Interview

Met Goaitsen van der Vliet door Gerrit Dannenberg en Gerard Voortman in de Roskam van 31 maart 2006 (geautoriseerd)

De regiosoap Van Jonge Leu en Oale Groond is bijna ten einde. Een Twents document dat momenten van het leven en de streektaal bewaart voor het nageslacht. De paradox in de serietitel zet zich voort  in de heersende meningen over het kijkcijferkanon van RTV Oost: de lotgevallen van de Wildspiekers worden op de voet gevolgd door bijna iedereen, maar visionaire Tubanten verafschuwen het stigmatiserende beeld dat de serie neerzet van Twente. VJLOG bevestigt het Achterijsselse cliché dat het leven zich hier hoofdzakelijk afspeelt rond boerderij en strontbak. Het Twentse bedrijfsleven vindt ronduit dat je Twentepromoting anders aanpakt. De Enschedese uitgever/schrijver/dialectdeskundige Goaitsen van der Vliet (54) ligt er niet wakker van. Hij was als taalcoach betrokken bij de soap. ‘Het verhaal is verzonnen om de kijkers te vermaken, niet als reclame voor Twente.’

  Als taalcoach op de set van Van jonge leu en oale groond (foto Dirk Stegeman)

We uiten het vermoeden dat de serie geen vervolg krijgt. Herman Finkers is tegen een Wildspiekervervolg, en ziet liever een totaal ander product. Goaitsen bevestigt noch ontkent. Maar ook de vraag of Finkers bij zo’n totaal andere streekproductie betrokken zal zijn beantwoordt hij niet. ‘Dat moet je Herman zelf maar vragen. Laten we het hebben over de huidige productie, want daar heeft hij ongelofelijk veel energie in gestoken. De cultuur­verschillen tussen oost en west maakten het er niet gemakkelijker op. Hij moest voortdurend opboksen tegen een soort Amsterdamse soapmentaliteit, waarbinnen bijvoorbeeld weinig animo was voor ingehouden dialogen die je als typisch Twents zou kunnen karakteriseren. Veel scènes die Herman herschreef, soms tegen de wensen van regisseur of  scriptschrijver in, worden nu door de kijkers ervaren als de leukste van de serie omdat ze zo herkenbaar zijn. Daarnaast zitten er toch ook veel typische soapelementen in. Van die overdreven Hollandse dramatiek waar mijn tenen krom van gaan staan. Maar als contrast missen ze hun uitwerking niet. Misschien is die onevenwichtigheid wel een van de geheimen van het succes van de serie.’

Van der Vliet is een talenwonder, hij beheerst er zeven: Nederlands, Frans, Duits, Engels, Kroatisch, Fries en Twents. ‘Niet dat ik die allemaal vloeiend spreek, maar ik kan me in ieder geval verstaanbaar maken.’ Zijn kennis van Twents idioom en de grammatica is fenomenaal. Om die reden raakte hij ook betrokken bij de Twentse soap. Opmerkelijk genoeg liggen zijn wortels niet hier, maar groeide hij op in het Friese Burgum. Thuis werd zonder uitzondering Fries gesproken. Roepnaam Goos, maar de Friese naam Goaitsen van zijn geboortekaartje hanteert hij als auteursnaam. ‘Mijn moeder sprak met haar familie Stellingswerfs, net als Twents een Nedersaksische taalvariant. Ik denk dat het Twents me daardoor al zo vertrouwd in de oren klonk, toen ik in 1969 naar de Technische Hogeschool Twente kwam. Maar ik hield me er totaal niet mee bezig. In m’n studententijd had ik hele andere dingen te doen. Ik was o.a. secretaris van het Drienerkringbestuur, een overkoepelende organisatie van culturele studentenverenigingen van de TH. Ik was actief binnen de Friese studentenvereniging, publiceerde gedichten en richtte de eerste Friestalige band Rockploech Spul op. Dat was begin 1977, toen ook Normaal aan de weg timmerde. Zo succesvol als Normaal zijn we natuurlijk nooit geworden, maar dat was ook niet de verwachting. We waren meer een cultband, en absoluut niet commercieel ingesteld.’ Geen wonder dat Van der Vliet ruim negen jaar deed over zijn studie elektrotechniek. ‘Dat is ook het dubbele aan mij: HBS-B en een exacte studie aan de TH, en me ter compensatie bezighouden met cultuur, literatuur en muziek.’

