De verdichting (8)

Dylan Thomas, Fern Hill (1945)

© 2003 Goaitsen van der Vliet, Enschede (vertalingen en overwegingen). De verdichting. Een Nederlandse vertaling staat onderaan deze pagina.


Van n Voarnbealt

Doo't ik joonk was en op mien gemak oonder n appelboom
biej t fluitnde hoes, en zoo bliej as t gröslaand greun
en n nacht boavn t brook vol steerne,
doo leut de tied miej haandopstekn en metveurn
as goald in n glaans van ziene oogn,
en bepocht duur de waagns wa'k de preens an t appelhof
en op n groot moal har ik greuts de beum en de blaar
verbeundn met meibleumkes en gerste
langs streume van toogevaln lech.

En doo't ik k greun was met niks gen gedoo, kunnig biej de schöpn
an den bliejn breenk, en te zingn gung as t hele spil biej mekaar was,
in de zun dee mer eens n moal joonk is,
doo leut de tied miej spöln en gewördn
as goald in de genade van ziene gaavn.
En greun en as goald was ik jager en heuder, de kalver zungn
mienn toethoornd too, de vös op de haar blökn kloar en koald,
en n zöndaagnsn dag kwam heanig an t luudn
in de keikes van de healige bek.

De hele zun lang gung t an, t was heerlik, t heuilaand hoog
as t hoes, de deunkes oet n schorsteen, t was boetnloch
en spöln doon, lekker sopn met water
en veur, zoo greun as grös.
En 's nachtns oonder de slichte steerne
as ik n sloap in rutern, dan slepn de oeln miej t spil wier vort.
De hele moan lang heurn ik, met n zeagn van de ställe, de zwaalvn
vleegn met de öppers, en de peerde
in n duustern scheetn.

En dan wakker wördn, en t hele spil was net as zonn zwearver wit
van n dauw, wierumme kömn, met n haann op de schoolder: t was ál
stroalnd, t was Adam en maagdelik.
n Hemmel stök de köppe vanniejs biej mekaar
en de zun was riep en roond in eenn dag.
Alzoo möt t hebn wes noa n anvaank van t slichte lech
in de aldereerste mölle, de verwoonderde peerde woarm an t loopn
oet den hinniknd greunn stal
op de vealdn van daank op an.

En eerd duur vös en fasaantn biej t losthoes
oonder de gloodnieje wolkn en zoo bliej as t herte miej laank was,
in de zun dee aait wier t lech zöt,
zoo draavn ik mien' dreumerige dräfkes,
mien weunsken steuvn duur t hoeshoge heui,
en niks stök t miej, in mien' hemmelblauwe bane, dat de tied in al zien
kleenknde klokweark mer zón betken van zukke morngezangn toolöt,
vuur at de keender greun en as goald
met um oet de geunst komt,

niks stök t miej in de lämmerwitte dage, dat de tied miej metnöm,
op noar n zwaalvnzwartn zoalder, an n schaa van miene haand,
in de moan dee aaltied opkump.
Ok nich, as ik n sloap in rutern,
da'k ne vleegn heurn met de keampe
en wakker wördn met alns vuurgood vervlöagn oet t keenderloze laand.
Oo, doo'k joonk was en geröst op de genade van zien' gaavn,
heul de tied miej greun en an t doodgoan
al deu ik nog zoo zingn in miene ketns as de zee.
 


Woordenlijst

voarn(d) = varen
bealt = zandhoogte, erf
aleer = vroeger
toog = tak (meervoud: teuge)
brook = broekland
priezn = prijzen (volt. deelwoord: prezn)
op n good moal = eens op een keer
greuts = trots
toovaln = neervallen, ten deel vallen, meevallen
meijnbloom = madelief
kunnig = bekend
schöp(pe) =schuur
breenk = brink, erf (achter de boerderij)
spil = spul, boerderij
toethoornd = toeter
haar = zandrug
blekn = blaffen (verleden tijd: blökn)
heandig (hèènug) = kalm
bek = beek
veur = vuur
slicht = simpel, eenvoudig
anvaank = aanvang, begin
rutern = paardrijden, hier ook: woelen
öpper = opper, hooimijt
kaamp = hooggelegen akker (meervoud: keampe)
ketn = ketting
 

Fern Hill

Now as I was young and easy under the apple boughs / About the lilting house and happy as the grass was green, / The night above the dingle starry, / Time let me hail and climb / Golden in the heyday of his eyes, / And honoured among wagons I was prince of the apple towns / And once below a time I lordly had the trees and leaves / Trail with daisies and barley / Down the rivers of the windfall light.

