Achtergrondinformatie

Voorleesverhaal:

Mol en kip

‘Tiedeliedeliedum!’. Mol is druk aan het graven en zingt een vrolijk liedje bij zijn werk. ‘Zo, deze is bijna klaar.’ Hij draait zich om. ‘Wat een prachtige gang,’ zegt hij tevreden. ‘Leuke bochtjes zitten erin, mooi stevig. Alleen jammer dat ik het aan niemand kan laten zien.’ 

Plotseling… valt er halverwege de gang een heleboel aarde naar beneden. ‘Alarm! Een instorting!’’ roept Mol. Hij rent ernaartoe en kijkt omhoog. ‘Wat is dat? Wat steekt daar nou door het plafond?’ Mol kruipt dichterbij om het beter te zien. Het lijken wel wurmen. Wat een geluk! Een heleboel wurmen tegelijk! Mol telt. Het zijn er acht. Hij likt zijn lippen af. Wormen zijn zijn lievelingskostje. Larven en torretjes zijn ook lekker, maar wurmen… mmmm. Mol snuffelt. Deze wurmen ruiken anders dan anders. Mol besluit heel voorzichtig te proeven. Hij steekt zijn tong uit, likt en… springt geschrokken achteruit. De wurmen spartelen wild en er komt een hele berg aarde naar beneden. ‘Dit is niet pluis,’ mompelt Mol. ‘Dit zijn geen wurmen. Maar wat zijn het dan?

Ik ga maar eens een kijkje nemen hierboven.’ Mol graaft vliegensvlug een gat en steekt zijn kop boven de grond. ‘Oef, wat is het hier licht!’’ Hij slaat zijn poten voor zijn gezicht. ‘Poooook,’ klinkt het vals naast hem. Mol knippert met zijn ogen. ‘Poooook. Wie ben jij?’ Naast hem zit een wit beest. Het kijkt hem met grote ogen aan. Mol zegt:  ‘Ik ben Mol. En wie ben jij?’

‘Poook, Kip. Ik ben kip. Ik zit vast. Kan jij mij helpen?’ Mol bekijkt Kip met half dichtgeknepen oogjes. Kip is groot en donzig. Ze heeft rode dingetjes boven op en ook onder haar kop. En ze heeft geen poten. ‘Waar zijn jouw poten?’ vraagt Mol. ‘Weg,’ zegt Kip. ‘Ik zag een lekker wurmpje kruipen en rende ernaar toe en opeens zakte ik zo maar in de grond!’ Kip schudt met haar vleugels en zegt griezelend:  ‘En er knabbelde iets aan mijn tenen daar beneden, huuu!’  

Mols gezicht klaart op. ‘Aha, ik snap het al! Dat was ik dus, en die wurmen dat waren jouw poten!’ ‘Wurmen, poook, poook!’ kakelt Kip opgewonden. ‘Waren er wurmen? Daar ben ik dol op! Maar ze kruipen altijd onder de grond en dan kan ik er niet meer bij.’ ‘Néé’, zegt Mol. ‘Ze kruipen altijd uit de grond en dan kan ík er niet meer bij!’ Mol en kip zijn beiden even stil en bekijken elkaar.

‘Kan je me helpen?’ vraagt Kip. ‘Ik kan toch niet altijd zo blijven zitten?’ ‘Natuurlijk!’ en Mol duikt het gat in. Daar hangen de poten van Kip. Mol bukt en gaat onder de poten van Kip staan. Hup! Hij geeft een flinke duw omhoog. Ploep! De poten schieten terug. Mol kijkt omhoog in het licht. ‘Jammer van dat mooie plafond. Maar dat repareer ik wel weer.’ Plotseling verschijnt de kop van Kip. Mol doet een stap opzij. Kip steekt haar kop door het gat. In haar snavel heeft ze een wurm. Ze laat hem vallen. ‘Poook, wat is het hier donker!’ zegt ze. ‘Ik zie geen steek! Mol, ben je daar nog?’ ‘Jawel,’ zegt Mol. Hij grijpt de wurm die ervandoor probeert te gaan. ‘Mol, bedankt dat je me bevrijd hebt.’ Graag gedaan,’ zei Mol. ‘Je bent door mijn dak gezakt. Ik zal voortaan dieper graven.’ Kip trekt haar kop terug. ‘Mol!’ roept ze door de opening. ‘Kom je een keertje bij mij op bezoek?’ ‘Goed,’ zegt Mol met volle mond. ‘Dat doe ik.’

Beeldplaat: