|
Piggelmee
In het land der blonde
duinen En niet heel ver van de zee, Woonde eens een
dwergenpaartje En dat heette "Piggelmee."
2. 't Waren
heel, heel kleine menschjes En ze woonden - vrees'lijk
lot, Want ze hadden heel geen huisje
- In een ouden, keulschen
pot.
3. Voor de zon en voor den regen - Nooddurft had
hun dat geleerd - Hadden zij dien steenen pot, met d'Oop'ning
naar den grond gekeerd.
4. Toen een gat
er in geslagen, Klein, maar groot genoeg toch voor Hun zoo
kleine dwergenlijfjes En daar kropen zij dan
dóór.
5. 't Vrouwtje zorgde voor het eten Maar.... dat
eten moest er zijn, "t Ventje ging dus daag'lijks jagen Schoot
een haasje of konijn.
6. Met een heel, heel klein
geweertje, Dat gaf niet zoo'n grooten klap En dan ging hij op
zijn klompjes, Met zijn konijntje vlug op stap.
7. Zóó
nu wist dat dwergenpaartje Zich te schikken in zijn lot En zij
leefden vele jaren In hun omgekeerden pot.
8. Toen, wie
had dat kunnen denken? 't Onverwachte komt altijd, Door een
onverwachte tijding Werd hun hart door hoop
verblijd.
9. Op een mooien zomermorgen Lazen z' in de
"Dwergenkrant" Dat er was .... een "toovervischje" Komen
zwemmen naar het strand.
10. 't Vischje dat, met staart en
vinnen Vlug zich door de golven sloeg Kon je alles, alles
geven, als je 't hem maar need'rig vroeg.
11. Doodstil
werd het op dien morgen In den ouden keulschen pot, Want de
beide dwergjes dachten Aan hun droef en arm'lijk
lot.
12. ...Need'rig vragen...alles krijgen... Alles
en... zij hadden niets. ..'n Vischje, dat..zoo mooi kon
toov'ren.. Toov'ren?..."manlief, zei je
iets?"
13. "Ik?-Neen"-"Zou je.. manlief..durf je Niet
eens naar dat vischje gaan?" "Vrouwtje lief, dat doe ik
zeker, Vóór je 't zei, dacht ik er aan."
14. "En,...
wat wou je hem dan vragen, Als je heusch dat vischje
sprak?" "...'t Allereerst, dunkt mij, een huisje Met
schoorsteen en dak,"
15. "n Huisje, ècht, een heuschlijk
huisje? Durf je dat te vragen man? Zoo een huisje met een
deurtje Waar je echt in wonen kan.
16. Ik, nog
éénmaal in een huisje! Mensch? wie had dat ooit beleefd," En
haar kleine oogjes glimmen Van de vóórpret die ze heeft.
17. En... Des morgens in de vroegte 's And'rendaags
ging Piggelmee, Klossend op zijn kleine klompjes Door de
duinen naar de zee.
18. "Vischje!" riep hij reeds van
verre Met zijn handjes voor den mond, "Vischje", kan ik je
eens spreken, Zwem je hier in d'omtrek rond?
19. En
toen klonk er plots als antwoord Uit de verre, wijde
zee, Zacht en zilver stemgeluidje: "Riep je, ventje
piggelmee?"
20. "Ja ik! Ja IK!" riep het ventje En hij
trilde van genot; "Vischje, och geeft mij een huisje, 'k Woon
maar in een steenen pot."
21. "Ga maar! Ga maar! riep het
vischje 'Geven kost mij niemandal, Ga maar gauw naar huis m'n
ventje, Want je huisje staat er al."
22. En...
vergetend te bedanken Liep het dwergje, dol van pret Naar..
zijn pot, waar die stond, was Nu een huisje
neêrgezet.
23. Uit één van de vele raampjes Riep zijn
vrouwtje, o! zoo blij, "Piggelmee! wat zeg je dáár van? Kijk
eens hier, hier wonen wij."
