*

VITO rapport
 

 

 

 


                                             

       Inhoud

 

*                Titelblad

*                Samenvatting

*                1.   Inleiding

*                2.  Algemene energieconcepten.

*                3.  Geologische opbouw

*                4,  Gevolgen van de voormalige mijnbouw.

*                5. De restporositeiten in het gesteente.

*                6. Restvolumina voormalige O.N.mijnen

*                7. Het water van de ON mijnen.

*               

*                terug naar pagina mijnwaterproject

 

 

Op deze pagina worden gegevens weergegeven van de oriënterende studie naar de gebruiksmogelijkheden van het mijnwater in de gemeente Heerlen.           

Citaten uit deze studie zijn [ cursief] weergegeven.

 

           

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*

            

            

                           klik op blad

 

 

 

 

 

             SAMENVATTING. Bladeren  inhoud  Homepage

 

In deze oriënterende studie naar de resterende volumina in de ondergrondse werken van de voormalige Oranje Nassau I kolenmijn, is met behulp van gegevens uit het O.N. deel van het Rijksarchief (Maastricht), literatuurgegevens en een aantal onderbouwde aannamen, een goede indruk verkregen over de orde van grootte van de resterende ondergrondse ruimten. Tevens zijn er gegevens en aanwijzingen beschikbaar gekomen over de geologische opbouw van de ondergrond, de heersende geothermische gradiënten, de chemie van het mijnwater, de reservoir‑compartimentalisatie, e.d. Ook zijn voor een aantal projectaspecten belangrijke aandachtpunten aangegeven (boringen, vergunningen, etc.. De voornaamste conclusies en aanbevelingen van deze studie zijn hieronder weergegeven.

 

De restvolumina van de gehele Oranje Nassau mijnen (vier mijnzetels) vallen in twee grotendeels gescheiden deelbekkens uiteen: het O.N. I, III en IV‑bassin en het O.N. II‑bassin.

Voor de O.N.I mijnzetel apart ‑ waarbinnen het specifieke projectgebied ligt ‑ werd een residueel reservoirvolume in de orde van grootte van ca. 2,9 miljoen m 3 vastgesteld. Voor het gehele, gecombineerde O.N. I, III en IV‑bassin bedraagt dit ca. 7,8 miljoen m 3 en voor het O.N. II‑bassin ca. 3 miljoen m 3 . De totale ondergrondse restvolumina van de gehele Oranje Nassau mijn (4 mijnzetels) werd becijferd op ca. 10,8 miljoen M3.

Zowel de waarden als de verdeling van de restporositeiten m.b.t. de infrastructuur en het gesteentemassief direct rondom de ontgonnen koollagen werden bij benadering vastgesteld. Eveneens werd enige aandacht besteed aan de doorstromingseffecten van de diverse reservoir‑onderdelen.

 

Geothermisch gebruik van het wanne mijnwater lijkt technisch mogelijk. Bijvoorbeeld het gebruik van water met een relatief lage temperatuur uit de meest ondiepe niveaus van de mijn voor zomerkoeling van gebouwen en injectie / opslag van dit opgewarmde water in de diepere ‑mijnniveaus voor (verwarmingstoepassingen) in de winter. Vervolgens weer herinjectie van hetzelfde afgekoelde water in de bovenste mijnverdiepingen (zie rapport ARPAS). T.b.v. de benodigde flexibiliteit worden bij een dergelijke toepassing meerdere injectieboringen en ‑locaties aanbevolen.

 

Afhankelijk van de warmteoverdracht van gesteente naar mijnwater ‑ dus indirect van de mate [intensiteit] waarin het systeem wordt toegepast ‑ lijkt het ook mogelijk een meer conventioneel 'doubletsysteem' met warmtewisselaars toe te passen. In plaats van één, worden ook hierbij echter meerdere injectieboringen op verschillende locaties aanbevolen.

