Terug naar homepage

naar inhoudsopgave

HET PIJPENBOEK VAN JANNEMAN

(Versie 22 juli 2009)

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image001.jpg

 

VOORWOORD

Een pijp is een ware vriend. Een nimmer aflatende troost als het leven tegenzit, een geruststellende bevestiging als het leven goed is. De pijp biedt verstrooiing als alledaagse chaos ons dreigt te overmannen, warmte in kou en regen, een bezigheid als we moeten wachten en bovenal goed gezelschap als we achteroverleunen en de grote boze wereld laten voor wat hij is. Als Herman Melville in ’Moby Dick’ de lezer wil duidelijk maken dat kapitein Ahab daadwerkelijk gek is geworden, laat de schrijver hem zijn pijp overboord gooien (1). Ooit eens was dit eenvoudige gebaar sprekender dan een hele psychologische verhandeling; geen zinnig mens neemt immers vrijwillig afscheid van zo’n trouwe kameraad.

 

Pijp roken is meer dan wat gedroogde bladeren in een uitgeboord stuk hout proppen en daar de brand in jagen. Ieder die wel eens een doosje lucifers heeft verbruikt in zijn pogingen om één enkele pijp leeg te roken zal dat grif beamen en de blaren op zijn tong als bewijs aanvoeren voor deze stelling. Pijp roken vergt kennis, vaardigheid en ervaring. En meer nog; pijp roken vraagt om een bepaalde geestelijke gesteldheid, om een zekere rust en zorgvuldigheid. Zen en de kunst van het pijp roken? Dat is misschien wat sterk gesteld, maar een flitsende en gejaagde professionele presteerder zal toch moeite hebben met het genieten van een pijp. Om een pijp niet steeds weer te laten uitgaan is voortdurende aandacht nodig. En om geen gaten in de tong te branden is rust nodig. Het stoppen en opsteken van een pijp vergt alle concentratie, en ook daarna kan men niet op automatische piloot overschakelen. Een pijp eist voortdurende aandacht en geregeld fijngevoelig ingrijpen van de roker. Het is deze voortdurende aandacht die van pijproken zo een aangename en ontspannende bezigheid maakt. Of ik nu de grote problemen van deze samenleving bepieker of een nieuwe truc probeer te bedenken om studenten tot studeren te brengen, als ik een pijp opsteek ben ik even helemaal los van het probleem. En ook daarna blijft de pijp een deel van mijn gedachten beheersen, waardoor mijn onderbewustzijn ongehinderd de meer briljante oplossingen kan lanceren. Roken, en in het bijzonder pijproken is meer dan enkel toegeven aan een verslaving of aan de aandrang om ergens op te zuigen...

Pijproken lijkt een uitstervende kunst te zijn. Vermaledijde wetten -die lichamelijke gezondheid boven lichamelijk en geestelijk welzijn stellen- verbieden mij het roken op het werk, in een treincoupé, terwijl ik naar een film kijk, in een café, als ik ergens moet wachten of als ik nadenk over mijn boodschappen. Als ik tegenwoordig in het openbaar een pijp opsteek dan staat een jongetje met open mond te kijken alsof ik een ongehoorde goocheltruc uithaal. Collega pijprokers zijn een zeldzaamheid geworden.

Waar is de tijd gebleven dat in elk gezelschap wel iemand zat die bedachtzaam aan zijn pijp lurkend lang zweeg en dan tussen voorzichtige pufjes door min of meer doordachte uitspraken deed? Waar is de echte verteller gebleven, die in een door de pijp gedicteerd metrum oude verhalen doet herleven?

 

Als ik tegenwoordig tussen de zaterdagse schuifelende koopkudde een collega pijproker ontwaar springt mijn hart op van vreugde, en alleen algemeen fatsoen weerhoudt mij ervan deze broeder in levenskunst te omhelzen. Als ik deze collegepijproker al zo hard mis, hoe zwaar moet dit gemis dan wel niet zijn voor beginnend pijproker, die raad en daad zoekt voor zijn eerste schreden op dit edele pad? Hoe diep zijn wij als samenleving gezonken, als een zoon niet meer van zijn goede vader of grootvader leert een pijp te roken. Dit schrijfwerkje probeert een klein deel van die leemte te vullen.

 

1: letterlijke tekst:

Some moments passed, during which the thick vapor came from his mouth in quick and constant puffs, which blew back again into his face. "How now," he soliloquized at last, withdrawing the tube, "this smoking no longer soothes. Oh, my pipe! hard must it go with me if thy charm be gone! Here have I been unconsciously toiling, not pleasuring- aye, and ignorantly smoking to windward all the while; to windward, and with such nervous whiffs, as if, like the dying whale, my final jets were the strongest and fullest of trouble. What business have I with this pipe? This thing that is meant for sereneness, to send up mild white vapors among mild white hairs, not among torn iron-grey locks like mine. I'll smoke no more-"

He tossed the still lighted pipe into the sea. The fire hissed in the waves; the same instant the ship shot by the bubble the sinking pipe made. With slouched hat, Ahab lurchingly paced the planks.

