIG; flikkers die, door hun schitterend, lichtend voorbeeld, andere mannen aanmoedigen om zichzelf te ont-mannen en zichzelf zo betrekkelijk onschadelijk te maken; mannen die consequent dingen weggeven — geld, goederen, diensten; mannen die zeggen waar het op staat (dat heeft er tot nu toe nog nooit een gedaan), die vrouwen op het rechte pad brengen, die de waarheid over zichzelf onthullen, die de geestloze mannelijke vrouwen correcte boodschappen influisteren om na te zeggen, die hun vertellen dat het belangrijkste levensdoel voor vrouwen is om de mannelijke sekse te verpletteren (om mensen te helpen bij deze inspanning zal TUIG Zak-Sessies houden, waar elke aanwezige man een speech zal houden die begint met: ‘Ik ben een zak, een inferieure, verachtelijke zak,’ waarna hij alle redenen opsomt waarom hij dat is. Als beloning zal hij na de sessie in de gelegenheid gesteld worden om zich een heel uur lang met het aanwezige TUIG in te laten. Aardige, rechtschapen mannelijke vrouwen zullen bij deze sessies worden uitgenodigd om twijfels en misverstanden weg te nemen die ze wellicht aangaande de mannelijke sekse hebben); de makers en voorstanders van seksboekjes en -films, enz., die de dag snel naderbij brengen waarop er alleen nog maar Pijpen en Wippen op het scherm te zien zal zijn (mannen zullen net als de ratten bij de Rattenvanger van Hamelen door Kutje naar hun ondergang worden gelokt, ze zullen worden overrompeld en ondergedompeld door en uiteindelijk verdrinken in het passieve vlees dat ze zijn); drugsdealers en aanhangers van drugsgebruik, die de ondergang van mannen helpen bespoedigen.

Deel uitmaken van de Mannenafdeling is een noodzakelijke maar niet-voldoende voorwaarde om op de ontsnappingslijst van TUIG terecht te komen; het goede doen is niet genoeg; om hun waardeloze lijf te redden moeten mannen ook het kwaad vermijden. Voorbeelden van de ergste en schadelijkste types zijn: verkrachters, politici en iedereen die hen bijstaat (campagnemedewerkers, leden van politieke partijen, enz.); slechte zangers en musici; President-Commissarissen; Kostwinners; huiseigenaren; eigenaren van goedkope eettenten en restaurants waar muzak gedraaid wordt; ‘Grote Kunstenaars’; helers en flessentrekkers; politieagenten; magnaten; wetenschappers die werken aan dood en verderf of voor het bedrijfsleven (bijna alle wetenschappers); leugenaars en bedriegers; disc-jockeys; mannen die zich op wat voor manier dan ook opdringen aan willekeurig welke vreemde vrouw; makelaars; effecten-makelaars; mannen die praten terwijl ze niks te zeggen hebben; mannen die doelloos op straat rondhangen en het uitzicht verpesten met hun aanwezigheid; oplichters; gladde praters; viespeuken; vervalsers; mannen die willekeurig welke vrouw ook maar de geringste last bezorgen; alle mannen in de reclamewereld; psychiaters en klinisch psychologen; oneerlijke schrijvers, journalisten, redacteuren, uitgevers enz.; censors op openbaar en particulier terrein; alle leden van de krijgsmacht, inclusief dienstplichtigen (LBJ en McNamara geven de bevelen, maar de soldaten voeren ze uit) en met name piloten (als de bom valt, laat LBJ hem niet vallen; dat doet een piloot). Als het gedrag van een man zowel in de goede als in de slechte categorie valt, zal er een subjectieve algemene beoordeling van hem gemaakt worden om te bepalen of zijn gedrag alles bij elkaar genomen goed of slecht is.