 

Vanwege de goede afsluitingskarakteristieken van het reservoir zelf (Carboongesteenten) en de daarop liggende dekterreingesteenten levert het geothermisch gebruik van het mijnwater geen direct gevaar op voor contaminatie van de drinkwater‑aquifers in het dekterrein.

 


Er worden geen serieuze problemen verwacht op het gebied van achtergebleven restgassen. Het merendeel van deze gassen is waarschijnlijk reeds grotendeels naar het dekterrein en de atmosfeer verdwenen. Niettemin zijn er in die delen van de mijn die hoger liggen dan de actuele mijnwaterstijghoogte (ca. 10 m onder NAP) vrij zeker hier en daar restgas‑accumulaties aanwezig. Dit wordt ‑ ondanks de waterstijging ‑ ook niet geheel uitgesloten voor sommige meer geïsoleerde delen binnen de O.N. mijn (b.v. onder de schachtprop; een soort 'gasbellen'). Er zal daarom bij het boren met een eenvoudig type B.O.P. (blow‑out preventor) gewerkt moeten worden.

 

Om redenen van flexibiliteit, het voorkomen en oplossen van problemen, e.d, wordt aanbevolen (tenminste) alle O.N. kaartbladen (1 t/m 6) te bewerken en in een geografisch informatiesysteem (GIS) onder te brengen. Dit maakt ook precisering van de bepaalde volumewaarden mogelijk.

 

Om de verwachte temperaturen en chemische samenstellingen van het mijnwater binnen de verschillende delen en diepten van het gecombineerde O.N. I, III en IVbassin meer te kunnen preciseren lijkt het tevens nuttig in combinatie met een meer gedetailleerde uitwerking van archiefgegevens een aanvullende literatuurstudie uit te voeren.

 

inhoud                                                              Homepage

 

                                                                                                                                                            

 

 

 

 

     Inleiding

Achtergrond en idee.     Bladeren           inhoud               Homepage   

Citaat uit achtergrond en idee.

 

De vroegere oostelijke mijnstreek staat tegenwoordig bekend onder de naam 'Parkstad Limburg'. Naast een enkel voormalige schachtgebouw ‑ b.v. schacht # 2 van de 0. N. 1 mijnzetel te Heerlen en schacht Beerenbosch van de Domaniale mijnzetel te Kerkrade – een aantal relicten van 'geconverteerde' mijnsteenbergen, alsmede de permanente tentoonstelling in het Museum te  Kerkrade, zijn er nog maar weinig zaken die de oude mijnbouw direct in herinnering brengen. Dit is niet zo verwonderlijk, daar het grootste deel van het mijnverleden vooral een energieverleden is geweest, dat zich ook nog eens grotendeels ondergronds afspeelde

Men heeft gemeend deze laatste twee elementen opnieuw te kunnen belichten door in de actuele studies naar een ‑ grotendeels ‑ duurzame energievoorziening van het nieuw te ontwikkelen  'stadspark Oranje‑Nassau' te Heerlen, alsmede bij de renoverings~ en nieuwbouwplannen van de omliggende stadswijk 'GSM' (Grasbroek, Musschemig en Schandelen), de mogelijke winning en /of opslag van energie middels gebruikmaking van het mijnwater en de voormalige mijninfrastructuur, op te nemen.

Op deze wijze zou het energieconcept in dit plan 'centrum noord', opnieuw een brug kunnen slaan tussen het energieverleden van de stad en haar energietoekomst.

Doelstellingen     Citaat            Bladeren                         inhoud    Homepage

Binnen het plan wordt gestreefd naar het bereiken van een 'energieprestatie op locatie' (EPL) van tenminste 8, 0.

 

Dit komt overeen met een C02‑uitstootreductie van 50% ten opzichte van het gangbare energieverbruik met traditionele brandstoffen.

 

De werkelijke uitdaging van het plan is echter om een EPL van 10 te benaderen.