 

 

Inhoudopgave

 

Terug naar homepage


Voorwoord

 

Hoofdstuk 1: Praktische aanwijzingen

1.1 Een goed begin

1.2 Een nieuwe pijp inroken

1.3 Een pijp roken

1.4 De pijp gaat uit

1.5 Blaren op de tong

1.6 De perfecte pijp

1.7 Onderhoud van pijpen

1.8 Over filters

 

Hoofdstuk 2: Over pijpen

2.1 Waarom zoveel pijpen

2.2 Wat voor pijpen

2.3 Hout

2.4 Meerschuim

2.5 Maïskolf

2.6 Modellen

2.7 Kwaliteit in pijpen

 

Hoofdstuk 3: Over tabak

3.1 Pijptabak

3.2 Soorten tabak

3.3 Technische toevoegingen

3.4 Vormen van tabak

3.5 Onderhoud van tabak

3.6 Aantekeningen maken over gerookte tabak

 

Hoofdstuk 4: De opschepper

4.1 Mijn pijpenrek

4.2 Over mij

 

5: Bronnen en literatuur

 

6: revisiegeschiedenis 

 

 

 

 

 

 


HOOFDSTUK 1, PRACTISCHE AANWIJZINGEN:

terug naar inhoudsopgave

 

1.1 EEN GOED BEGIN

Het leven is niet eenvoudig voor de beginnende pijproker. De eerste blik in een lokale tabakszaak levert een angstaanjagende keuze aan tabak en pijpen op. Waar te beginnen, wat te kopen? En goedkoop benne die krengen ook al niet…

Vermoedelijk ben ik te laat met mijn raadgevingen tegen de tijd dat U dit leest. U heeft immers al een pijp gekocht, daarom heeft U nu ook gezocht naar informatie over pijproken. Voor die enkele aspirant pijproker die hier nog zonder pijp is aangeland, en voor die mensen die net hun eerste pijp hebben aangeschaft zou ik toch wat adviezen willen geven over het begin van de loopbaan als pijproker. Let op; de navolgende raadgevingen zijn gebaseerd op mijn eigen smaak en ervaring, en zijn geen in steen gehouwen wetten. Wat heeft U nodig voor uw eerste schreden?

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image002.jpg

 

Een pijp

Tabak

Een pijpenstopper (driepotertje)

Genoeg pijpenragers

Een gasaansteker of een hoop doosjes lucifers…

Een flinke asbak

 

De pijp

Koop als eerste pijp geen absoluut topstuk, maar probeer ook niet te goedkoop te beginnen. Een pijp gaat lang mee, levenslang, als U een beetje met zorg te werk gaat. Het loont dan ook echt de moeite om als eerste pijp iets te kopen waar U uw hele leven uit wilt roken… Er zijn nogal wat zaken die de kwaliteit van een pijp bepalen, en er is wel het een en ander dat verkeerd gedaan kan worden bij het maken van pijpen. De allergoedkoopste pijpen zijn doorgaans gemaakt van slecht gedroogd hout, slordig geboord en afgewerkt met een laag hoogglansvernis of verf die de pijp ‘smoort’. Het gevolg is dat zo’n pijp nooit goed zal gaan smaken…

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image003.jpg

Men neme een pijp…

 

Als eerste pijp zou ik een houten exemplaar aanbevelen, en niet te sterk gebogen. In grote lijnen zou ik vooral willen adviseren om een zo gemiddeld mogelijke pijp te kopen: kies een pijp die geen extreem grote of kleine kop heeft, of extreem lange of korte steel. Een gemiddelde pijp is ongeveer 14 cm lang, heeft een kop die van buiten ongeveer 4,5 cm hoog is en ongeveer 4 cm dik. Het tabaksgat –de ketel- is ongeveer 2 cm breed en ongeveer 3,5 cm diep. Deze getallen zijn natuurlijk heel algemeen, maar het geeft tenminste een idee.

Er zijn een paar merken waar ik op grond van eigen ervaring met een gerust hart naar durf te wijzen: Danske Club en Stanwell uit Denemarken (Danske Club is voor zover ik weet een soort van B-merk van Stanwell). Verder heeft de Firma Gubbels uit Roermond onder het merk Big Ben altijd goede pijpen gemaakt. Beide merken produceren machinaal gemaakte pijpen die goed zijn; ik heb er nog nooit een echt slechte pijp van gekocht. Als U voor uw eerste pijp tussen de 50 en 80 euro uitgeeft -prijsniveau 2007- heeft U een fatsoenlijke pijp die in elk geval goed te roken is. Die pijp is dan wel geen uniek exemplaar, en zal ongetwijfeld vullingen bevatten die later niet zo fraai zichtbaar worden, maar met de smaak en het rookgenot zelf zal niets mis zijn.

Een test die U nog voor aankoop al in de winkel kunt uitvoeren is de zogenaamde pijpenrager-test. Koop als eerste een pakje pijpenragers (gewone witte pijpenragers). Probeer vervolgens of bij uw pijp naar keuze de pijpenrager zonder veel problemen via het mondstuk naar binnen gestoken kan worden, totdat het uiteinde van de pijpenrager in de kop zichtbaar wordt. Dit gaat het beste bij rechte pijpen zonder enig filter. Het is niet noodzakelijk dat dit kan, maar ik denk dat U er veel plezier van zult hebben als dit wel kan. Als de pijp van uw keuze in plaats van een filter een metalen frutseltje in het mondstuk heeft zitten, dan kunt U dat eruit trekken of draaien, en met een grote boog weggooien of bijzetten in uw verzameling nutteloze voorwerpen; het dient namelijk nergens voor. Over de andere filters kunt U meer vinden in hoofdstuk 1.8, maar voor een eerste pijp zou ik eigenlijk geen filterpijp aanraden.