Na zijn afstuderen en wat onderzoekswerk werd het tijd voor een echte baan. Het sollicitatiegesprek vond plaats in de ouderlijke boerderij van de inmiddels bekende automatiseerder Gerard Sanderink, toen nog technisch directeur van ICT. Na een softwareklus van een paar maanden in Florida, werd Goaitsen gedetacheerd bij Philips in Almelo. ‘Zo ben ik in Twente blijven hangen, maar het had net zo goed Groningen kunnen worden. Ik was in die tijd wat minder honkvast dan nu. Ik woonde na m’n afstuderen nog wel een jaartje samen, maar daarna altijd in woongroepen, tot zes jaar geleden nog, hier schuin tegenover aan ’t Sander waar ik nu woon. Ik was blij dat ik op mijn zeventiende het huis uit kon. M’n ouders waren niet conservatief of zo, maar ze begrepen in m’n middelbareschooltijd niet wat me bezighield. Zoals de gedichtjes die ik in de schoolkrant publiceerde. Mijn opa Hein was een bekend amateur-archeoloog die belangwekkende vondsten heeft gedaan. Daarover heb ik later samen met mijn vader het boek De strijdbijl van Wijnjeterp gemaakt. Pas toen zijn we elkaar op dat gebied pas echt gaan waarderen.’

Zijn eerste ervaring met de Twentse literatuur dateert uit 1975. ‘Ik kreeg het boek Twentse holskrabbels van Vloedbeld cadeau. Rond die tijd ging ik ook al eens naar een voorstelling van de Wierdense Revue, maar verder was ik totaal niet met de Twentse streektaal bezig. Dat kwam veel later pas, door m’n uitgave van Wilminks Heftan tattat! (1992). Ook nu zie ik mijn bemoeienissen met de streektaal niet als het belangrijkste in m’n leven. Daar komen mijn twee dochters veel eerder voor in aanmerking. Ook het digitale woordenboek Dialexicon Twents beschouw ik niet als mijn levenswerk. Het boek Doordouwers en verhalenbouwers dat ik vorig jaar schreef met Bert de Haan, is me veel meer waard. Het is volgens mij het leukste boek dat ooit over bedrijven is gemaakt. Het gaat over een elftal landelijk bekende merken die groot werden in Twente. Ik kon er als tekstverzorger veel van mezelf in kwijt. Ondanks de stress van de keiharde deadline heb ik er een goed gevoel over. Jammer dat het boek in de pers niet de aandacht heeft gekregen die het verdient.’

Gebrek aan publiciteit had Goaitsen niet toen hij een aantal jaren geleden de strip Asterix de Galliër in het Twents vertaalde (met Frank Löwik) en uitgaf. ‘Ja, dat was een groot succes. Maar het moest bij die ene Asterix-vertaling blijven, want de erven Goscinny en Uderzo kregen net rond die tijd via een rechterlijke uitspraak gedaan dat alle auteursrechten weer aan de families toevielen en die houden sindsdien de vertalingen in eigen hand.’