 

Dit zou dan vrijwel een neutraliteit van C02‑uitstoot betekenen (100% reductie) m.b.t. de energieconsumptie. Afhankelijk van de knelpunten en mogelijkheden wordt daarom bekeken welke hoeveelheid conventionele energie (= hoeveelheid C02‑uitstoot) er vermeden kan worden door het gebruik van meer duurzame energiebronnen bij een gelijktijdig reductie van het fossiele energiegebruik.

 

Het doel van de voorliggende studie is dan ook om een inzicht te geven in de haalbaarheid (kansen en knelpunten) om (aard)warmte middels het‑gebruik van mijnwater in te zetten als bron van duurzame energie en /of energieopslag binnen het plan 'centrum noord'. De inzet van het mijnwater moet dus ‑ zo mogelijk ‑ een integraal onderdeel vormen van het totale energieconcept in dit plan. In dit concept wordt er van uitgegaan dat er door de voormalige mijnbouwactiviteiten ondergronds een relatief grillig, door mensen gevormd kunstmatig reservoir is ontstaan, dat gevuld is met relatief warm water.

 

 

Bovengenoemde studie van ondergrond, mijnwaterreservoir en bijkomende aspecten, is uitgevoerd door de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (Vito) te Mol, België, als onderdeel van een meer 'totale' energiestudie voor het doelgebied van de firma ARPAS (Sittard, Nederland; namens de gemeente Heerlen opdrachtgever aan Vito opdrachtgever aan Vito.


 

Deze firma (ARPAS b.v.; energy contracting) stelt de algemene energieconcepten voor het doelgebied in het plan 'noord' op, tezamen met het studiebureau BOOM ( Milieukundig Onderzoeks‑ en OntwerpBuro) uit Maastricht. In dit onderzoek worden de verschillende energiebehoeften en de benodigde (opslag)capaciteiten geanalyseerd en berekend. Naast zaken als de inzetmogelijkheden van windenergie, zonnepanelen, warmtepompen e.d, worden ook de gebruiksmogelijkheden van het mijnwater hierbij ingepast.

 

Deze gehele studie werd mede mogelijk gemaakt door subsidieverstrekking van de Nederlandse Maatschappij voor Energie en Milieu (NOVEM; Sittard / Utrecht, Nederland) aan de gemeente Heerlen.

 

De energiemaatschappij Oranje Nassau (Amsterdam, Nederland) concessiehoudster van de voormalige O.N. mijnzetels, was behulpzaam bij het uitvoeren van de voorliggende Vito deelstudie door toestemming te verlenen om het O.N. deel van het Rijksarchief (Maastricht, Nederland) te mogen raadplegen.

 

Het Staatstoezicht op de Mijnen (dhr. W. Miseré, afd. Limburg) assisteerde in de aanlevering van het benodigde kaartmateriaal.

 

Tevens werd veel waardevolle informatie verkregen van de heren J. Cottaar, J. Schilp en J. Driessen; allen oud medewerkers van de Oranje Nassau mijnen.

 

inhoud                                                                                                                        Homepage

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemene energieconcepten

 

In hoofdstuk 2 worden de thema’s ‘Geothermische mogelijkheden’ en ‘Elektriciteitsproductie en energieopslag ‘besproken.

 

 

 

 

                          Bladeren                                              inhoud                           Homepage

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 GEOLOGISCHE OPBOUW.  Bladeren  inhoud     

 

 Oranje Nassau concessiegebied. 

