De verdichting (3)

William Shakespeare, Sonnet XXVII (1609)


© 2003 Goaitsen van der Vliet, Enschede (vertaling en overwegingen). De verdichting
 

Sonnet XXVII

Meu van t gekleai zeuk ik miej rap ut berre op,
De leve röst vuur t loopweark, stief van t goan.
Mer dan geet der miej ne reiz' an in n kop:
Den döt wearkn as de but der met hebt doan.

Dan wilt joa mien gedachtn, foi van röst,
Drok den langn weg langs den op diej an geet
En hoaldt de zwoare loekn van mien' oogn lös,
Gaapnd noar n duustern den de bleendn zeet;

Behaalvn dan dat mien verbeeldingskrach
Miej kloar zon heandig beeld zeen löt van diej,
Dat, hangnd as n kroonjuweel in naarn nach,
De duusternis mirakels mooi maakt en as niej.

Bo, dus daagns de but en 's nachtns n kop, al dat
Gef diej, en ok miej zölvn, niks gen röst in t gat.
 


Woordenlijst

gekleai = gezwoeg
angoan = aanvangen, beginnen
de but = de botten, de ledematen, het lichaam
der met doan hebn = ermee klaar zijn
foi van = vies van, wars van
gaapn = gapen, dom toekijken
heandig (hèènug) = hier: niet te klein en niet te groot, mooi
bo = wel
 

Sonnet XXVII

Weary with toil I haste me to my bed, / The dear repose for limbs with travel tired; / But then begins a journey in my head / To work my mind when body's work's expired; / For then my thoughts, from far where I abide, / Intend a zealous pilgrimage to thee, / And keep my drooping eyelids open wide, / Looking on darkness which the blind do see; / Save that my soul's imaginary sight / Presents thy shadow to my sightless view, / Which like a jewel hung in ghastly night / Makes black night beauteous and her old face new. / Lo, thus by day my limbs, by night my mind, / For thee and for myself no quiet find.
 

Overwegingen

In m'n stamkroeg vertelde Jan die aan één kant kaal is, een grap: Twee dames (of heren) die een keertje cultureel willen doen, gaan naar een toneelstuk van William Shakespeare. Na afloop, bij een kopje thee, zegt de ene: 'Vond je ook niet dat er wat veel citaten in zaten?'
Iets dergelijks dacht ik, toen ik onlangs, voor het eerst in m'n leven, oorspronkelijk werk las van deze in de zestiende eeuw geboren auteur. Het was me al snel duidelijk hoezeer de huidige Engelse taal doordrongen is van diens vondsten, en bovendien hoe geniaal en tijdloos zijn inmiddels vier eeuwen oude poëzie is. En dan te bedenken dat ik er jarenlang met een grote boog omheen was gelopen, omdat ik oud verwarde met suf en achterhaald. Het was niet hip, of, zoals dat tegenwoordig heet, niet cool. Zo ging er aan mij ook veel prachtige muziek voorbij, omdat mijn oren voornamelijk stonden naar beat en underground. Daarbij slaagden ook mijn taaldocenten er met hun dodelijke saaiheid uitstekend in mijn ontluikende literaire belangstelling de kop in te drukken.
Inmiddels weet ik meer. In de loop van de eeuwen is er zoveel moois geschreven, dat de meeste pogingen om daar echt iets nieuws aan toe te voegen, gedoemd zijn te mislukken. Wij zijn geen beter of anderssoortig mens dan eeuwen geleden. Het decor is wat veranderd misschien, maar we zitten uiteindelijk met dezelfde behoeftes, emoties en driften als onze voorouders. Ook dat is wat de wereldliteratuur ons kan leren