24. Piggelmee zag met
verbazing Nu zijn keurig huisje staan En hij wilde door het
deurtje Als een heertje binnen gaan.
25. Maar zijn
vrouwtje kwam naar buiten "t Huisje is wel aardig, maar 't Zou
je binnen niet bevallen, Want het is nog lang niet
klaar."
26. "Je moet daad'lijk op je klompjes Nog eens
naar de zee gaan, man, Want een huisje zonder meubels, Kijk,
wat hebben wij daar an!"
27. "Vraag het vischje een paar
stoelen En een tafel en een bed, En... gordijnen voor de
raampjes, Want dat staat zoo keurig net.
28. En nog
meer, wat wou ik zeggen, Ja zoo véél nog, ga maar vast Er moet
nog een spiegel wezen En ook nog een
linnenkast."
29. Vroolijk fluitend, op zijn
klompjes, Ging het dwergje Piggelmee Weer naar't strand en
riep van verre: "Vischje! Vischje! in de
zee!"
30. Onbeweeg'lijk bleef de verte, Niets te zien
in zee en lucht, Dan een eenzaam strandpluviertje, Dat zijn
heil zocht in de vlucht.
31. Toen kwam weer dat
stemgeluidje, Zilverzacht uit verre zee: "Riep je nu weer m'n
baasje? Riep je, dwergje Piggelmee?"
32. "Ja ik!" riep
verheugd het dwergje, "'k Dank je voor het huisje wel, Maar ik
wou zoovéél nog hebben, Meubels en
gordijnenstel."
33. "Ga maar! Ga maar!" riep het
vischje, "'t Geven kost mij niemendal, Ga maar gauw naar huis
m'n ventje, Want je meubels staan er al."
34. Toen het
dwergje thuis kwam, vond hij Druk zijn vrouwtje in de weer Met
het boenen van de meubels En zij sprak als d'eersten
keer:
35. "Man, je moet nog weer terug gaan, Want het
vischje is zoo goed, Vraag voor mij wat mooie kleêren, En een
mantel en een hoed.
36. Voor je zelf een flink paar
schoenen Want, zooals je zelf wel ziet, Met die klompjes aan
je voeten Pas je in ons huisje niet.'
37. En....ofschoon hij nu wat moe werd Ging het
dwergje Piggelmee, Klossend op zijn kleine klompjes Wéér naar
't vischje in de zee.
38. Gaarne liep hij door de
duinen Maar het werd hem nu wat saai, Boven hem vloog hoog
een zeemeeuw, Vóór hem een Vlaamsche
gaai.
39. "Vischje!" riep hij reeds van verre, "'k
Zou't niet wagen weer zoo gauw En zoovéél te komen
vragen, Maar ik moet wel voor mijn vrouw.
40. Kijk, ze
wil wat kleêren hebben En een mantel en een hoed, En voor
mij een flink paar schoenen, "'t Vischje," zegt zij, "is zoo
goed"
41. "Ga maar!" riep opnieuw het vischje "Och! ik
kén de vrouwtjes wel, Je zult thuis reeds alles vinden Ga maar
heen en loop maar snel."
42. En het dwergje thuis
gekomen Vond zijn zijn vrouwtje reeds gekleed, Zich bekijkend
in den spiegel En ze sprak:...."Het doet mij
leed"
43. "Piggelmee, je moet teruggaan, Want ik kan
met goed fatsoen, Nu niet uitgaan, als ik weg ben Wie zal hier
den boel dan doen?
44. Ga het vischje nu nog
zeggen. Dat ik niet meer heb den tijd Om te boenen en te
koken, Dat ik hebben moet een meid."
45. Piggelmee keek
nu zijn vrouwtje Voor het eerst gramstorig aan, Maar hij
durfde niets te zeggen En... enfin... hij zou maar
gaan.
46. Onderweg dacht hij nog telkens Aan zijn
stulpje van weleer En... dat hij het nu zoo goed had, Maar...
hij floot geen liedje meer.
