De zoetwatervis
Je komt ze het meest tegen in rivieren, grote meren en plassen.
Je komt ze minder vaak tegen in kleinere wateren , bv. poelen, vennen, beken en sloten.
Brasems zijn schuw en verstoppen zich vaak tussen de waterplanten.
Ze zijn minder schuw tijdens de paai, dan laat hij zijn schuwheid varen.
De grootste natuurlijke vijanden van de brasem zijn de snoek en de baars.
De brasem is makkelijk te herkennen aan de hoge rug en afgeplatte zijden.
Volwassen exemplaren kunnen wel 80 cm lang worden.
En in Nederland wordt de brasem gemiddeld 15 jaar.
Je vindt de gewone snoek meestal in heldere , ondiepe tot matig diepe wateren met veel plantengroei.
Ze komen meestal voor in stilstaand of matig stromend water,en is makkelijk te herkennen aan de rugvin (hij heeft er maar èèn en staat ver naar achteren).
De snoek is èèn van de grootste vissen in Nederland , de vrouwtjes kunnen wel 140 cm lang worden.
De mannetjes worden meestal niet groter dan 85 cm lang.
De grotere snoeken (vanaf 60 cm ) komen wel in open en onbegroeide wateren voor.

De snoekbaars is ook een roofvis , hij voelt zich niet zo thuis in helder en plantenrijk water maar in troebel water.
Hij is gemakkelijk te herkennen aan zijn twee gescheiden rugvinnen.
De achterste rugvin is zacht in tegenstelling tot de voorste die is hard en stekelig.
De snoekbaars is iets minder groot dan de snoek (maximaal 120 cm).


De baars kun je herkennen aan een drietal kenmerken.
Aan de zwarte verticale strepen over het hele lichaam herken je hem meestal. Op de achterzijde van de voorste rugvin zit een zwarte inktvlek die bijna altijd te zien is. Ook kan men hem herkennen aan de stekels van de eerste rugvin ( hij heeft er twee ). De baars vindt je meestal in langzaam stromende rivieren of heldere meren. Hij houd niet van troebel water en is een echte daglichtvis. De baars wordt ongeveer 40 cm lang.
De Baars
De Snoekbaars
De ruit voorn is te herkennen aan de bloedrode kleur van de buikvinnen en zijn goudkleurige ogen.
De maximale lengte van de ruitvoorn is ± 40 cm met een gewicht van ongeveer 1 kilo.
Deze vis bevindt zich graag in helder ondiepwater met veel waterplanten.
Hij leeft vlak onder het wateroppervlak om watervlooien , slakjes en insekten te vinden.
De Ruitvoorn
De Snoek
De Brasem
De Kolblei
De blankvoom is met de brasem de meest algemene vis in Nederland.Deze uitzonderlijk flexibele vissoort komt in vrijwel ieder watertype voor, ook nog vaak in zeer behoorlijke hoeveelheden.

De blankvoorn is aanwezig in vrijwel alle grotere en kleinere meren, rivieren, kanalen, zandwinputten en sloten. Daarbij komt de blankvoorn zowel in relatief koude als warme wateren voor.

De blankvoom heeft een hoge tolerantie voor lage zuurstofgehaltes waardoor ook wateren met een verminderde waterkwaliteit voor deze vis leefbaar zijn.

Zijn grote aanpassingsvermogen is er de oorzaak van dat de blankvoorn zich in nieuwe wateren als èèn van de eerste vis-soorten goed kan ontwikkelen.

Dit is bijvoorbeeld ook gebeurd bij zoute wateren die door indijking zoet zijn geworden, zoals het IJsselmeer en enkele afgesloten zee-armen. Alhoewel de blankvoom een zoetwatervis is bestaat er een redelijke tolerantie voor zout water. Binnen enkele seizoenen is daar een sterke, goed groeiende blankvoorn-stand ontstaan.
De Blankvoorn
In Nederland komt de kolblei vrij algemeen voor. De kolblei wordt meestal in de nabijheid van brasems aangetroffen maar wat minder frequent dan de brasem en in minder grote aantallen.