Om redenen die ik elders uitleg, heeft een pijproker doorgaans meer dan één pijp nodig. Tenzij U geld over heeft, raad ik U niet aan om meteen een heel rek pijpen te kopen, er is namelijk een kans dat het hele pijproken uiteindelijk niet bevalt… Maar aangezien een pijp in feite maar één keer per dag gerookt kan worden, zal zich al snel de behoefte voordoen aan meer dan één pijp. Een goedkope tussenoplossing is eventueel één of twee maïskolfpijpen kopen (zie hoofdstuk 2.5). Ze zien er misschien wat vreemd uit; geel, en ze doen denken aan stip of tekenfilmfiguren (Popeye en Ollie B Bommel komen in gedachten). En ze hebben geen eeuwig leven. Maar als U ze ergens kunt vinden dan zijn ze niet duur, zonder verder inroken te gebruiken, en ze smaken uitstekend.

 

Tabak

Over de eerste tabak die iemand moet kopen kan ik erg weinig zeggen. Er zijn veel tabakken, en de meeste zijn goed. Tabak is echt een kwestie van smaak. Geheel op grond van mijn eigen smaak en ervaring raad ik mensen vaak aan om met zoiets als Neptune of een van de vele Mac Baren blends te beginnen. Dit zijn in elk geval ‘technisch’ goede tabakken. Met technisch goed bedoel ik dat ze over het algemeen goed branden, goed leegroken en geen al te extreme smaken hebben. Voor het inroken van een nieuwe pijp zou ik eigenlijk een baaitabak moeten aanraden, zoals Koopvaert, Heerenbaai of Voorttrekker, maar die tabakken hebben nogal de neiging om op de tong te branden, en veel mensen vinden ze, zeker in het begin, niet zo lekker smaken, dus misschien is dat toch niet de meest ideale tabak om mee te beginnen.

Uiteindelijk is het vinden van de ideale tabak een van de grote genoegens van het pijproken; ik ben er al een dikke 30 jaar mee bezig, en het einde is nog niet in zicht.

 

En de rest

De andere spullen zijn naar verhouding eenvoudig. De pijpenstopper kan zo eenvoudig zijn als U maar wilt, en daar zou ik ook zeker mee beginnen.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image004.jpg                           Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image005.jpg

 

Links van boven naar beneden eenvoudige tot luxe varianten pijpenstoppers, rechts een fraaie tafelpijpenstopper met voet.

 

Later is er in de eindeloze jacht naar rokersparafernalia nog tijd genoeg om een hele verzameling van deze dingen aan te leggen. Één voor elke broek- of jaszak, één voor elke kamer, één voor elke tafel… Omdat dit instrumentje zo onmisbaar is, kun je er uiteindelijk namelijk nooit teveel van hebben…

 

De pijpenragers zijn in elkaar gedraaide ijzerdraadjes met daartussen pluizig stof. Ze absorberen vocht en vegen een pijp schoon. Koop niet die ragers waar ook harde puntjes tussen het stof zitten, dat soort is vooral voor het echt schoonkrabben van een pijp, en dat is maar hoogst zelden nodig. De normale zachte pijpenragers gebruik ik daarentegen de hele tijd. Niet alleen na het roken, om een pijp schoon te maken, maar ook tijdens het roken, om even in de pijp te steken en wat vocht uit het mondstuk te halen.

 

Een eenvoudige wegwerp gasaansteker voldoet. Lucifers zijn stijlvoller, maar zeker in de beginfase ook vaak frustrerend, omdat ze zo duidelijk doen voelen hoe vaak een pijp wel niet moet worden aangestoken. De duurdere speciale gasaanstekers voor pijprokers, waar het vlammetje meer of minder schuin uitkomt zijn, net als de luxe pijpenstoppers, meer iets voor latere aanvallen van verzamelwoede.

 

En tenslotte is er de asbak. Het voornaamste dat daarvan te zeggen valt is dat hij in elk geval niet te klein moet zijn. Er komt namelijk uiteindelijk een berg as in terecht, U moet met pijp en pijpenstopper boven die asbak kunnen manoeuvreren, er komen pijpenragers in te liggen, en als U begint met lucifers komen er ook nog eens bergen lucifers in terecht. Men neme een mannelijke maat asbak, zeg maar.  

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image006.jpg

Asbakken voor gevorderden. Links gewoon een flinke bak, in het midden de nieuwe klassieker ‘café-asbak’ en rechts een speciale asbak voor pijprokers: geen aflegpunten voor sigaretten of sigaren, maar in het midden wel een kurk om een pijp op uit te kloppen.