47. "Vischje!" riep hij reeds
van verre "Vischje, vischje, in de zee!!" "Roep je weêr?"
vroeg nu het vischje "Roep je, dwergje
Piggelmee?"
48. "Ja ik!" riep beklemd het ventje "Och!
mijn vrouw heeft nu geen tijd Om haar huisje schoon te
houden Zegt ze, en.... ze vraagt een meid."
49. 't
Vischje gaf niet daad'lijk antwoord, 't Was als of het even
dacht, Maar toen klonk wéér 't stemgeluidje: "Dwerg dat heb ik
wel verwacht."
50. "Ga naar huis, je zult er vinden
Alles netjes aan den kant En een meisje vlug en
helder, Ook een uit het dwergenland."
51. Piggelmee,
vermoeid van 't loopen Ging naar huis, zijn vrouwtje was Ook
zoo even thuis gekomen, Maar niet bijster in haar
sas.
52. "Piggelmee, je moet teruggaan, Daad'lijk, 'k
ben er op gesteld, Onderweg wou ik wat koopen, 't Was zoo
mooi, maar.. 'k had geen geld."
53. Ga het vischje nu nog
vragen, Om wat geld, een vollen zak, 'k Moet toch ook de meid
betalen, Dáárna, neem je je gemak."
54. 't Ventje ging
met loome schreden Nog een keer naar 't vischje heen, 't Was
intussen laat geworden, 't Strand lag éénzaam en
alléén.
55. Voor zijn voeten sloop een wezel Azend op
een duinkonijn, En het ventje schrikte even, Want och! hij was
zelf zoo klein.
56. "Vischje!" riep hij reeds van
verre "Vischje, vischje, in de zee!!" "Riep je?" klonk het nu
weer vroolijk, "Riep je? vrindje Piggelmee?"
57. "Ja
ik!" riep verruimd het ventje, "Ja! mijn vrouwtje stuurt mij
weer, want zij moet de meid betalen En wat koopen en zoo
meer."
58. "In ons huisje is nu alles Wat gemak en
vreugde biedt, Zegt mijn vrouwtje, maar dat ééne, Geld zegt
zij, dat heeft ze niet."
59. "Ga maar!" riep nu plots het
vischje, 't Geven kost mij niemendal, Daar had ik om moeten
denken, Ga naar huis, het is er al."
60. 't Vischje
ging nu naar de diepte, 't Ventje ging naar huis, 't werd
nacht, ....In het aardig dwergenhuisje, Was een zak vol geld
gebracht.
61. Lange tijd was 't heel gezellig, En
Piggelmee die was veel thuis. Maar zijn vrouw nu, werd
ontevreden, ontevreden over haar nieuwe huis.
62. "Ga,
naar 't vischje" sprak het vrouwtje, 'k wil wonen in een
kasteel, Als een adelijke dame, En luisteren naar muziek
van-minnestreel.
63. Zo ging ons ventje
schoorvoetend, Naar het vischje van de zee, "Vischje, vischje"
riep hij in de golven, "Vischje, vischje" riep hij naar
beneé.
64. Het vischje kwam weer boven, Vroeg'an
Piggelmee wat 't nu weer was?, "De vrouw wil deftiger
wonen, Met een kasteel is ze in heur sas."
65. Je
wensen zijn vervuld heer Piggelmee, Het betekent voor mij niet
veel, "Ga naar nu snel naar huis toe, Je zult aanschouwen je
vrouw in heur kasteel!"
66. Rap ging nu ons dwergje
huiswaarts, door de duinen, reeds zag hij van verre, De
machtige torens van het kasteel Met daken blinkend als de
sterre.
67. Maar helaas, wat is op aarde Blijvend, ook
tevredenheid Wijkt zoo vaak voor nieuwe wenschen Wordt
verdrongen door den tijd.
68. Op een morgen sprak het
vrouwtje, "Het gaat niet naar mijn zin, Ga naar het gulle
vischje, Adelijke dame zijn is mij te min."
