BBB-logo

Bush Budgies

Help

Terug

meedoen afspraken eerste vogels

beschrijving

Uit de doelstelling "Budgerigars die zo veel als mogelijk is, gelijk zijn aan de wildvorm" volgt dat de beschrijvingen, foto's en alle andere aanwijzingen nooit meer kunnen zijn dan richtlijnen.

In de vrije natuur zijn natuurlijk een aantal algemene soortkenmerken duidelijk aanwezig. Zoals de kleur: groen-geel, undulaties, blauwe staartpennen. Maar binnen die kenmerken hebben de vogels elk hun eigen uiterlijk.
En wie veel met dieren omgaat, weet dat ze ook elk hun eigen karakter hebben.
Dat heeft voor ons als gevolg dat we onze Budgies kunnen kweken op die algemene kenmerken, maar nooit op basis van een beschrijving 100 % goed of 100 % fout kunnen zeggen. De speling binnen de natuur blijft ook voor onze vogels gelden.
Een aanpak zoals bij de standaard TT parkieten, die aan zeer nauwkeurige regels moeten voldoen, is dus niet mogelijk.

Wat wel duidelijk zal zijn, is dat in de vrije natuur afwijkende kleuren zoals geel of blauw wel voorkomen, maar weinig levenskans hebben. In de eerste plaats omdat die gemuterde vogels al snel slachtoffer worden van predatoren, in de tweede plaats omdat bij de natuurlijke partnerkeuze ze niet geaccepteerd worden en dus niet voortplanten. Die afwijkingen worden daarmee zodanig onderdrukt worden, dat ze maar een op de zoveel duizenden voorkomen.

De beschrijving

Pop voert jong op nest

tekening

De trotse man

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De volledige titel van het boek is:

"Zoology and botany of New Holland and the isles adjacent / the zoological part by George Shaw; the botanical part by James Edward Smith (1794)".

Volgens het voorwoord heeft Shaw zijn deel in 1793 voltooid en werd het in 1794 samen met het werk van Smith als een boek uitgegeven.

Wat vaak wordt opgegeven als eerste beschrijving is zijn artikeltje in het tijdschrift "Naturalist's Miscellanious" uit 1805, maar dat was een latere en zeer summiere beschrijving, zie onderaan deze pagina.

 
Deze beschrijving is vertaald vanuit de beschrijving van Georg Shaw, in zijn boek "Zoology of New Holland" van 1794

(Zie ook onderaan de kolom links).


Wat opvalt is de bouw van de zinnen en het nogal door elkaar noemen van allerlei eigenschappen. Dat was toen de normale manier van publiceren.

Voor de gewone Nederlandse beschrijving
zie pagina "beschrijving".

De grasparkiet behoort tot de kleinere papegaaien, doch zijn lange staart doet hem groter lijken dan hij in werkelijkheid is.

