





|
|
|

Bosrendier
Klasse: Mammalia
(zoogdieren)
Orde: Artiodactyla (evenhoevigen)
Familie: Cervidae (herten)
Geslacht en soort: Rangifer tarandus fennicus (bosrendier)
|
|
Kenmerken |
Wilde hertensoort, waarbij beide geslachten geweien dragen. De
vachtkleur varieert van bijna wit tot bijna zwart. Heeft in
verhouding langere poten dan het tamme rendier. |
|
Biotoop
|
Meest noordelijk gelegen bossen. |
|
Verspreidingsgebied
|
Bosrendieren leven in het grensgebied van Finland en Rusland. |
|
Maten,
gewicht en leeftijd |
Tot 150 cm hoog; gewicht van100 tot 160 kg; leeftijd
8 tot10 jaar |
|
Voortplanting |
Paartijd van september tot november; draagtijd 7 tot 8 maanden;
krijgt 1 jong. |
|
Leefgewoonte |
Leeft in kleine groepen. Het gewei wordt door mannetjes en
vrouwtjes ter verdediging gebruikt, het mannetje gebruikt het
niet in gevechten met andere mannetjes om wijfjes. |
|
Voedsel |
Korstmossen, kruiden, grassen, bladeren en bladknoppen.
|

Het wilde bosrendier dat er op het
eerste gezicht uitziet als een gewoon rendier is een
van de bijzonderheden van de Finse
natuur. Bosrendieren komen voornamelijk voor in Finland, Rusland,
Estland, Letland en Litouwen. Ze werden voor het eerst ontdekt in
Finland en daaraan danken ze ook hun wetenschappelijke naam, Rangifer
tarandus fennicus, hetgeen eigenlijk “Fins rendier” betekent. Tot het
eind van de 19e eeuw was het bosrendier een heel algemene verschijning,
maar door de opkomst van het jachtgeweer verdwenen ze vrij snel uit
Finland en konden ze alleen diep in Rusland overleven. Gelukkig zag de
Russische regering al in 1913 in dat deze soort beschermd moest worden
en daardoor kon hun aantal in Rusland weer toenemen. Door de aanleg van
een spoorlijn kon de populatie niet meer in oostelijke richting
uitbreiden, dus daardoor groeide de populatie sneller in westelijke
richting (Finland). Toch duurde het nog tot 1967 voor er in Finland weer
een paar groepjes waargenomen werden. Uiteraard waren er inmiddels
maatregelen ter bescherming van deze ondersoort genomen en inmiddels
leven er in Finland weer bijna 4000 bosrendieren in drie populaties.
Toch is het voortbestaan van deze soort nog niet veiliggesteld. Een
ander gevaar ligt op de loer, namelijk de concurrentie om ruimte met
toendrarendieren en gedomesticeerde rendieren. Met name de
huisrendieren, die door de Sami voor het vlees en de huid gehouden
worden, eten veel van het voedsel van de bosrendieren. Daarom heeft de
Finse regering een maximum gesteld aan het aantal gedomesticeerde
rendieren. Om vermenging met de toendrarendieren te voorkomen, is er
tussen 1998 en 2001 een hek van 84 km in Oost-Finland geplaatst, met
steun van de E.U.
Verschillen met tamme rendieren
Het wilde rendier verschilt van het
gedomesticeerde (tamme) rendier in het feit dat hij langere poten heeft,
groter en slanker is en dat zijn gewei minder gebogen is. Die
langere poten zijn in een bos best handig wanneer je op de vlucht moet
voor een wolf. Het springt wat makkelijker over takken en braamstruiken.
met zulke stelten en wanneer je je schoppend wil verdedigen zijn langere
poten ook een voordeel.
Net zoals de andere rendieren hebben ze grote sikkelvormige hoeven,
zodat ze stevig staan in de sneeuw en op ijs, maar de hoeven van de
bosrendieren zijn nog een stukje groter dan van hun tamme soortgenoten.
Ook hebben ze een grotere kop dan de tamme rendieren en daarin zit onder
andere een flink vergroot reukorgaan met veel epitheel. Hiermee kunnen
ze voedsel op de reuk vinden als het zicht beperkt is. Bovendien doen de
grote neuzen ook dienst als warmte- en vochtwisselaar voor de ademlucht.
Ook het gedrag is anders: toendrarendieren en gedomesticeerde rendieren
leven in grote kuddes, terwijl bosrendieren in veel kleinere groepjes
door de bossen trekken. Opvallend is dat de bosrendieren niet weglopen
als ze zich bedreigd voelen, maar juist aanvallen.
Het wilde rendier eet verschillende
kruiden, hooi, bladeren en korstmos. In de zomer eet hij het liefste
veenlandvegetatie zoals het waterdrieblad. Hij houdt ook van
boombladeren, vooral van wilgen. Wanneer in de herfst de vegetatie
verdort gaat hij korstmossen en twijgen eten.
De kalfjes worden in mei-juni
geboren. Het is er maar eentje en die is roodbruin. In de zomer
verandert de kleur naar grijs wat de kleur van een volwassen wild
rendier is.
|