Annie M.G.Schmidt heeft een lied geschreven over de Hoeksema's (niet echt vleiend, maar beter dubieus genoemd dan helemaal niet moet je maar denken); de tekst volgt hieronder:


De Hoeksema's.

Die Hoeksema's…… het zijn mijn beste vrinden.
Ik zeg niks van ze, hoor, begrijp me goed.
Ik kan het altijd heel goed met ze vinden.
Zij is geen dame hèè, mijn God, die hoed.
Hij gaat wel, hij is iets bij de Justitie,
Maar oppervlakkig, hèè, geen verre blik,
Geen diepte en, hoe heet dat, eruditie.
Ze staan er niet bij stil, hèè, zoals ik.
Neem mij nu eens. Ik zit in vier besturen,
behalve dan m'n damesclub in Kras.
'k Heb m'n gevallen vrouwen, pedicure,
en dan m'n man nog en m'n ischias.
Maar zonder schoonheid kan ik toch niet leven.
Muziek en letteren. Er is bij mij
een hunkering naar Simon van het Reve.
Ik hou m'n Sartre en m'n Gide altijd bij.

Kijk, dat is nou zo jammer van die Hoeksema's.
Ze zijn me toch te weinig erudiet.
Ze zijn ontzettend aardig, hoor, die Hoeksema's.
Maar dáát, hèè, dat hebben ze niet.


Die Hoeksema's…… 't is niet om 't een of 't ander.
Ik mag ze graag, maar dat maakt me wild:
ze spreken altijd kwaad over een ander,
ze zijn, hoe zal 'k zeggen, weinig mild.
Ze hadden het vanavond over Annie.
'k Geef toe, die Annie, nou daar is iets mee.
Zo'n jurk van dat salaris, nou dat kan niet.
En dan die hele 'hem-hem' van 'r, nee!
Ze is ook fout geweest, hèè, tussen haakjes.
Maar 't is toch eigenlijk ook wel weer sneu.
Zo'n moeder…… En die vader, met z'n zaakjes……
Het ligt toch helemaal aan het milieu.
Het zijn verschrik'lijk ordinaire types,
maar laat ze onbetrouwbaar zijn misschien,
ik zeg en dat is één van mijn principes,
je moet het goede in de mensen zien.

Kijk, dat is nou zo jammer van die Hoeksema's.
Ze zijn toch wel een tikje hypocriet.
Ze zijn ontzettend aardig, hoor, die Hoeksema's.
Maar dáát, hèè, dat hebben ze niet.

Die Hoeksema's…… Ik was heel even bij ze.
We hadden het zo over al het leed.
En toen opeens, het was om te ijzen,
Toen voelde ik, hoe weinig het ze deed.
De negers en de joden, al die rassen,
en al die displaced persons in hun hemd.
O, als ik bij de naaister sta te passen,
dan voel ik me van binnen zo beklemd.
Ik zeg nog in de keuken tegen Mina:
'Jij klaagt nou over al jou ongerief,
maar denk eens eventjes aan Palestina
en aan die arme Ghandi, asjeblief.'
En Indië en al die kleine wrokken.
En hier de woningnood. Ontzettend cru,
dat vier gezinnen in éééén kamer hokken.
Ik heb er niemand bijgekregen. U?

Kijk, dat is nou zo jammer van die Hoeksema's.
Ze zien alleen hun eigen klein verdriet.
Ze zijn bijzonder goeiig hoor, die Hoeksema's.
Maar dáát, hèè, dat hebben ze niet.