69. "Zeg
hem dat ik wil regeren, Als een koningin heel machtig, Dat de
mensen voor me buigen, Dat vind ik pas
prachtig!"
70. Wederom moest hij gaan lopen, Ons
vriendje Piggelmee, Weer een wandeling maken, Naar het vischje
in de zee.
71. En aan vischje voor z'n vrouw, Een gunst
gaan vragen. Ze was steeds ontevreden, Schijnbaar alle
dagen.
72. Weer liep Piggelmee door het duin, Kwam bij
de zee weer aan, En wilde nu het vischje roepen, Zijn vraag
voorzichtig stellen gaan
73. Nu werd plotseling het
water Vlak nabij een rimp'lig vlak, Waar het glazend
toovervischje, 't Zilv'ren snuitje bóven
stak.
74. Ditmaal was 't zilveren vischje, Piggelmee
's vragen voor, Stuurde hem naar zijn ontevreden vrouw, Die
regeerde, en zich krabde achter heur oor!
75. Zóó...'t is
vele maanden later Zien we vriendje Piggelmee Daag'lijks weer
zijn wand'ling maken Naar het vischje in de
zee.
76. Dan een "dit" en dán een "datje" Altijd was
het voor zijn vrouw En altijd als hij terugkwam, Had vriend
Piggelmee berouw.
77. Eéns, het was zoo koud dien
morgen, Moest onze arme Piggelmee, Hij wou juist wat langer
slapen, Toch naar 't vischje, toch naar zee.
78. De
vrouw wilde heersen over aarde, Over oceaanen en de diepten der
zee, Wilde het vischje als bediende, Zij vond het een machtig
idee.
79. Piggelmee stampte met z'n voeten, Hij durfde
niets te zeggen, En moest met tegenzin toch gaan, En 't
vischje deze vraag voorleggen.
80. En... het kraagje van
zijn jasje, Voor de koude hóóg nu dicht, Gong het arme
Piggelmeetje Naar de zee, met bang
gezicht.
81. "Vischje, Vischje," klonk het
angstig, Over 't water als een kreet. "Vischje," 'k moet je
weêr wat vragen En dat doet nu echt mij
leed.
82. "Vischje, ik wou heusch niet komen, Want ik
dacht wel, dat wordt mis, Wederom is het mij vrouw, Die nu wel
zéér ontevreden is.
83. Plots'ling kwam er op het
water Nu een breede rimpelkring, Wijl het anders kalme
vischje Nu heel boos aan 't spart'len ging.
84. En zijn
antwoord klonk heel driftig Als uit dicht geschroefde
keel: "Dwerg, ga daad'lijk naar je vrouw toe Zeg haar dit: zij
eischt te veel,"
85. Zeg haar, dat ik haar zal
straffen, 't Spijt mij wel voor jou m'n vrind, Ga naar huis en
ga eens kijken Hoe je dáár den toestand
vindt."
86. Langzaam aan verdween de rimpel Die op 't
water zichtbaar was, 't Vischje dook en... als een
spiegel Werd de wijde waterplas.
87. Piggelmee stond
nog te kijken Toen, in 't naad'rend avonduur Ver in zee de zon
ging zinken Als een bol van laaiend vuur.
88. Diep
verslagen ging hij henen, Angstig nu voor dreigend leed, Hoog
in 't blauw verdween een reiger Met een aak'lig schorren
kreet.
89. Sloffend liep hij door de duinen En zijn
schoentjes wogen meer Dan hem ooit zijn klompjes wogen In de
dagen van weleer.
90. Toen hij meende, dat hij thuis
was Keek hij als beteuterd rond, Want de keulsche pot stond
dáár weer, Waar zoo straks het kasteel nog
stond.
91. En zijn vrouwtje zat te huilen "Piggelmee,
wat vrees'lijk lot, Weer, nu weêr te moeten wonen In dien
ouden keulschen pot."
|