Het is heel verleidelijk om de ‘Grote Kunstenaressen’, leugenaarsters en bedriegsters enz. samen met de mannen af te schieten, maar dat zou onverstandig zijn, omdat het dan voor het grootste deel van het publiek niet duidelijk zou zijn dat de gedode vrouw een man was. Alle vrouwen hebben iets onderkruiperigs in zich, in meer of mindere mate, maar dat komt omdat ze hun hele leven tussen mannen hebben verkeerd. Roei de mannen uit, dan draaien de vrouwen wel bij. Vrouwen zijn voor verbetering vatbaar; mannen niet, al geldt dat wel voor hun gedrag. Als TUIG hen goed achter de broek zit, draait dat snel bij.

Tegelijk met het verzieken, plunderen, paartjes-rammen, vernielen en doden, zal TUIG gaan werven. TUIG zal dan ook bestaan uit ledenwervers; uit het elitecorps — de harde kern van activistes (de verziekers, plunderaars en vernielers) en de elite van de elite — de moordenaars.

Je terugtrekken uit de maatschappij is geen oplossing, verzieken wel. De meeste vrouwen zijn al afgehaakt; ze hebben nooit meegedaan. Door af te haken geef je de macht in handen van de weinigen die niet afhaken; afhaken is precies wat de leiders van de gevestigde orde willen dat je doet; dat speelt de vijand in de kaart; het versterkt het systeem in plaats van het te ondermijnen, omdat het voor honderd procent gebaseerd is op niet-deelname, passiviteit, apathie en niet-betrokkenheid van het overgrote deel der vrouwen. Zich van de maatschappij afkeren is echter een uitstekende strategie voor mannen en TUIG zal dat enthousiast stimuleren.

De verlossing binnen jezelf zoeken, navelstaren, is niet, zoals de Afhakers je willen doen geloven, het antwoord. Het geluk ligt buiten Jezelf, het wordt bereikt door interactie met anderen. Je moet je niet in jezelf verdiepen, je moet jezelf verliezen. De man is alleen tot het eerste in staat en maakt van een onherstelbaar gebrek een deugd door verdieping in zichzelf niet alleen te presenteren als iets goede maar zelfs als een Filosofisch Goed, en hij wordt daardoor geprezen om zijn diepgang.

TUIG gaat niet posten, manifesteren, demonstreren of staken om te proberen zijn doelen te bereiken. Dat zijn tactieken voor aardige, elegante dames, die zich nadrukkelijk alleen bij activiteiten aansluiten die gegarandeerd geen effect hebben. Daarnaast zullen alleen fatsoenlijke, rechtschapen, mannelijke vrouwen, die precies weten hoe ze in de soort moeten opgaan, als meute opereren. TUIG bestaat uit individuen; TUIG is geen meute, geen massa. Er doet niet meer TUIG aan een klus mee dan nodig is voor die klus. Bovendien zal het TUIG, koelbloedig en egoďstisch als ze zijn, zich niet op hun hoofd laten meppen met gummiknuppels; dat is meer iets voor de aardige, ‘bevoorrechte, goed opgeleide’, dames van de burgerij die veel respect hebben voor het aandoenlijke geloof in de goedheid van Papa en van politiemannen. Als TUIG zich manifesteert, is dat met een schoen op de domme, weerzinwekkende tronie van de President; als TUIG post, is dat in het donker met een mes van vijftien centimeter in de aanslag.

TUIG zal altijd criminele methoden gebruiken en geen burgerlijke ongehoorzaamheid, dus geen openlijke overtredingen van de wet en daarop volgende opsluiting om aandacht te trekken voor onrecht. Dergelijke tactieken gaan uit van de juistheid van het systeem als geheel en worden alleen gebruikt om het enigszins bij te stellen, om specifieke wetten te veranderen. TUIG is tegen het hele systeem, het hele idee van wetten en overheid. TUIG is erop uit het systeem te vernietigen, niet om bepaalde rechten te verwerven binnen het systeem. Bovendien zal TUIG — steeds egoďstisch, steeds koelbloedig — zich steeds ten doel stellen om ontdekking en bestraffing te vermijden. TUIG zal altijd stiekem, gluiperig, achterbaks te werk gaan (hoewel de moorden van TUIG altijd als zodanig bekend zullen worden).