 

  

1.2 EEN NIEUWE PIJP INROKEN

terug naar inhoudsopgave

 

Een nieuwe pijp van hout moet in feite ingerookt worden. Geen goed nieuws voor de startende pijproker die nu zo snel mogelijk aan de slag wil met zijn nieuwe speelgoed, maar misschien kan het inroken wel goed samen gaan met de eerste stappen op weg naar een goed pijproker worden.  Het doel van inroken is het creëren van een dunne koollaag aan de binnenkant van de pijpenkop. Een pijp die niet met zorg wordt ingerookt maar gewoon in gebruik wordt genomen, zal na verloop van tijd ook wel ingerookt raken. Alleen is het risico op scheuren en doorbranden van die pijp dan iets groter, en is het mogelijk dat die pijp niet zo lang meegaat. Inroken is nodig om de pijp op lange termijn heel te houden, een goede koollaag aan de binnenkant van de kop beschermt het hout tegen verbranden. Naast deze bescherming wil inroken ook nog wel eens de smaak van een pijp verbeteren: de koollaag absorbeert vocht zodat een pijp droger rookt, en soms moeten er bij nieuwe pijpen ook wel wat bijsmaakjes weggerookt worden. Een andere reden voor inroken is de geleidelijke kennismaking met onze nieuwe aanwinst. Elke pijp heeft zo zijn eigen sterke en zwakke kanten, en het geleidelijke proces van inroken is een voortreffelijke manier om alle nukken en eigenaardigheden van een pijp te leren kennen, en ermee te leren leven.

 

Ondanks hardnekkige geruchten en wilde verhalen in boeken en op internet wordt er bij het inroken geen water, geen honing en geen rituele rondedans gebruikt. Ook volle maan en zonnewende hebben geen speciale functie in dit hoofdstuk van het pijproken. Het inroken is eenvoudig. Stop de pijp voor éénderde en rook hem volgens alle regels der kunst leeg. Doe dit maximaal één keer per dag en in het totaal 3 tot 5 keer. Daarna kan de pijp voor tweederde gevuld worden, en weer wordt de pijp maximaal één keer per dag gerookt gedurende drie tot vijf dagen. En tenslotte kan de pijp volgestopt worden om het inroken volledig af te ronden.

 

Inroken duurt in principe zo lang als nodig is om een mooie gelijkmatige koollaag binnen in de kop te kweken, en dat kan dus maanden duren. Maar het zijn de eerste 10 tot 20 keer die echt van belang zijn om een goed begin te maken. Gebruik liefst een 'droge', weinig of niet gesausde tabak voor het inroken, met weinig eigen smaak. Hierbij blijft de temperatuur in de kop het laagst (dit heeft niets te maken met hoe heet een tabak op de tong aanvoelt, zie hoofdstuk 1.5). Baaitabak is in feite ideaal, maar is bij een onjuiste rooktechniek is nu net baaitabak snel erg heet op de tong. Voordeel daarvan is wel weer dat snel duidelijk wordt hoe een pijp zich ontwikkeld; binnen twee weken wordt de pijp merkbaar minder scherp en droger om te roken. Voor een beginnend pijproker twijfel ik over baaitabak aanraden, omdat hij zo snel scherp smaakt is dat wel een lastigere tabak. Als geen baai wordt gebruikt kan elke andere tabak gebruikt worden.

 

Inroken heeft een functie voor het heel houden van pijpen, en in dit verband moet ik ook even het buiten roken noemen. Buiten hebben pijpen de neiging harder te branden door het minste of geringste briesje, en het is nu net dat harder branden waartegen een pijp in het begin beschermd moet worden. Dus inroken gebeurd binnen, en pas als een pijp goed is ingerookt is hij klaar voor el fresco rookgenot.

 

In het begin lijkt het inroken van pijpen misschien een wat frustrerende en hinderlijke noodzaak, je wilt eigenlijk natuurlijk zo snel mogelijk ten volle genieten van je nieuwste aanwinst. Maar ik ben het inroken als een langzame kennismaking gaan zien, en op die manier is het wel een genotvolle aangelegenheid…

 

 

1.3 EEN PIJP ROKEN.

terug naar inhoudsopgave

 

Wat hier volgt is een algemene beschrijving in hoe een pijp te roken. Er zijn meer wegen die naar Rome leiden, en nog veel meer manier om een pijp te roken, maar het onderstaande verhaal werkt in elk geval voor mij.

 

1 Pijp controleren.

Is de kop leeg en schoon, trekt de pijp goed? Haal eventueel een pijprager door de pijp, liefst zonder de pijp uit elkaar te halen (voorzichtig wriemelen wil nog wel eens lukken, en dan lukt het nog het beste bij redelijk rechte pijpen).

 

2 Stoppen

Tabak goed losmaken en heel licht in de kop stoppen totdat de pijp vol is. Voorzichtig wat aandrukken zodat de pijp tot ongeveer tweederde gevuld is, en weer voorzichtig tabak bijvullen totdat de pijp weer vol is. Even aandrukken en proeftrekken; de pijp is goed gestopt als er net een merkbare weerstand is (zonder dat er echt hard getrokken moet worden). Telkens weer vullen en voorzichtig aandrukken totdat dit bereikt is. Een te los gestopte pijp rook nat, scherp en gaat vaak uit. Een te vast gestopte pijp trekt te zwaar en gaat ook uit. Meestal gaat een pijp na het aansteken nog iets zwaarder trekken.