 

Onder de dunne deklagen van het Kwartair, dagzomen binnen het gehele O.N. concessiegebied de (klastische) gesteenten van het Tertiair (Formaties van Breda, Heksenberg en Rupel). Gesteenten van de daaraan voorafgaande, oudere Krijtperiode ('Krijtkalk‑groep'; formaties van Maastricht, ‑ 'Kunrader' facies ‑ van Gulpen, Vaals en Aken) liggen in de meeste delen van de concessie tussen de Tertiaire afzettingen en de

 


Carboongesteenten in (NITG‑TNO, 1999; ). De jongere Krijtformaties (formaties van Maastricht en Gulpen) zijn ontwikkeld als kalksteen (chalk). De oudere formaties van Vaals en Aken zijn vooral klastisch ontwikkeld, d.w.z. in combinaties van zand‑ en siltstenen vaak afgewisseld met pakketten kleisteen. Een kalkhoudende zandsteen facies die op beperkte schaal voorkomt en beschreven is uit de buurt van Benzenrade zou eveneens tot de formatie van Vaals behoren (Krijt van Benzenrade; Staring, 1860).

 

Omdat het direct voorkomen van kalksteen versus klastische gesteenten boven op het steenkoolterrein van grote invloed is gebleken op zowel de geothermische gradiënt in het dekterrein als ook op de originele temperatuur van het onderliggende Carboongesteente, (Sadée, 1975) is het belangrijk om de ligging van de kalksteen in de concessie goed te bepalen. Het blijkt dan dat de gesteenten van de hele zgn. 'Krijtkalk groep' (inclusief klastische formaties van Vaals en Aken) binnen het noordwesten, westen en zuidwesten van de O.N. concessie aanwezig zijn. In het noordoostelijke en oostelijke deel van de concessie is de groep afwezig. Hier liggen klastische Tertiair sedimenten dus direct op het klastische Boven Carboon (NITG‑TNO, 1999).

 

In het meer zuidoostelijk deel van het breukbegrensde gebied tussen de Heerlerheide en Benzenrader breuk van het O.N. concessiegebied ontbreken de formaties van Vaals en Aken lokaal gedeeltelijk. Ten noorden van de Heerlerheide breuk zijn deze beide formaties op een klein stukje na geheel afwezig. Dit overgebleven stukje subcropt net ten zuiden van de Waubach Anticlinaal (fig. Ib). De schaarse gegevens over de resten van deze beide ,formaties in dit zuidoostelijke gebied wijzen op een lokaal meer kalkige ontwikkeling van 'de ‑uiterst fijnkorrelige ‑ glauconiet zanden (formatie van Vaals) in de nabijheid van Benzenrade (Benzenrader Krijt, Staring, 1860; Zand van Benzenrade, Felder, 1996). Dit kalkig ontwikkelde 'zand van Benzenrade' wordt door P.J. Felder & Bless (1989) echter geplaatst binnen de jongere (kalksteen) formatie van Gulpen.

 

inhoud                                Homepage

 

Opbouw steenkoolterrein.   Bladeren 

 

Het steenkoolvoerend gesteente onder het O.N.‑I terrein bestaat uit een afwisseling van schalies (leisteen) siltstenen en ‑ in mindere mate ‑ (kwarts)zandstenen, waartussen regelmatig koollagen voorkomen. Deze koollagen vormen slechts enkele procenten van het gesteente (ca. 3 %). Het gesteente bestaat voornamelijk uit rivierafzettingen en daaraan gerelateerde sedimenten (o.m. fossiele veenafzettingen, d.w.z. steenkoollagen). Dit gesteentepakket behoort tot de Westfalien serie van het Boven Carboon (ouderdom rond de 3 10 miljoen jaar). Het gesteente dat aan het oppervlak van het Carboon te voorschijn treedt ('dagzoomt'; Patijn & Kimpe, 1961) maakt in dit gebied deel uit van het bovenste deel van het Westfalien A, de zgn. (Boven) Wilhelmina groep. Deze groep wordt van boven (naar jonger) begrensd door het marine 'Catharina'‑niveau. Dit is een dunne, door de zee afgezette sedimentlaag die de grens vormt tussen het oudere Westfalien A en het jongere Westfalien B. Aan de onderkant (naar ouder) wordt de groep begrenst door koollaag nr. 23.

 

Nog verder naar onderen toe worden deze gesteenten gewoon voortgezet in de (Onder) Wilhelmina groep (onderste deel van het Boven Westfalien A), de Baarlo groep (Onder Westfalien A) en uiteindelijk het Namurien. Het Namurien vormt de onderste (oudste) etage van het Boven Carboon. Hieronder bevinden zich dan weer de kalkstenen van het Onder Carboon (het Dinantien). Door de algemene noordwest ‑ noordoost helling van de lokale Carboongesteenten dagzomen al deze gesteenten meer zuidelijk onder de Tertiaire en K‑rijt bedekking.

 

In het onderste gedeelte van de Wilhelmina groep en in de Baarlo groep, 1 komen op een aantal laagniveaus ('stratigrafische niveaus) zandsteen‑ en kwartsietbanken voor die sterk watervoerend zijn gebleken, m.n. in de doorsnijdingszones met belangrijke breuken (Kimpe, 1952). Voor de O.N.‑I mijn bleek dit vooral bij het doorsnijden van de 'Grondgalerij laag VI storing' in het zuidoost veld. (Benzenrader breuk, zie hierna).

 

Aanzienlijk noordwaarts van het O.N.‑I schachtterrein dagzomen de gesteenten van het Westfalien B en (uiteindelijk) het Westfalien C aan de Carboonoppervlakte.

*              Figuur

De schachten van de O.N.III mijnzetel staan op bijna 3,5 km oost‑zuidoostwaards van die van de O.N.‑I mijnzetel, ten oosten van de Anticlinaal (opwelvingsstructuur) van Waubach (fig. 2). Structureel gezien bevinden zij zich dus al in dát deel van het Limburgse mijngebied wat al tot het Akense steenkoolbekken gerekend moet worden.

 

De, schachten van de O.N.III en O.N.‑IV mijnzetels staan resp. ca. 250 m en 200 m behoorden de Westfalien B dagzoom in het kolenterrein. Tezamen met de O.N.‑I schachten staan deze allen in dát deel van het mijngebied wat nog tot het uiterste, oostelijke deel van het (Belgische) Kempense kolenbekken gerekend wordt.

 

De opeenvolging van oud naar jong in het dagzomen van de Carboongesteenten in noordelijke richting, hangt samen met de algemene noord‑gerichte hellingshoek van de lagen. Het gesteente wordt gewoonlijk jonger in die richting. Dat er op deze plaats tevens een algemene kromming in de dagzoomstructuur optreedt (laaggerichtheid loopt van noordwest via noord naar noordoost) heeft te maken met een grote noord‑zuid gerichte, licht gewelfde locale plooistructuur van het Carboongesteente (fig. 2; Synclinaal Heerlen Brunssum).

 

Grotere breukzones.       Figuur

 

Binnen het gebied van de O.N.‑I mijn komen twee grotere breukzones voor: die van de Heerlerheide en de Benzenrader breuk (Patijn & Kimpe, 1961,). Beide breukzones liggen echter niet binnen het directe studiegebied. Ze behoren alle twee tot het systeem van de zuidelijke randbreuken van de Roerdal Slenk en zijn nog altijd actief. Evenals in hun hedendaagse werking, staan ze ook uit het Carboon als afschuivingen bekend ('normaal' breuken).

inhoud                                Homepage

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gevolgen van de voormalige mijnbouw.

 

 

 

In dit hoofdstuk worden de Nederlandse kolenmijnbouw beschreven om aan te geven op welke wijze ruimtes zijn ontstaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

   Bladeren                                   inhoud                                Homepage

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Restporositeit in het gesteente. Bladeren

Drukbelasting en ontspanning in het gesteentemassief.

 

Resumerend kan gesteld worden dat:

De geïnduceerde porositeit bij de afgebouwde panelen zich vooral zal voordoen in een band van ca. 5 x de afbouwdikte, onmiddellijk rondom het niveau van de oorspronkelijke koollaag, alsmede enigszins in een beperkte zone om deze band heen.

Binnen dit geheel zal de restporositeit naar de randen van de afbouwpanelen toenemen (inclusief de randen van ongemijnde, resterende massieven en bij breuken).

Open spleten in het nevengesteente zijn met name ook langs deze randen te verwachten.

Elkaar overlappende ontspanningszones zullen elkaar beïnvloeden en de spleetwerkingen versterken (spleten weer open; vergroting aantal). Hetzelfde geldt voor hoge druk zones binnen het bereik van elkaar.

 

Literatuurstudie             Bladeren

Tijdens de oriënterende studie is een literatuurstudie gedaan naar restporositeit.

Resumé.

Samenvattend kan worden geconcludeerd dat hoewel de intrinsieke porositeit en permeabiliteit binnen de Carboongesteenten relatief sterk kunnen wisselen, deze in het algemeen laag zijn en vaak zelfs nihil.

Een intrinsieke porositeit van maximaal ca. 0,5 % lijkt een redelijke, maximale orde van grootte voor het merendeel van het Carboon gesteente. Omdat deze nog aanwezige, interne porositeit door afwezigheid van intrinsieke permeabiliteit bovendien niet bijdraagt aan het restruimievolume dat door de voormalige mijnbouw is geïnduceerd, betekent dit dat de effectieve, extra Geïnduceerd Porositeit voor breukpiilers op ca 8% en voor pneumatische vulpijlers ongeveer op 5,5 % gesteld kan blijven. De restporositeit van hydraulische vulpiilers zal ca. 3,3 % bedragen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Restvolumina voormalige O.N.Mijnen. Bladeren

Rekenmethode bepaling restvolumina:

In het vorige hoofdstuk is de restporositeit als gevolg van de mijnbouw in de gemijnde lagen bepaald.

 

Van de 6 kaartbladen is kaartblad 3 (onderdeel O.N.I mijn ) bekeken.

Gegevens zijn gedigitaliseerd.

Laagkaarten van dit kaartblad zijn ingescand.

Productiegegevens waren ter beschikking.

 

Enkele getallen van kaartblad 3:

Steengangstelsel 62 km.  Doorsnede ca. 7,5 m2 10% bij schacht 14,25 m2. = 506 000.m3

Blindschachten ( 81 stuks) doorsnede ca. 6 m2 3125 m = 19.000 m3.

Gemijnd volume (kool+steen) 21. 000 000 m3 kool 16.500 000 m3

 

Met bovengenoemde gegevens wordt de verhouding gevonden tussen koolproduktie in kubieke meter en restruimte in dit gebied van 1 : 1,27.

De verhouding open volume van de infrastructuur: verhouding koolproductie in kubieke meters van 1:40,5

*                     Bladeren

Deze gegevens zijn op de resterende kaarten geëxtrapoleerd.

 

 

miljoen ton kolen

restruimte infra

restruimte kool

totale restruimte

O.N.I

31,0

0,59

2,29

2,88

O.N.II

33,0

0,63

2,44

3,07

O.N.III

37,7

0,72

2,79

3,51

O.N.IV

13,8

0,26

1,02

1,28

O.N.totaal

115,5

2,19

8,55

10,74

                 Miljoen kubieke m3 restruimte t.g.v.mijnactiviteiten O.N.mijnen

 

Het rapport levert  een stel interessante plaatjes. Figuur

In verband met de verschillende momenten van sluiting van de verschillende zetels zijn dammen geplaatst. Figuur

 

Dit zijn uiteraard slechts benaderingscijfers. Ze indiceren echter wel goed de orde van grootte waarin gedacht moet worden (Kunz, 2000: enige miljoenen m 3 per voormalige mijnzetel). Deze orde van grootte sluit ook uitstekend aan bij de getallen in ander, internationaal onderzoek (b.v. Manolepszy & Ostaficzuk, 1999; Van Tongeren et al, 2000).