And as I was green and carefree, famous among the barns / About the happy yard and singing as the farm was home, / In the sun that is young once only, / Time let me play and be / Golden in the mercy of his means, / And green and golden I was huntsman and herdsman, the calves / Sang to my horn, the foxes on the hills barked clear and cold, / And the sabbath rang slowly / In the pebbles of the holy streams.

All the sun long it was running, it was lovely, the hay / Fields high as the house, the tunes from the chimneys, it was air / And playing, lovely and watery / And fire green as grass / And nightly under the simple stars / As I rode to sleep the owls were bearing the farm away, / All the moon long I heard, blessed among stables, the nightjars / Flying with the ricks, and the horses / Flashing into the dark.

And then to awake, and the farm, like a wanderer white / With the dew, come back, the cock on his shoulder: it was all / Shining, it was Adam and maiden, / The sky gathered again / And the sun grew round that very day. / So it must have been after the birth of the simple light / In the first, spinning place, the spellbound horses walking warm / Out of the whinnying green stable / On to the fields of praise.

And honored among foxes and pheasants by the gay house / Under the new made clouds and happy as the heart was long, / In the sun born over and over, / I ran my heedless ways, / My wishes raced through the house high hay / And nothing I cared, at my sky blue trades, that time allows / In all his tuneful turning so few and such morning songs / Before the children green and golden / Follow him out of grace,

Nothing I cared, in the lamb white days, that time would take me / Up to the swallow thronged loft by the shadow of my hand, / In the moon that is always rising, / Nor that riding to sleep / I should hear him fly with the high fields / And wake to the farm forever fled from the childless land. / Oh as I was young and easy in the mercy of his means, / Time held me green and dying / Though I sang in my chains like the sea.


Overwegingen

Voorafgaand aan deze serie schreef ik het al: gedichten vertalen is onbegonnen werk. Tot die conclusie was ik gekomen na een mislukte poging een acceptabele Twentse bewerking te maken van Do not go gentle into that good night, een zogenaamde villanelle [1] van de Engelse dichter Dylan Thomas. In een strak gebeeldhouwde tekst roept hij zijn doodzieke vader op zich niet al te gewillig over te leveren aan the dying of the light. Ik kende het van de indrukwekkende voordracht van de dichter zelf, van een in 1957 uitgebrachte LP die ik jaren geleden voor een krats op de kop tikte op de Weerselose rommelmarkt: Dylan Thomas reading A Child's Christmas in Wales and five poems, kant B, eerste nummer, opgenomen op 22 februari 1952 tijdens zijn tweede Amerikaanse tournee. Een uitvoering waar nooit meer iemand iets aan hoeft toe te voegen.
Toch werd het gedicht in 1989 met enkele andere teksten van Thomas op muziek gezet en opgenomen door die andere markante Welshman, John Cale, voor zijn Falklands-cd Words for the dying. Hoewel ik Cale en zijn vroegere collega's bij de Velvet Underground een warm hart toedraag, had hij dat beter kunnen laten. Eerlijk gezegd vind ik zijn wat al te blije deun helemaal niks.

Het eerste nummer aan de A-kant van die oude LP van Dylan Thomas is het op zangerige toon gelezen Fern Hill. Ik hoop dat niemand het in z'n hoofd haalt het op muziek te zetten, want ook dit meesterwerk is al muziek genoeg van zichzelf, zes maal negen regels lang. Maar toch, terwijl ik de bui al weer zag hangen, begon ik aan een vertaling. En hoe meer ik me erin verdiepte, hoe duidelijker het me werd, dat geen enkele vertaling recht zou kunnen doen aan alle facetten van het briljante origineel. Het raadplegen van een klein dozijn artikelen over het gedicht maakte het er niet gemakkelijker op. Ik wist niet dat er zoveel in één gedicht kon zitten aan vorm, klank en betekenis.
In bijgaande vertaling heb ik daarvan dus maar een deel kunnen handhaven. Natuurlijk ging het me in de eerste plaats om het zo nauwkeurig mogelijk weergeven van de directe inhoud. Daarnaast heb ik vooral geprobeerd iets van de muzikaliteit van Fern Hill te laten doorklinken. Vormaspecten, zoals het aantal lettergrepen per regel en het eindrijm op klank ( a - b - c - d - d - a - b - c - d), acht ik daarbij van minder belang.