Eveneens een prestatie van formaat is zijn digitale Twentse woordenboek, dat intussen is uitgegroeid tot een onmisbaar naslagwerk voor iedere dialectgeïnteresseerde. Traditionele naslagwerken zijn statisch, maar het Dialexicon Twents is interactief. Iedereen die woorden mist, kan ze doorgeven zodat ze kunnen worden meegenomen in de eerstvolgende versie. De basisversie Twents-Nederlands was aanvankelijk alleen op cd-rom verkrijgbaar. Na betaling kan er opgewaardeerd worden met o.a. Nederlands-Twents. ‘Ik vond dat het resultaat van mijn jarenlange inspanningen wel wat meer onder de mensen mocht komen. Maar het gratis beschikbaar stellen via mijn site bleek ook commercieel wel verantwoord te zijn. Ik heb er een grote nieuwe gebruikersgroep mee aangeboord. Dat kan deels ook door de populariteit van de Twentse soap gekomen zijn. Zo lift ik misschien wel een beetje mee op het succes van de serie waarvoor ik als taalcoach optrad. Via Herman was ik ook betrokken bij de vertaling van de teksten in het Twents. Als taalcoach probeer je de acteurs bij de opnames bij te sturen in hun uitspraak. Ik was ook verantwoordelijk voor de Nederlandse ondertiteling. Ja, de acteurs zo goed mogelijk Twents te laten praten was ook een hele klus. De meesten waren vóór de opnames niet gewend plat te praten, terwijl de dialogen wat uitspraak en grammatica betreft wel moesten kloppen. Daar kwam nog bij dat de vijf regisseurs vaak ándere prioriteiten hadden dan de taalcoach. Ook door tijdgebrek was het niet altijd mogelijk alle onregelmatigheden in de gesproken Twentse teksten te corrigeren. De betrokken regisseurs hadden zelf onvoldoende kennis van het Twents om fouten zelf te herkennen. Natuurlijk moesten er concessies worden gedaan. Dat had ook te maken met het mentaliteitsverschil tussen de mensen uit het westen en de Twentenaren. Sommige melodramatische effecten passen echt niet bij de manier waarop Tukkers met elkaar omgaan. Die verschillen vind je in de ondertiteling terug. Twentenaren spreken vaak in understatements. ‘Wiej zölt t nog wa s bekiekn’ vertaalde ik bijvoorbeeld met ‘Ik geef je weinig kans.’ En vergeet niet de geheel eigen uitdrukkingen als ‘oonder n droad hen vretn’, wat Twents is voor vreemdgaan. Ondertitelen is voornamelijk interpreteren binnen de gegeven context en indikken. Door de hoge snelheid waarmee gewerkt werd, zitten er ook flink wat continuïteitsfouten in de serie. Zo heeft kunstenaar Bredero de zogenaamde korenwolven eerst bij zich in een kooi, maar op ’t Roasbuske laat hij ze los uit een mand. Daar wordt niet moeilijk over gedaan, want voor een soap gelden wat lossere kwaliteitsnormen dan voor een film. Ik vind dat wel jammer, want ik ben nou eenmaal een perfectionist.’

Aan inhoudelijke kritiek op de serie waagt Van der Vliet zich niet. Dat de serie op onderdelen wel erg rooms aandoet, neemt hij op de koop toe. ‘Dat valt jullie natuurlijk op, omdat jullie gereformeerd zijn, maar rooms-katholieke rituelen zijn nu eenmaal een persoonlijke hobby van Herman. Het is een keuze. Het stoort mij niet, maar ik heb er ook niets mee, ik ben niet opgevoed met een geloof. Tenminste, als ik de strenge geheelonthouding van mijn ouders buiten beschouwing laat. Ik geloof niet in het bestaan van goden. Geloof zit alleen maar tussen de oren van de mensen. Het kan de mensen hoop of zin aan hun leven geven. Daar kan ik wel eens jaloers op zijn. Maar de godsdiensten hebben ook veel ellende in de wereld gebracht. De meeste oorlogen in de geschiedenis hebben op één of andere manier wel met geloof te maken. Dat los je niet zomaar op, of je moet het hele mensdom uitroeien,’ zegt hij cynisch. ‘In ieder geval heeft Van jonge leu en oale groond wél bereikt dat die valse Twentse schaamte voor de eigen taal een stukje minder is geworden.’ Hij wil de soap geen taaldocument noemen. ‘Daarvoor zijn er nog te veel taalfouten in blijven zitten.’