Vernielingen en moorden zullen selectief en gericht zijn. TUIG is tegen blinde, ongerichte rellen, zonder duidelijk achterliggend doel, waarbij er een heleboel van je eigen groep sneuvelen. TUIG zal nooit aanzetten tot, steun geven aan of deelnemen aan enigerlei rellen of andere vormen van willekeurige vernieling. TUIG zal zijn prooi koelbloedig, ongemerkt besluipen en stilletjes toeslaan. Vernielingen zullen nooit zodanige vormen aannemen dat routes worden afgesneden die nodig zijn voor de aanvoer van voedsel en andere essentiële hulpmiddelen, dat de watertoevoer wordt besmet of afgesneden, of dat straten worden afgezet en het verkeer zodanig wordt geblokkeerd dat er geen ambulances meer door kunnen of het functioneren van ziekenhuizen wordt bemoeilijkt.

TUIG zal doorgaan met vernielen, plunderen, verzieken en moorden tot het geld-systeem niet meer bestaat en er volledige automatisering is ingevoerd of totdat er zo veel vrouwen met TUIG meedoen dat er geen geweld meer nodig is om deze doelen te bereiken, dus tot er genoeg vrouwen tegenwerken of niet meer werken, gaan plunderen, bij mannen weggaan en weigeren die wetten na te leven die ongepast zijn in een waarlijk beschaafde maatschappij. Veel vrouwen zullen zich aansluiten, maar vele anderen, die zich reeds lang geleden aan de vijand hebben overgeleverd, die zo zijn aangepast aan het dierlijke, aan de mannelijkheid, dat ze beperkingen en belemmeringen leuk vinden en niet weten wat ze met vrijheid aan moeten, zullen fleemsters en voetvegen bleven, net zoals boertjes in rijstvelden boertjes in rijstvelden blijven als het ene regime wordt omvergeworpen door het andere. Enkele lichtgeraakte types zullen klagen en pruilen en hun speeltjes en vaatdoeken op de grond smijten, maar TUIG zal gewoon over hen heen walsen.

Een volledig geautomatiseerde maatschappij kan heel eenvoudig en snel tot stand gebracht worden als er eenmaal vraag naar is. De blauwdrukken bestaan al en de totstandkoming zal maar een paar weken duren als er miljoenen mensen aan meewerken. Zelfs buiten het geld-systeem om zal iedereen maar al te graag aan de slag gaan om de geautomatiseerde maatschappij tot stand te brengen; dat zal het begin zijn van een fantastisch nieuw tijdperk, en het werk zal in een feestelijke stemming plaatsvinden.

De afschaffing van het geld en de invoering van volledige automatisering staan aan de basis van alle andere TUIG-hervormingen; zonder deze twee kunnen de andere geen doorgang vinden; mét deze twee zullen de andere heel snel doorgang vinden. De overheid zal vanzelf ineenstorten. Bij volledige automatisering wordt het voor elke vrouw mogelijk om over elk onderwerp direct mee te beslissen via een elektronische stemmachine in haar huis. Aangezien de overheid zich vrijwel uitsluitend bezighoudt met de regulering van economische aangelegenheden en met wetgeving tegen zuiver particuliere aangelegenheden, zal de afschaffing van het geld, en daarmee de afschaffing van mannen die ‘moraal’ bij wet willen opleggen, betekenen dat er praktisch geen onderwerpen zijn om over te stemmen.