Het grote knelpunt blijft de onvertaalbaarheid van veel van het woordenspel, waarin bijna iedere zinsnede een meervoudige betekenis of een associatie met een bestaande uitdrukking of wetenswaardigheid heeft. Tenminste voor de fijnproevers met een grondige kennis van de Engelse taal en cultuur rond 1945 waar ik mezelf niet toe kan rekenen.
Een voorbeeld van zo'n associatie die ik nog niet in de literatuur tegenkwam, is morning songs (ochtendgezangen) dat exact zo klinkt als mourning songs (rouwliederen) en aldus vooruitwijst naar de sterfelijkheid die aan het slot van het gedicht wordt uitgesproken. Ja, en vind daar dan maar eens een adequate vertaling voor. Zo worstelde ik keer op keer met de vraag: hoeveel mag je laten schieten, voordat je moet concluderen dat een gedicht onvertaalbaar is?

Over Dylan [2] Marlais Thomas (1914-1953) is al onmeundig veel geschreven. Behalve met prachtige poëzie, het alom bejubelde luisterspel Under Milk Wood en een stem als een klok, wordt zijn naam geassocieerd met drankzucht, torenhoge schulden, eeuwige ontrouw en een niet aflatende leugenachtigheid. In de laatste jaren van zijn korte leven geniet hij niet alleen de populariteit, maar ook het slopende leefpatroon van een popster. Tijdens zijn vierde Amerikaanse toernee stort hij in, volkomen opgebrand, in het New Yorkse Chelsea [3] Hotel, na het nuttigen van een recordaantal van achttien straight whiskies in de nabijgelegen White Horse Tavern. Een onvakkundig toegediende morfine-injectie wordt hem uiteindelijk fataal. De voormalige prince of the apple towns komt tragisch oet de tied in The Big Apple.

Fern Hill is een gedicht over pril geluk, over het verlies van de kinderlijke onschuld en de bewustwording van de eigen sterfelijkheid. Dylan Thomas schreef het in de weken nadat de mensheid definitief haar onschuld had verloren (6 augustus 1945, de atoombom op Hiroshima). Hij had toen een schrijfstek niet ver van Fernhill, de bescheiden boerenhoeve van een oom en tante waar hij als kind enkele zomers had doorgebracht. Als inspiratiebron wordt ook genoemd [4] het boek The Golden Age (1928) van Kenneth Grahame, dat ook een op het eerste gezicht paradijselijke kindertijd op de boerderij beschrijft en waar de kernwoorden green and golden uit afkomstig lijken te zijn. Ook voor Thomas zelf was dit een van zijn best gelukte gedichten. Het kreeg pas na ruim tweehonderd verloren gegane versies zijn definitieve vorm.

De eerste twee strofen beschrijven op parallelle wijze het zorgeloze leven van een kind op de boerderij. Hij mag meerijden op de hooiwagen van vader tijd en voelt zich prinsheerlijk tussen de schuren, de veestapel en de natuur rondom. Alleen uit de verte klinkt soms kil geblaf ten teken van naderend onheil.
De hele dag (all the sun long) draaft hij rond, vol groen vuur, tot in de derde strofe. Dan valt de avond, en tijdens de slaap (all the moon long) verdwijnt de hele keuterij uit het zicht. Gelukkig is het kind gezegend door de stallen en wordt het in zijn dromen zelf met rust gelaten.
Iedere morgen bij het wakker worden voltrekt in de ogen van het kind het scheppingsverhaal zich opnieuw. De boerderij is terug van weggeweest, de haan staat weer te kraaien op de nok, zon en wolken zijn herboren en de paarden gaan dankbaar aan het werk.
In de vijfde strofe is sprake van een kentering. Het kind krijgt nog slechts sporadisch mooie gezangen te horen bij het vroege tafelgebed, maar wil nog niet geloven dat het de gestaag voortschrijdende tijd is die hem met de jaren steeds meer beperkingen oplegt.
Dat besef komt keihard aan in de laatste strofe, als zijn gedroomde weldoener hem voor altijd weghaalt uit zijn kindertijd en hij van meet af aan al sterfelijk blijkt te zijn geweest, ondanks alle lofzangen aan handen en voeten gebonden. Een paradijselijk jeugdland blijft achter zonder het kind dat hij ooit was.