In de rivieren is de kolblei wat algemener dan in grote meren en plassen. Daarnaast schijnt de kolblei een voorkeur te hebben voor plaatsen waar de bodem plotseling steil afloopt.

In open water komt hij minder vaak voor.

In grote meren houdt de kolblei zich meestal in scholen op in met waterplanten begroeide oeverzones.

In rivieren zoekt de vis vaak de plaatsen op met de minste stroming, bijvoorbeeld in zijtakken of binnenbochten.

In de rivieren en ondiepe meren van het laagland komt hij vaak talrijk voor. Ook hier geven zij de voorkeur aan een plantenrijke omgeving. Kortom, de kolblei is op en top een vis van veel oorspronkelijke watertypen.

Ook in brak water treffen wij de kolblei aan. Hij is niet te vinden in wateren boven een hoogte van 600 meter boven zeeniveau.
De Zeelt
In Nederland is de zeelt vrij algemeen voorkomend.

Zijn voorkeur gaat uit naar wateren met veel plantengroei en een zachte bodem. Er mag een geringe stroom zijn, maar in matig of nog sterker stromend water voelt de zeelt zich niet thuis.

Een harde zandige of stenige bodem, troebel water of grote diepte maken een water ook minder geschikt voor de zeelt. Het is een echte 'poldervis'.

De zeelt kan goed tegen hoge watertemperaturen. Bij temperaturen van circa 24 °C gedijt de zeelt uitstekend, pas boven de 35 °C ontstaan er voor de zeelt grote moeilijkheden.

Aan het zuurstofgehalte stelt hij geen hoge eisen want hij is goed aangepast aan de soms zuurstofarme omstandigheden van zijn woonomgeving.

Een zeelt is een tamelijk schuwe bodemvis. die zich gewoonlijk tussen de planten en nabijde bodem ophoudt.

Dankzij zijn dikke, slijmerige en met zeer kleine schubben bedekte huid heeft de zeelt geen enkele moeite om zich tussen de waterplanten wort te bewegen.
De Aal
In Nederland is de aal èèn van de meest algemene vissoorten.

Het verspreidingsgebied wordt van nature bepaald door de mogelijkheid voor glasaal om vanuit zee de zoete binnenwateren op te trekken. AIIe wateren met een open verbinding naar zee komen daarvoor in aanmerking.

De aal voelt zich thuis in de meest uiteenlopende watertypen. Mits niet teveel gehinderd door obstakels op de trekroute, kunnen alen zelfs terecht komen in de bovenlopen van beken en rivieren.

Ook afgesloten wateren kunnen soms van nature door alen worden bevolkt, doordat ze via klim en klauterpartijen menige hindenis weten te passeren.

Niettemin geldt algemeen dat hoe verder een water landinwaarts is gelegen, des te dunner de aalbevolking is.
De Winde
De winde is èèn van de weinige stromend water vissen die in Nederland algemeen voorkomt.

De winde is dan ook een vissoort die geheel is aangepast aan het leven in de laagland rivieren en daarmee bij uitstek geschikt voor de Nederlandse omstandigheden. Laagland rivieren stromen langzaam tot matig en bezitten een zand of kleibodem.

Nederland is een echte laagland delta waar veellaagland rivieren afstromen naar zee. De veel voorkomende overstromingsgebieden langs deze laagland rivieren vormen een ideaal opgroeigebied voor jonge winde.

Laagland rivieren met overstromingsgebieden zijn overigens niet alleen maar in Nederland te vinden. Zo hebben landen als Denemarken, Polen, Estland en langs de Zwarte Zee erg veellaagland rivieren. En in al deze genoemde landen is de winde daarom een vrij algemene vissoort