Na de afschaffing van het geld zal het niet langer nodig zijn om mannen te doden; ze zijn dan ontdaan van de enige macht die ze hebben over geestelijk onafhankelijke vrouwen. Ze kunnen zich dan alleen nog opdringen aan de voetvegen, die dat graag willen. De rest van de vrouwen zal druk bezig zijn met het oplossen van enkele nog onopgeloste problemen voordat ze plannen gaan maken voor de eeuwigheid en voor Utopia: een volledige herziening van het onderwijs zodat miljoenen vrouwen in een paar maanden kunnen worden opgeleid voor hoogwaardig intellectueel werk waar nu jarenlange scholing voor vereist is (dat kan heel eenvoudig gebeuren als het doel van ons onderwijs het onderwijzen is en niet het instandhouden van academische en intellectuele elites); een oplossing voor ziekte en veroudering en dood en de volledige herinrichting van onze steden en woningen. Veel vrouwen zullen nog wel enige tijd blijven denken dat ze mannen zien zitten, maar als ze gewend zijn geraakt aan de vrouwelijke maatschappij en meer opgaan in hun projecten, zullen ze uiteindelijk wel inzien hoe vreselijk nutteloos en banaal de man is.

De paar overblijvende mannen kunnen hun ellendige leventje uitleven aan de zelfkant als drugsgebruiker of ze kunnen rondstappen in vrouwenkleren of toekijken hoe de energieke vrouw te werk gaat. Zo ontplooien ze zichzelf als toeschouwers, indirecte levers* of fokkend in de wei met de fleemsters, of ze kunnen zich melden bij het dichtstbijzijnde euthanasie-centrum waar ze rustig, snel en pijnloos vergast zullen worden.

Voorafgaand aan de invoering van automatisering, aan de vervanging van mannen door machines, dient de man de vrouw van nut te zijn, haar bedienen, op al haar grillen ingaan, al haar bevelen opvolgen, volledig onderdanig aan haar zijn, een bestaan leiden in volstrekte gehoorzaamheid aan haar wensen, in plaats van de volkomen verwrongen, ontaarde situatie die we nu kennen van mannen, die niet alleen in het geheel niet bestaan, en de schaarse ruimte opvullen met hun smadelijke aanwezigheid, maar voor wie het overgrote deel van de vrouwen zich ook nog eens afslooft en in het stof kruipt. Miljoenen vrouwen aanbidden devoot het Gouden Kalf, de hond voert zijn baasje aan de leiband mee, terwijl in feite de man, afgezien van travestie, er het minst ellendig aan toe is als zijn hondsheid erkend wordt — als er geen onrealistische emotionele eisen aan hem worden gesteld en de volmaakte vrouw het heft in handen heeft. Rationele mannen willen verpletterd worden, vertrapt, verpulverd en vermalen, behandeld als de asbakken, het vullis dat ze zijn, in hun afstotelijkheid bevestigd worden.

De zieke, irrationele mannen, degenen die zich proberen te verzetten tegen hun walgelijkheid, zullen zich, als ze TUIG op zich af zien stormen, in paniek vastklampen aan hun Grote Mama, met haar Grote Wiebelende Tieten, maar Tieten bieden geen bescherming tegen TUIG; Grote Mama zal zich vastklampen aan Grote Papa, die in een hoekje in zijn krachtige, dynamische broek zit te schijten. Als mannen redelijk zijn zullen ze echter niet schoppen of vechten of een hoop gęnante heibel maken, maar onderuit gaan zitten, zich ontspannen, genieten van de show en meedrijven op de golven, hun ondergang tegemoet.


* Hij zal elektronisch en op elke willekeurige vrouw kunnen afstemmen en al haar bewegingen nauwgezet kunnen volgen. De vrouwen zullen zo goed zijn hier welwillend in toe te stemmen, aangezien ze er absoluut geen last van zullen hebben en het een buitengewoon aardige en menselijke manier is om met hun betreurenswaardige, gehandicapte medewezens om te gaan.
Nederlandse vertaling: Aad Jansen
Op papier uitgegeven door:
uitgeverij RAVIJN
Postbus 76116
1070 EC Amsterdam
020-6713459