Over bijgaande vertaling heb ik bijna een half jaar gedaan. Steeds weer schoof ik haar terzijde omdat ik bleef steken bij schijnbaar onvertaalbare beelden en dubbelzinnigheden, en te weinig vertrouwen had in het bereiken van een redelijk eindresultaat. Maar even vaak pakte ik de draad weer op, als ik tussen de bedrijven door iets bruikbaars of iets beters had gevonden. En terwijl ik dit schrijf, weet ik ook dat de versie die deze vrijdag in de Roskam staat, een andere zal zijn dan er nu voor mijn neus ligt.
Eén zinsdeel is daarin nog vet gedrukt, ten teken dat ik er nog niet uit ben: In the first, spinning place. In eerste instantie dacht ik aan een rosmolen met de zich warm lopende paarden. Maar waarom die komma? Alleen om aan te geven dat er ook In the first place staat? Spinning place is letterlijk 'spinplaats', de plek waar alles om draait, waar gesponnen wordt, in bredere zin: waar iets wordt gefabriceerd. Een nieuwe dag in de ogen van het kind.
In vervolg op de voorafgaande regel gaat het om de geboorteplaats van het eerste licht. Dylan Thomas staat hiermee in de literaire traditie waarin het verschijnsel licht gezien werd als het centrum van iets wat razendsnel rondtolde [5], zoals T.S. Elliot in Burnt Norton (1935): the light is still at the still point of the turning world. Nog een decennium eerder had Edwin Hubble de spiraalvormige Andromeda-nevel ontdekt en daarmee van de hele mensheid het verst teruggekeken in de tijd: twee miljoen lichtjaar. Dát is pas wat Thomas once below a time noemt.

Dat slechts enkele woorden een hele wereld kunnen oproepen, is van toepassing op het leeuwendeel van Fern Hill. Dan zijn er ook nog de kleuren en de symbolen, zoals de altijd ópkomende maan, en de zwaluwen die op de slaapzolder samendrommen om te vertrekken. De appels die de kennis in zich dragen. Wie daarvan eet verliest zijn onschuld. En wat te denken van de totale afwezigheid van andere menselijke wezens? Andere zaken laten zich raden als je probeert je in te leven in de kinderlijke verbeelding. Dan blijken sommige duistere formuleringen juist heel simpel te zijn. Neem by the shadow of my hand. Dat is gewoon wat je ziet als je in het maanlicht een trap beklimt en met een hand langs de muur gaat: aan de hand van je eigen schaduw.

Tot slot, voor de volhouders, wil ik de Twentse vertaling op nog enkele punten toelichten. Landschapskenmerken zijn aangepast aan het vroegere Twentse platteland. Daarom is the dingle (1.3) niet 'de vallei' maar t brook geworden en blaffen de vossen op de haar (2.7) in plaats van in de heuvels. De high fields (6.5) werden keampe, hooggelegen akkers. Broakn en esn leken me wat veel voor een keuterboer. In Rijssen is overigens een straat die De kaempe heet.
Apple towns (1.6) is een woordspeling omdat zowel town als apple 'stad' betekenen. In plaats van een loze letterlijke vertaling heb ik gekozen voor t appelhof. Dat suggereert de mannelijke betekenis 'appelboomgaard', maar is de 'appelhofhouding' waar het kind als prins deel van uitmaakt nu er een onzijdig lidwoord aan voorafgaat.
Once below a time (1.7) is een dichterlijke variatie op Once upon a time, het begin van Engelse sprookjes (en van een beroemde western), net als 'Er was eens' in het Nederlands. Op vergelijkbare wijze heb ik good in Op n good moal vervangen door groot, dat mooi allitereert met greuts.
Letterlijk is windfall light (1.9) als appels 'afgewaaid licht', maar windfall heeft vooral de figuurlijke betekenis van 'meevaller' die ook in het gebruikte toogevaln zit.
Een van de moeilijkst te vertalen zinsneden vormt de kern van het gedicht: follow him out of grace (5.9). Daarin staat dat de kinderen door de tijd 'uit de gunst raken' en 'hun gratie verliezen'. Maar grace is hier ook nog het tafelgebed waar de tijd een eind aan maakt.
De mooiste vertaling voor swallow thronged loft (6.2) zou zwaalvndrongn zoalder zijn, ware het niet dat het oude woord drong (dicht op elkaar) niet bijvoeglijk gebruikt wordt, maar als bijwoord in uitdrukkingen als t is der drong van volk (zwart van de mensen), drong stoan (van rogge) en drong in de hoed (volgevreten). Ik had natuurlijk drong van zwaalvn tussen komma's achter n zoalder kunnen zetten, maar dan kan het ook slaan op de tied en zelfs op miej. Dan toch liever de lichte overdosis alliteratie van zwaalvnzwartn zoalder, waarin de dubbelzinnigheid van zwart (vol en donker) nog wat toegevoegde waarde geeft.
Kortom: zo moet het maar. Voorlopig, tenminste.