In het NPS-radioprogramma Kunststof beweerde Herman Finkers dat voor Beuningen en omstreken is gekozen omdat dat het mooiste deel van Twente is en daar ook het beste plat van Twente wordt gesproken. ‘Wat waren zijn criteria daarbij? Niemand weet wat dat is, het beste Twents. Taalkundig gezien is dat net zo’n onzin als de stelling dat in Haarlem het beste Nederlands wordt gesproken. Maar ik denk wel te weten wat hij bedoelt. Rond Beuningen is de streektaal van zeg maar honderd jaar geleden behoorlijk goed bewaard gebleven in de dagelijkse omgang, en nog niet zo aangetast door Hollands idioom. Bij de oudere generatie, tenminste. Maar er zijn vast wel meer plattelandsgebieden waar dat ook het geval is. Het is ook logisch dat er voor de dialogen gekozen is voor één bepaalde taalvariant. Het kan niet zo zijn dat broers en zussen die zogenaamd samen zijn opgegroeid een verschillende dialect spreken. Ook het verwijt dat er overdreven ouderwetse dialectwoorden in de dialogen voorkomen vind ik onterecht. In de twee maanden die de opnames duurden hoorde ik in Beuningen veel van die door anderen als ouderwets aangemerkte woorden gewoon in het dagelijkse spraakverkeer. Het is nog steeds levend Twents, ook al is het maar op een vierkante kilometer. Dat de serie ook veel jonge kijkers aanspreekt, komt vooral door de casting van aantrekkelijke en ‘coole’ jongeren. Alleen al het feit dat het op televisie is, speelt een grote rol bij de acceptatie door de jeugd.’

Dat de serie slecht is voor de beeldvorming van Twente gelooft hij niet. ‘Het is fictie, zodat er per definitie geen reëel beeld van Twente wordt gegeven. De serie is ook niet gemaakt om te dienen ter promotie voor Twente, maar om de kijkers te plezieren. Het kunnen maken van mooie plaatjes zal bij de locatiekeuze zeker een rol hebben gespeeld. Maar ik kan er niet veel zinnigs over zeggen, omdat ik er pas in een laat stadium bij betrokken raakte en er geen enkele invloed op heb gehad. Om dezelfde reden hoef ik de serie ook inhoudelijk niet te verdedigen. Binnen mijn beperkte mogelijkheden heb ik geprobeerd er het beste van te maken.’ 

De taalliefhebber Van der Vliet heeft in z’n algemeenheid wel kritiek op de Twentenaren. ‘Ze zien hun oorspronkelijke taal nog steeds te veel als ballast. De Friezen zijn veel trotser op hun taal, doen er ook veel meer voor om die in stand te houden. Er is hier nooit een brede, strijdbare taalbeweging geweest. Behalve Herman Finkers zijn er maar weinigen die zich bewust inzetten voor het behoud van de Twentse taal. Bert Groothengel, ja, maar die wordt er als dialectconsulent voor betaald. De dialectschrijvers reken ik daar ook niet toe. Ik ben zelf ook geen regionalist die welke taal dan ook met alle mogelijke middelen in stand wil houden. Dat is zinloos. De mensen maken zelf hun keuzes. Als ouders hun eigen taal niet eens met hun eigen kinderen spreken, is het snel afgelopen. In Friesland gaat het die kant ook al uit. Het Fries geef ik nog honderd jaar en als het zo doorgaat is het al met een jaar of vijftig gebeurd met het Twents. Erg? Ach, wereldwijd verdwijnt er gemiddeld om de twee weken een taal met de laatste spreker. Zo gaat dat nu eenmaal.’


Over de nasleep van dit interview leest u in Medendorps Modderpoel.


02-01-2010  Bits & Books, post goaitsen@home.nl