 

3 Aansteken

Met lucifer of gasaansteker de pijp aansteken en voorzichtig trekken totdat het hele oppervlak gloeit. Dit kost minstens één lange lucifer en soms zelfs twee of drie lucifers. Het hele oppervlak moet echt goed gloeien zodat de tabak opkrult en zich wat losmaakt. Dan blijven trekken en met de stopper de tabak weer aandrukken totdat de pijp iets zwaarder trekt dan bij het stoppen. Meestal moet er daarna opnieuw aangestoken worden. Neem weer de tijd om het vuur goed in de tabak te trekken; hou de vlam gewoon boven de pijp, als U trekt gaat de vlam vanzelf naar de tabak toe. Bij de 2e keer hoeft niet meer het hele oppervlak van de tabak in de fik, een mooie gloeiende punt is dan genoeg, die gaat vanzelf aan de wandel door de tabak.

 

4 Roken

Rustig en gelijkmatig trekken nemen, en regelmatig de tabak wat aandrukken. Tijdens het roken blijft dit regelmatig aandrukken nodig; als de tabak te los komt gaat de pijp nat en heet roken, als de tabak te vast wordt aangedrukt wordt het zwaar trekken, en in beide gevallen gaat de pijp sneller uit. Neem steeds een trek terwijl de tabak aangedrukt wordt, zo voelt U wat U doet, er moet vooral niet te vast aangedrukt worden. Mocht dat te vast aandrukken toch gebeuren, probeer dan met een pijpenrager via het mondstuk tot in de ketel door te stoten. Als dit niet lukt moet met de wroeter de hele tabak in de kop losgemaakt worden. In dat laatste geval is het vaak beter om de pijp leeg te maken en weg te leggen, herstoppen lukt maar zelden echt goed omdat de tabak ondertussen veel natter is geworden (bij verbranding komt water vrij).

 

5 Laatste ronde

Het is normaal dat een pijp zo rond tweederde van de rookduur nog eens uitgaat. Normaal gesproken kan de as gewoon in de kop blijven, die zorgt er nu voor dat de pijp toch regelmatig blijft trekken en branden. Simpelweg nog eens aansteken volstaat doorgaans voor het laatste en meest aangename stuk roken van de pijp. Als de pijp tenslotte definitief de geest geeft, is het feest afgelopen.

 

6 Leegmaken en opruimen

Na het roken kan even heel voorzichtig in het mondstuk geblazen worden, om condensatievocht naar de kop en de asresten toe te drijven. Voorzicht is hier het kernwoord; het doel is geen vulkaanuitbarsting van as aan de andere kant van de pijp! Laat de pijp een paar minuten liggen, zodat het meeste vocht rustig in de asresten kan trekken. Hou dan de pijp ondersteboven boven een asbak, en met het schepje van ons driepotertje worden tabaksresten en as losgemaakt. Uitkloppen is voor barbaren en kost zowel asbakken en pijpen. Als het bij deze pijp kan, steek dan weer even via het mondstuk een pijpenrager tot in de kop om ook weer meteen zoveel mogelijk vocht op te zuigen. Let op: de pijp NIET uit elkaar halen, dat mag alleen bij een pijp die goed afgekoeld is. Tenslotte eens even stevig in het mondstuk blazen, om alle vocht zoveel mogelijk naar de nog warme kop te brengen en dan wordt de pijp met de kop als laagste punt weggelegd of gezet.  Een pijp heeft in feite daarna minstens een dag rust nodig alvorens ze weer gerookt wordt. Een pijp moet namelijk goed afkoelen en drogen voordat ze weer gerookt wordt. Zonder deze rust gaat een pijp steeds natter roken (pruttel-slurp-pruttel) en steeds scherper smaken.

 

belangrijke waarschuwingen:

- haal een pijp NOOIT uit elkaar tijdens of direct na het roken, een pijp moet volledig afgekoeld zijn voordat hij uit elkaar wordt gehaald, anders gaat op den duur het mondstuk loszitten.

- laat een leeggerookte pijp geen dag liggen met as en tabaksresten in de kop, de pijp gaat op den duur bitter smaken.

- Steek lucifers liever niet in de kop omlaag, hou ze erboven en zuig de vlam omlaag. Er komt bij de verbranding van lucifers wat paraffine vrij en dat kan langzaam de smaak van een pijp bederven.

 

 

1.4 DE PIJP GAAT UIT.

terug naar inhoudsopgave

 

Toen ik leerde pijproken werd gefronst over het gebruik van aanstekers bij pijpen. De handzame gasaanstekers waren nog onwaardige nieuwlichterij en de walmende benzineaanstekers gaven een bijsmaakje dat geen enkele tabaksfabrikant ooit bij het melangeren in gedachten had. Wat restte waren lucifers. Een pijp stak men aan met lucifers. Jawel. En zoals ieder beginnend pijproker ontdekt: het kost even moeite om een pijp aan de gang te houden… Ik vermoed dat ik persoonlijk verantwoordelijk ben voor de ontbossing van een Zweeds bosbouwperceel ter grootte van de provincie Brabant, zoveel lucifers heeft die eerste tijd gekost. Gelukkig zijn er tegenwoordig uitstekende gasaanstekers te koop. Pijp roken is balanceren op het slappe koord. Ter linkerzijde gaapt de afgrond van een steeds weer uitdovende pijp door te langzaam roken, ter rechterzijde lonkt de afgrond van blaren op de tong door te snel roken. De gulden regel is:

 

~Een pijp rookt men zo langzaam mogelijk~

 

(deze tekst desgewenst kopiëren, uitvergroten en gedurende de eerste paar jaar ingelijst boven uw pijpenrek hangen)

 

Een pijp rookt men zo langzaam dat hij net niet uitgaat en vooral niet sneller dan dat. Balanceren op dat wankel evenwicht tussen te snel en te langzaam is een kwestie van ervaring. De juiste manier van roken is niet uit te drukken in "twee trekjes per minuut" of iets dergelijks, elke tabak is anders, elke pijp is anders, en voor elke combinatie gelden andere regels. Ook de vochtigheid is van belang; te nat, en de tabak zal niet willen branden, te droog, en de pijp zal steeds harder gaan branden en steeds heter gaan roken. Als basisregel geld dat de tabak tegenwoordig zo goed verpakt is dat hij bij het openen van een nieuwe verpakking een fractie te vochtig maar goed te roken is. In het hoofdstuk over tabak staat meer te lezen over de vochtigheidsgraad van tabak, en hoe die te onderhouden.

 

Als grondregel geldt dat een pijp uitgaat als er te weinig trekken genomen worden, als de tabak te los in de kop zit of als de tabak te vochtig is. Tegen dat laatste, te vochtige tabak, is geen kruid gewassen. Uitmaken, de pijp leegmaken en de verpakking enige tijd openlaten zodat de tabak wat verder kan drogen is de enige remedie. Overigens kan dit eigenlijk alleen gebeuren bij tabak die we zelf vochtig hebben gemaakt, ik kan me niet herinneren dat ik ooit te vochtige tabak in een net geopende verpakking tegenkwam. Ik zou dan ook willen waarschuwen tegen een gebruik dat ik hier en daar tegen kom om verse tabak eerst een week of zo te laten drogen. Dat is normaal gesproken niet nodig, en duidt doorgaans op andere problemen.

 

Met betrekking tot het te weinig trekjes nemen kan ik alleen iets vertellen over mijn eigen manier van roken. In feite rook ik met regelmatige korte trekjes. Als ik merk dat er iets minder rook begint te komen, dan is de pijp aan het uitgaan, en dan neem ik wat sneller achter elkaar een of twee langere trekken. Het is niet de bedoeling om een uitslaande brand in de pijpenkop te bouwen, na die langere trekken ga ik weer verder met rustige korte pufjes.

Een ander trucje dat werkt om een pijp op gang te houden is het gedeeltelijk afdekken van de kop tijdens het nemen van een trek. Met een vinger of luciferdoosje het gat even voor het grootste deel afdekken maakt dat de tabak in de kop een meer gerichte luchtstroom krijgt, en daardoor sneller opgloeit.

 

De tweede oorzaak voor het uitgaan die ik noemde was tabak die te los in de kop zit. Om het gloeien 'door te geven' moeten de tabaksvezels elkaar raken. Als de tabak te los zit, wordt dat doorgeven van het heilig vuur moeilijker, en zal de pijp uitgaan. Omdat de tabak tijdens het roken opkrult zal de tabak in de kop steeds losser gaan zitten, en dus blijft het nodig om tijdens het roken regelmatig de tabak met de stopper een beetje aan te drukken. Als ik merk dat een pijp minder rook begint te geven, en een paar langere trekjes maken het niet beter, dan is het tijd voor een lange trek en tegelijk de tabak wat aandrukken (zie punt 4 van de basisstappen pijproken).

 

Een andere factor die van belang is voor het goed aan de praat houden van een pijp is de vorm van de ketel (het ‘gat’ waar de tabak inzit). Ik gaf eerder al aan dat er zoiets als een ideale maat  bestaat voor pijpenkoppen. Er is een reden waarom ik deze maten als voorkeur opgaf voor een eerste pijp. Een ketel die duidelijk breder dan normaal is heeft de neiging uit te gaan en moet dus iets steviger gerookt worden. Maar dat steviger roken kan natuurlijk al snel weer leiden tot te hard roken en een verbrande tong. Maar als we in die bredere ketel nu een tabak stoppen die vanzelf al erg goed brand, zoals baaitabak, dan hoeft er niet harder gerookt te worden en zal de pijp toch goed blijven branden. Vandaar dat bij baaitabak wel eens geadviseerd wordt om een pijp met een iets ruimere kop te gebruiken Een duidelijk nauwere ketel dan normaal brand doorgaans uit zichzelf al wat harder en moet dus rustiger gerookt worden. Tenzij we weer een tabak hebben die uit zichzelf al wat moeilijker wil branden…

En zo komt de mysterieuze samenwerking tussen pijp en tabak in beeld. Gaande dit hele boekje zult U ontdekken dat een pijproker doorgaans meer dan één pijp bezit. Dit is een van de betere smoezen om nog eens een pijp te kopen.