 

 

                              inhoud                                                                                          Homepage       

 

 

           Het water van de ON mijnen

Mijnwaterniveau                     inhoud       Bladeren        Homepage

De actuele stand van het mijnwater bij de O.N. 1 schacht, bedraagt volgens de provinciale metingen tussen de ‑11 en ‑10 m NAP. De stijgingsnelheid zelf lijkt momenteel teruggelopen van ca. 5 m per jaar (Van Rooijen, 2000) tot gemiddeld minder dan 3,8 m per jaar (ruim 1 cm / dag). D.w.z. dat het stijgende mijnwater momenteel ook het hoogste, doch beperkte gangenstelsel bij deze schachtlocatie heeft opgevuld (op ca. 121 m onder maaiveld, = ca. 12 m onder NAP = ca. 25 m onder top Carboon). Bij schacht 3 van de O.N. I mijn ligt de bovenste verdieping op ca. 135 m onder maaiveld. Deze zgn. '136 m verdieping' is ook op de andere schachtlocaties (1 en 2) van de O.N. I aanwezig en daarom is dit het niveau dat bij de mijnsluiting op alle schachten met een betonprop is afgesloten. Dit is dus het eerste directe verbindingsniveau dat overal aanwezig is.

 

Dit betekent dat het mijnwater nu tot boven de afsluitproppen gestegen is en dat er dus verbinding bestaat tussen de mijnwerken onder en boven deze afsluitingen. Dit was ook te verwachten omdat zowel de afbouw zelf, als haar invloed (verzakking, splijting) zich op een aantalplaatsen tot boven dit niveau heeft uitgestrekt.

 

De implicatie van e.e.a. lijkt tevens, dat ook het allerbovenste, beperkte gangenstelsel binnen het beperkte doelgebied geheel onder water staat en dat de top Carboon binnen enkele jaren bereikt zal zijn. Wel is het zo dat er zich in de hoogste afbouwwerken (o.a. in delen van laag I t/m VI) meer ten zuiden en zuidoostwaarts van de O.N. I schachten ‑ waar de top Carboon tot meer dan 40 m boven NAP stijgt (gegevens binnen O.N. kaartblad 3) en binnen het zuidveld zelfs tot + 80 m (Patijn & Kimpe, 1961) ‑ theoretisch nog enig restgas zou kunnen bevinden (een mengsel van voornamelijk N2, CH4 en C02, mogelijk met enig CO en H2S).

Hoewel noch wateruitwisseling tussen dekterrein en oude werken, noch het mogelijk voorkomen van restgas vooralsnog gezien wordt als een probleem, verdient het niettemin aanbeveling om - zeker bij een meer grootschalig gebruik van de ondergrondse restruimte ‑ verder onderzocht te worden.

 

Wanneer we het gebied ON I en ON III als een bassin beschouwen ( figuur ) mogen we dan vaststellen  dat in het gebied van de ON III en IV het mijnwater nu tot boven de afsluitproppen en het top Carboon gestegen is? ( figuur )

 

Zonering mijnwater.  inhoud       Bladeren        Homepage

 

Hoewel bij het stijgend mijnwater aanvankelijk nog relatief veel zout water naar het dekterrein toestroomt uit de diepere niveaus, neemt deze toestroom bij verdere stijging geleidelijk af.

 

Hierdoor komt de nadruk steeds meer te liggen‑ op een aanvoer van zoet water vanuit het dekterrein. Zo ontstaat er geleidelijk weer een 'normale' gelaagdheid in het gehele grondwaterpatroon, waarbij het zoete grondwater 'drijft' op het onderliggende zwaardere, zoutere water. Door plaatselijke verschillen in toevoer, zoutgehalte en temperatuur kan de zo gevormde gelaagdheid van het water wel iets verstoren worden, doch de verwachting is niet dat dit in belangrijke mate zal gebeuren, noch dat dit blijvend zal zijn.