Dat ik me in enkele van de 154 sonnetten van William Shakespeare (1564-1616) ging verdiepen, was het gevolg van de aanval van weerspannigheid die ik kreeg na lezing van een artikel van W. Bronzwaer getiteld De onvertaalbaarheid van het poëtisch icoon.[1] Daarmee doelt hij op zinsconstructies waarin inhoud en vorm zo mooi samenvallen dat er magie in het spel lijkt te zijn. Op onnavolgbare wijze[2] betoogt de schrijver dat zulke iconen zich zelden laten vertalen met (mijn woordkeus) behoud van poëtische energie.
Als voorbeelden noemt hij onderdelen van Shakespeares 27e sonnet. De regels daarvan bestaan uit vijf jamben (versvoeten van een onbeklemtoonde en een beklemtoonde lettergreep). Alleen de eerste niet. Daarin wordt de vermoeide gang van de dichter naar zijn bed hoorbaar gemaakt in het afwijkende metrum: Wéary with tóil I háste me to my béd. Ik dacht onmiddellijk: Móe van 't geplóeter háast ik mij naar béd, maar niet één van de acht geciteerde vertalers, geen kleine jongens overigens, leek op deze voor de hand liggende gedachte te zijn gekomen. Ik las verder. Een ander poëtisch icoon (een zogenaamd chiasme) zouden de gespiegelde posities van het woord work in de vierde regel vormen: To work my mind when body's work's expired. Dus eerst vóór de geest die gaat werken en daarna achter het uitgewerkte lichaam. Iets vergelijkbaars vond ik door van het werkwoord doon de tegenwoordige tijd (döt) voor de geestelijke, en het voltooid deelwoord (doan) achter de lichamelijke werkzaamheden te plaatsen.
Ja, en als je dan nog even doordenkt en uiteindelijk al vier van de veertien regels blijkt te hebben vertaald, móet je wel door, en begint het grote gevecht met de taal, want voordat de laatste woorden er staan, heb je niks gen röst in t gat.

Voor de duidelijkheid heb ik het vertaalde sonnet in strofen verdeeld. In de eerste begeeft de spreker zich moe van gedane lichamelijke arbeid naar bed, maar daar begint zijn geest te werken. In de tweede strofe willen zijn gedachten voortdurend naar zijn geliefde, die ver weg is. Hij doet geen oog dicht en ligt in het niets te staren. Ware het niet, in de derde strofe, dat hij zijn geliefde daar steeds voor zich ziet, schitterend als een edelsteen, waardoor de anders zo zwarte nacht een heel ander voorkomen krijgt.
Zoals gebruikelijk bij Shakespeare vormen de laatste twee regels het slotakkoord: aldus dag en nacht in touw te zijn, is volgens de spreker ook voor zijn geliefde weinig rustgevend. Twee zielen één gedachte lijkt hij in zijn blinde vertrouwen te willen zeggen.
De dichter laat in het midden of de overdag verrichte inspanningen een reis of ander werk betreffen. Het woord travel werd in zijn tijd geschreven als travail en kon net als in het Frans gewoon 'werk' betekenen. Deze meerduidigheid heb ik gehandhaafd met het loopweark, dat op alle bewegende delen van het lichaam kan slaan, maar net als stief van t goan wel de suggestie wekt van een vermoeiende voetreis.

Het metrum van vijf jamben (tien lettergrepen) per regel kon ik helaas niet handhaven. Vakmatige poëzievertalers zal dat een gruwel zijn, maar Engels is nu eenmaal veel compacter dan Nederlands of Twents. Als je dan wilt uitkomen op een leesbaar gedicht waaruit blijkt dat het werk van de grootste Engelse auteur aller tijden niet altijd zo moeilijk hoeft te zijn als het lijkt, heb je gewoon meer woorden nodig.
Ook Shakespeareaanse constructies als my soul's imaginary sight en my sightless view moest ik noodgedwongen sterk vereenvoudigen. Zo is ook het tussenvoegsel from far where I abide alleen nog maar terug te vinden in de lengte van de af te leggen weg. Om te kunnen rijmen (op lös) heb ik hier, waarschijnlijk net als de grote dichter zelf, een passende uitdrukking gezocht. Al met al een heel gekleai. In n kop wel te verstaan.

Noten
[1] In de uitgave Vertalersverdriet, nummer 3 van Armada. Tijdschrift voor wereldliteratuur (juni 1996).
[2] Ik bedoel dit vooral in negatieve zin vanwege zijn dikdoenerij, zoals in (over regel vier van het sonnet): 'Het chiasme is hier als diagrammatisch icoon gelegitimeerd.'
 



2009-03-01  Bits & Books, post goaitsen@home.nl