 

 

1.5 BLAREN OP DE TONG.

terug naar inhoudsopgave

 

Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen zijn uitverkoren. Toen ik opgroeide in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw was pijproken in de mode. Dat wil niet zeggen dat iedereen pijp rookte; het betekende vooral dat in elk huishouden wel minstens één pijp te vinden was. En doorgaans niet veel meer dan die ene pijp; alweer een brave borst die het geprobeerd had, zonder uiteindelijk als volbloed pijproker te eindigen. En de reden voor die vele pogingen zonder succes? Blaren op de tong…

Zoals ik in de paragraaf “De pijp gaat uit” al schreef is pijproken een balanceeract tussen te langzaam roken en te snel roken. Van te langzaam roken gaat de pijp uit, en van te snel roken krijg je een pijnlijke tong. En die pijnlijke tong is vermoedelijk de meest voorkomende reden waarom aspirant pijprokers hun pijpen in de wilgen hangen.

Allereerst moet ik misschien maar even ingaan op de oplossingen voor deze pijnlijke kwestie. Om kort te zijn: er is geen oplossing. Oei, auw, betekent dit dus dat elke pijproker met een permanent verkoolde tong door het leven gaat? Wees gerust, zo erg is het niet. Maar elke pijproker, hoe ervaren ook, zal wel eens geteisterd worden door een ietwat gevoelige tong. Het hoort bij pijproken zoals blaren bij serieus wandelen en zadelpijn bij serieus fietsen.

 

Oorzaak en oplossingen:

1: Te snel roken. Oplossing: rook langzamer (dit is grotendeels een kwestie van ervaring).

2: Tabak te droog. Oplossing: de tabak zelf een beetje vochtiger maken door een paar druppels water op een stuk koffiefilter te doen, en dat stukje filterpapier een paar dagen bij de tabak bewaren. De tabak komt doorgaans met de juiste vochtigheid uit de fabriek, het is na het openen zaak om de tabak telkens zorgvuldig te sluiten. Tabak hoort in elk geval nooit kurkdroog te zijn.

3: Tabak te vochtig, er moet te snel gerookt worden om de pijp überhaupt aan de gang te houden. Dit komt vooral voor als tabak door de roker zelf vochtiger wordt gemaakt. Oplossing: de tabak wat laten drogen.

4: Teveel pijpen op één dag gerookt. Oplossing: minder pijpen op één dag roken.

5: Een tabak die niet bij je past. Oplossing: kies een andere tabak.

 

En dan het goede nieuws; je kweekt in de loop der jaren ook wel wat gewenning, zo erg als de eerste maanden zal het doorgaans nooit meer worden. Drinken tijdens het roken helpt ook wel, al is het een buitengewoon persoonlijke zaak wat er dan gedronken moet worden. Cola en andere koolzuurhoudende dranken hebben op een gevoelige tong niet bepaald een heilzame werking; met wat pech heb je letterlijk de tranen in de ogen staan. Maar thee, koffie of zelfs gewoon water worden door de meeste mensen wel als verlichting ervaren. En gek genoeg kunnen soms zelfs een volgende pijp en andere tabak als geneesmiddel dienen, vooral als het probleem niet door teveel pijproken veroorzaakt wordt.

 

Wat is nu precies de oorzaak van die pijnlijke tong? Over het algemeen spreken mensen wel van ‘te heet roken’ en ‘die tabak brandt op de tong’, maar de rook die via een pijp onze mond binnen komt is doorgaans heel wat minder heet dan bijvoorbeeld een kop koffie. Bij een simpel experimentje van mezelf kwam van rook uit het mondstuk 40 tot 45 graden Celsius als maximum. Van brandblaren is dus geen sprake.

De pijnlijke tong is vooral een chemische reactie, ongeveer op de manier waarop peper of paprika op de tong brandt. Tabaksrook is meer of minder alkalisch. Hoe heter de temperatuur waarbij de tabak verbrandt, hoe alkalischer de rook wordt. En die alkalische rook laat een brandend gevoel op de tong achter. Het is dus zaak om de tabak zo ‘koud’ mogelijk te verbranden. En dat gebeurt via zo langzaam mogelijk roken; zo voorkomen we dat de rook te sterk alkalisch wordt.

Daarnaast leveren niet alle tabakken in gelijke mate alkalische rook op. Tabakken waar meer natuurlijke suikers in zitten zoals Virginia zijn doorgaans minder scherp op de tong, de tabakken met minder natuurlijke suikers zoals Burley en Maryland hebben eerder last van branden op de tong. Dit komt doordat suikers onder verhitting onder andere zuur produceren dat het alkalisch karakter van de rook vermindert.

De gevoeligheid van mensen voor alkalische stof op de tong verschilt enorm, je ziet dit bijvoorbeeld ook bij scherp eten; voor sommigen is een spoor van sambal in de nasi al een vuurvreters ervaring, anderen mengen een half potje erdoor en knorren tevreden dat je zo tenminste iets proeft. Met pijptabak is het al niet anders; wat de een als scherpe tabak ervaart wordt door de ander als aangenaam pittig ervaren. Vandaar ook dat het zo moeilijk is om adviezen over tabak te geven.