Met dank aan Gerrit Klaassen voor zijn ondersteuning en de vondsten toogevaln lech en n zöndaagnsn dag.

Noten
[1] Een villanelle is een gedicht van 19 regels met een strak rijmschema waarin twee regels steeds om en om terugkeren.
[2] De zanger Bob Dylan, die eigenlijk Bobby Zimmerman heet, ontleende in 1959 volgens diverse getuigen zijn artiestennaam aan de dichter, maar ontkent dit van tijd tot tijd.
[3] Dit is het hotel in Manhattan waar door de jaren heen vele beroemd- en beruchtheden bivakkeerden. Bob Dylan bijvoorbeeld schreef er zijn Sad-Eyed Lady of the Lowlands (1966), Leonard Cohen situeerde er zijn intimiteiten met Janis Joplin (1967, Chelsea Hotel #2), en gewezen Sex Pistol Sid Vicious stak er zijn vriendin Nancy Spungen lek (1978). En, last but not least: de Enschedese dichter Herman Heida zag er, net als Leonard Cohen op zijn rug gelegen, de barsten in het plafond (1981, Max's Kansas City).
[4] Door Roger Craig in Green and dying in chains (Twentieth Century Literature, vol. 44.3, 1998)
[5] Volgens de Canadese onderzoekers Peter Stoicheff en Joel Deshaye.


Varenheuvel

Naar: Dylan Thomas, Fern Hill
© 2003 Goaitsen van der Vliet, Enschede

Toen ik jong was en op m'n gemak onder de appelboom
bij het fluitende huis, en zo gelukkig als het grasland groen
en de nacht boven de vallei vol sterren,
toen liet de tijd mij wenken en meerijden
als goud in de glans van zijn ogen,
en geprezen door de wagens was ik prins aan het appelhof
en eens ondertijds had ik boom en blad vorstelijk
verbonden met gerst en madelieven
langs rivieren van toegevallen licht.

En toen ik groen was en argeloos, beroemd bij de schuren
rond de blije brink en liep te zingen als de hoeve thuis was,
in de zon die maar eenmaal jong is,
toen liet de tijd mij spelen en gedijen
als goud in de genade van zijn gaven,
en groen en als goud was ik jager en hoeder, de kalveren zongen
mee met mijn hoorn, de vossen in de heuvels blaften koud en klaar,
en de sabbat werd rustig ingeluid
in de kiezels van de heilige stroom.

De hele zon lang ging het maar door, het was heerlijk, het hooiland
hoog als het huis, de deuntjes uit de schoorsteen, het was buitenlucht
en spelen, lekker met water
en vuur zo groen als gras.
En 's nachts onder de simpele sterren
terwijl ik de slaap inreed, sleepten de uilen de hoeve weg.
De hele maan lang hoorde ik, gezegend door de stallen, de zwaluwen
vliegen met de hooioppers, en de paarden
het donker in schichten.

En dan te ontwaken, met de hoeve als een zwerver, wit
van de dauw, teruggekeerd, de haan op z'n schouder: alles was
schitterend, het was Adam en maagdelijk.
De hemel stak de koppen weer bij elkaar
en de zon rijpte rond in die ene dag.
Zo moet het zijn geweest na de geboorte van het simpele licht
in de allereerste molen, de verwonderde paarden warm lopend
uit de hinnikend groene stal
op naar de velden van eer.

En geroemd door vossen en fazanten bij het fleurige huis
onder de gloednieuwe wolken en zo blij als het hart oneindig was,
in de zon die steeds weer het licht ziet,
zo draafde ik mijn dromerige drafjes,
mijn wensen stoven door het huishoge hooi,
en niets deed het mij, in mijn hemelsblauwe banen, dat de tijd in al zijn
klinkende klokwerk maar zo weinig van die ochtendgezangen toelaat,
voordat de kinderen groen en als goud
met hem uit de gratie geraken,

niets deed het mij, in de lammerwitte dagen, dat de tijd mij meenam
naar de zwaluwzwarte zolder, aan de schaduw van mijn hand,
in de maan die altijd opkomt,
en ook niet, terwijl ik de slaap inreed,
dat ik hem hoorde vliegen met de hoge weiden
en wakker werd met de hoeve voorgoed vervlogen uit het kinderloze land.
O, toen ik jong was en gerust op de genade van zijn gaven,
hield de tijd mij groen en stervend
al zong ik nog zo in mijn ketens als de zee.
 



2009-04-03  Bits & Books, post goaitsen@home.nl