Artillerie-lied

De tekst van het Lied van de Veldartillerie werd in 1846 in het Frans gedicht door tweede luitenant (later generaal-majoor) W. de Villeneuve. De melodie werd, eveneens in 1846, gecomponeerd door tweede luitenant (later kolonel) jonkheer J.C. van Gheel RoŽll.

De Franse tekst werd in 1881 door een onbekende dichter in het Nederlands vertaald. In 1955 riep de Wapentraditieraad der Artillerie het uit tot het Wapenlied.

In 1977 verwerkte kapelmeester S. van der Poort de melodie in zijn compositie van de Artilleriemars, die de offiecieel erkende defileermars van het Wapen der Artillerie werd.

Het artillerielied

De vijf coupletten luiden als volgt:
 
Wat dreunt daar op die heide,
Wat blinkt daar in het verschiet ?
Wat dondert tussenbeide
Dat men door 't stof niet ziet ?
Hoe flikkeren die zwaarden
Wat forse melodie,
Hoe rennen daar die paarden,
't Is Veldartillerie !

 

De kruitdamp is hun leven,
't Kanon is hun banier.
De hoop daarvoor te sneven
Bezielt elk Kanonnier.
Zij haken naar den strijde
Voor Vaderland en Vorst.
Voor Land en Koning beide
Klopt steeds hun mannenborst.
 

Van 't paard naar 't stuk gevlogen,
Dra dondert reeds het schot.
Weer vlug vooruit getogen,
Vernielt hij 's vijands rot.
Rent d' overmacht hem tegen,
Manmoedig staat hij pal.
Koopt door zijn dood de zege,
En juicht nog in zijn val.
 

Maar ook in tijd van vrede,
Blinkt steeds de kanonnier.
En meisjes schoon van leden,
Zijn op hun liefde fier.
Waarmoed zit heerst ook trouwe,
Door kracht nooit uitgeblust.
Daarom de schoonste vrouwen,
Heeft hij naar hartelust.
 

Hoera dus voor ons wapen,
Lang leevl de kanonnier.
Lang leev' die forse knapen,
Des legers schoonste sier.
Hun leus zij, steeds te strijden,
Werwaarts ook d' eer hen zendt.
Voor land en Koning beide,
Tot roem van 't Regiment

Bron: Saluutbatterij Atkins