 

Er zal zich zo dus een kwalitatieve zonering van het grondwater instellen, die vrij goed overeen komt met de natuurlijke zonering die er bestond, vóór de mijnbouwactiviteiten.

 

Niet alleen de waterdrukverhoudingen leiden tot een dergelijke evenwichtsituatie, maar ook de lithologische samenstelling van de onderste lagen van het dekterrein en de bovenste niveaus van het Carboongesteente vormen een belemmering voor een eventueel binnendringen van mijnwater in bovenliggende watervoerende lagen (Van Roeien, 2000; Van Rooijen Adviezen, 1998).

 

Het 'Voerendaalveld'.  inhoud       Bladeren        Homepage

 

Hier wordt momenteel grondwater gewonnen door de Waterleiding Mij. Limburg uit het kalksteenpakket. De ondergrondse ontsluiting van dit gebied ‑ en dus ook de ontwatering ten behoeve van de mijnbouw ‑ begon laat in de jaren vijftig. Steenkoolwinning vond plaats in de jaren zestig. De waterwinning vanuit het kalksteenpakket boven deze mijnwerken dateert al vanaf de jaren dertig.

 

Tijdens de mijnbouw werd in dit gebied een belangrijke toevloed van water uit het dekterrein naar de mijnwerken geconstateerd. De incidentele waterstandmetingen in het gebied, alsmede de latere peilputgegevens in de kalksteen, tonen echter aan dat de waterstand vóór, tijdens en na de steenkoolmijnbouw zodanig constant gebleven is, dat geen enkele invloed van de enorme potentiaalverschillen m.b.t. de mijnbouw merkbaar is in dit gesteentepakket. Ook hier blijkt duidelijk dat de slecht doorlatende lagen tussen mijnwerken en het bovenste, watervoerende gedeelte van het kalksteenpakket, een belangrijke en afdoende hydrogeologische barrière vormen (Van Rooijen, 2000).

 

Dit lijkt vrij identiek aan hetgeen op enkele plaatsen bij de O.N. I mijn ook is geconstateerd. Het betreffende waterwingebied ligt op ruwweg 1 km van de zuidrand van het O.N. 1 concessiegebied en valt grotendeels binnen het deel van de Staatsmijn Emma concessie, dat in 1940 aan deze mijn werd toegekend.

 

Omdat er hier geen verbinding tussen de werken van beide mijnen is geweest en omdat er door bovengenoemde barrières géén uitwisseling via permeabele dekterreinlagen (noch Carboon lagen) te verwachten is, zal het mijnwatergebruik van het O.N. I, III en IV‑bassin, geen invloed uitoefenen op de waterwinning in dit gebied

 

 

 

                                                                                      Klik op plaatje

           

 

 

 

                                                  Breuken

                                    

                                    Klik op plaatje

 

 

 

                                        Dagzomen Carboonetages

                                          

                                         Klik op plaatje

 

 

 

 

 

 

                        Schachtveiligheidspijler niveau laag I ON I

                                     

                                                 klik op plaatje

 

 

 

 

 

 

                             Schachtveiligheidpijler niveau laag VII

                                                 

                                                  klik op het plaatje

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                     infrastructuur ON I

                                            

                                            klik op het plaatje

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                      Schachten ON mijnen

 

 klik op het plaatje

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                            Verdiepingen

                                                     

                                                      klik op het plaatje

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                             Afdammen tijdens de sluitingsperiode

                                 

                                  klik op het plaatje

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                   Pijlerondersteuning Staatsmijn Wilhelmina 1954

                                                        

                                                       klik op de foto

 

 

                    Mijnwater in de schachten ON I en III

      

      klik op de tekening

 

 

 

                             Afdammen tijdens de sluitingsperiode

                                 

                                  klik op het plaatje