Zijn lengte bedraagt 20* tot 22*, zijn spanwijdte 26 tot 27, de vleugellengte 9, de staartlengte bijna 10 cm. Zijn gestalte is zeer sierlijk, het lichaam slank, de snavel hoger dan lang, aan de zijden en aan de bovenkant afgerond, de bovensnavel bijna loodrecht naar beneden gebogen, de onderkant diep ingekerfd vervolgens tot een spits versmald ver reikend tot over de ondersnavel, de laatste even hoog als de bovensnavel en aan de voorkant boven afgerond; de poten zijn dun, slank en naar verhouding hoog en voorzien van lange tenen en nagels, de vleugels lang en spits toelopend, van de slagpennen de tweede pen het langste, de vleugelpunt bijna even lang als het bovendeel van de vleugel, de lange staart waarvan de beide middelste veren ver voorbij de andere uitsteken, trapvormig, zodat het buitenste paar slechts een derde deel is van de lengte der middelste, de bevedering buitengewoon zacht en zeer sprekend getekend, naar geslacht nauwelijks, naar leeftijd weinig verschillend. Voorhoofd, bovenkop, teugels en de streek rond de ondersnavel zijn zwavelgeel, aan weerszijden begrensd en versierd met elk vier, zich aan de top van verlengde veertjes bevindende diepblauwe vlekken, waarvan die op de wangen zit de grootste is, terwijl de drie overige er uitzien als ronde stippen; oorstreek, achterkop, nek, mantel, schouders en het grootste deel van de vleugeldekveren hebben een groenachtig gele kleur, elke veer echter is voorzien van vier smalle, op de schouders en vleugeldekveren van twee bredere zwarte dwarsbanden; onderrug, stuit en bovenstaartdekveren alsmede de onderzijde vanaf de kin zijn prachtig grasgroen, de handpennen en de dekveren hiervan dofgroen, aan de buitenzijde smal geel, aan de binnenzijde zwartachtig gezoomd, in het midden met brede wigvormige geelachtige vlekken getekend, de armpennen aan de buitenzijde groen, smal geelachtig gerand, binnenzijde geel, aan de basis zwartachtig, de laatste armpennen en de laatste schouderveren bruinzwart met brede, gele eindzoom, de beide lansvormige veren van de staart dof donkerblauw, de overige stuurpennen groenblauw met in het midden een brede, citroengele vlek welke zich over beide vlaggen van de veer uitstrekt, en brede zwarte zomen aan de basis van de binnenvlaggen. Het oog ** is bleekgeel, de snavel hoorngeel, aan de basis groenachtig grauw, de washuid donkerblauw en de poot blauwachtig groen. Het iets kleinere wijfje onderscheidt zich van het mannetje doordat de keelvlekken niet helemaal zo groot zijn en de washuid als regel grauwgroen gekleurd is.

Het gewicht van de volwassen grasparkiet in de vrije natuur varieert voor de mannen van 26 tot 29, voor de poppen van 27-29 gram.

Vergelijken we bovenstaande beschrijving met het beeld dat we thans van de oorspronkelijke wildvorm hebben, dan wijkt de beschrijving die Shaw ruim 200 jaar geleden van de grasparkiet maakte op slechts een onderdeel wezenlijk af. De ronde keelstippen zijn immers niet diepblauw maar zwart. Kennelijk heeft Shaw op dit punt dus niet goed gekeken of het niet goed opgeschreven.

* Ter verduidelijking nog een opmerking bij de opgegeven lengtemaat van 20 tot 22 cm. Hier werd bedoeld de lengte gemeten vanaf de snavelpunt via de schedel tot aan het uiteinde van de staart en niet, zoals men thans de lengtemaat van de vogels aangeeft, van kruin tot staartuiteinde.
Met de thans toegepaste meetmethodiek komt men dan uit op een lengte van ongeveer 19 cm.

** Bedoeld is de irisring. Deze ligt vrijwel geheel verborgen achter de oogleden. De pupil is gewoon zwart.

 

 

Op de uitkijk

Hieronder de beschrijving zoals Georg Shaw die publiceerde in tijdschrift "Naturalist's Miscellanious" (vol. xvi) 1 Oct., 1805.
 

THE UNDULATED PARRAKEET

GENERIC CHARACTER

Bill hooked : upper mandible moveable.
Nostrils round, placed in the base of the bill.
Tongue fleshy, broad, blunt at the end.
Legs short : feet scansorial.

SPECIFIC CHARACTER

Long-tailed green parakeet, undulated above with brown; the throat yellowish, with blue spots, and the tail-feathers yellow at the base.

The highly elegant species of Parrakeet represented on the present plate in its natural size, is an inhabitant of New Holland, and seems to have been hitherto undescribed. The upper parts of the bird, from the bill to the rump, are of a pale yellowish green, beautifully crossed by numerous linear brown undulations, which become gradually larger as they approach the back and shoulders : the wing-feathers are brown, with pale olive-yellow edges : the under parts of the bird, together with the rump, are of an elegant pale green : the throat pale yellow, mottled on each side with a few small deep blue scattered spots, accompanied by small black crescents : the tail is of a cuneated form, and of a deep-blue color, with a bright yellow bar running obliquely across all the feathers except the two middle ones, which considerably exceed the rest in length : the bill and legs are brown.