 

 

1.6 DE PERFECTE PIJP.

terug naar inhoudsopgave

 

Het leven valt niet mee. De voorgaande paragrafen wekken vast de indruk dat het leven van een pijproker een soort van zelfgekozen hel is, bestaand uit pijpen die uitgaan, verschroeide tongen en een ondoorgrondelijke pijp- en tabaknatuurkunde. Gelukkig loopt het niet allemaal zo’n vaart. Een pijp smaakt ook als hij 273 keer aangestoken moest worden. En de blaren op de tong zijn morgen weer over, en met frisse moed kan een volgende poging ondernomen worden. Ooit eens zal het lukken, en nog eens lukken, en weer lukken. Pijproken is in zekere zin een voortdurende zoektocht naar perfectie en genot. Zoals de Japanse theemeester jaar na jaar dezelfde handelingen in opperste concentratie herhaalt om uiteindelijk tot perfectie te komen, zo blijft ook de pijproker werken aan zijn kunst. De kunst van genot, jawel. De pijp kan niet, als een sigaret, achteloos aangestoken worden en brandt niet vanzelf tot het einde door. De pijp kan zelfs niet tegen af en toe een korte pauze, zoals de sigaar. Voor beginnend pijproker en voor oude rot, het blijft de moeite waard om eens af en toe een uurtje uit te trekken waarbij er geen storing is, geen onderbreking, geen afleiding, maar uiterste concentratie op dat wat we doen; een pijp roken. Niet elke pijp die we roken hoeft in diezelfde heilige sfeer genuttigd te worden, maar één keer per week een uurtje om echt een pijp te roken maakt dat we ons bewust blijven van wat we doen, en de lessen die we dan leren helpen ons meer te leren over pijproken, en zorgen ervoor dat ook ons ‘alledaags’ roken steeds beter verloopt. Nog steeds, na meer dan 30 jaar pijproken, heb ik momenten waarop ik, na een uur geconcentreerd rookgenot, de pijp in de asbak leegmaak en tevreden achterover zak. Ik heb weer eens een perfecte pijp gerookt. Hoe ziet zo’n echte rooksessie er uit?

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image007.jpg

’s morgens klaargezet, zodat ik er alvast een hele dag over kan dromen…

 

Ik zet de telefoon uit, de tv uit, de computer uit, en kies een muziekje waar ik me niet helemaal in verlies. Koffie, thee of iets stevigers wordt klaargezet. Vervolgens wordt de tabak gekozen. Subtiele baai, wulpse zoete tabak of een ferme Latakia, waar heb ik nu echt zin in? Bij die tabak kies ik mijn pijp met dezelfde zorg als een duellist zijn pistool kiest. Is de kop schoon, trekt de pijp goed? Ik richt me in op mijn zitplaats; tafel met toebehoren en de gekozen vloeibare versterking bij de hand. Een schone asbak, de pijpenstopper, een doosje met lange lucifers en een paar verse pijpenragers liggen klaar.

Dan wordt de pijp gestopt. Met voorzichtige plukjes maak ik de tabak los en stop de kop. Telkens even aandrukken en een trekje nemen; niet te vast? Als de pijp gevuld is volgt het aansteken. Een eerste lucifer wordt afgestreken. Even wachten tot de lucifer goed brandt en de eerste walm verdwenen is. Dan houd ik de lucifer boven de kop en zuig het vlammetje omlaag naar de tabak. Ik gebruik de hele lucifer met voorzichtige trekjes om het hele tabaksoppervlak aan’t gloeien te krijgen. Geen harde trekken, want dan staan de blaren al op mijn tong voor ik begonnen ben! Nadat die eerste lucifer in de asbak is geëindigd komt de stopper erbij. Voorzichtig druk ik de opgekrulde tabak plat terwijl ik kleine trekjes blijf nemen om te voorkomen dat ik de zaak te vast aandruk. Meestal blijft de pijp wel branden, maar slechts op één plaats. De tweede lucifer wordt met even veel zorg als de eerste gehanteerd. En dan kan ik achterover leunen en de eerste trekken genieten.

Nu wordt de pijp gerookt. Kleine trekjes, af en toe een wat langere trek als ik de indruk krijg dat de pijp minder begint te branden. Het gloeiend vlak in de kop krimpt snel in tot een kleine vonk die ik met voorzichtige trekjes door de kop laat rondkruipen. Ik proef de tabak, en probeer de verschillende smaakonderdelen te herkennen. Honing? Brandende bladeren? Scherp of zoet? De wolken die ik uitstoot hangen als een sluier om mij heen, soms speelt een straal zonlicht erdoor, of springt de rook boven een kaars omhoog. Af en toe merk ik dat de pijp lichter begint te trekken, en ik druk de tabak een beetje aan. Als de pijp minder lijkt te branden en toch goed aangedrukt is dan neem ik een of twee wat langere trekken met een vinger over de ketel om de tabak weer iets harder te laten branden. Als ik toch even te snel rook dan begint de pijp een paar pruttelgeluidjes te maken. Ik pak de pijpenrager en manoeuvreer die via het mondstuk naar binnen. Even heen en weer halen en een ietwat klamme pijpenrager komt weer naar buiten. De pijp pruttelt niet meer, maar de tabak moet wel weer even aangedrukt worden.

Op gegeven moment gaat de pijp toch uit. Meestal laat ik alle as zitten. Ik strijk weer een lucifer af, en hou die ook weer boven de kop. Met wat langere en hardere trekken dan in het begin zuig ik de vlam naar binnen. Dat laatste stuk roken is doorgaans het lekkerste. De pijp is goed op temperatuur en alle condens die tijdens het roken ontstaat verdampt vrijwel meteen. De tabak heeft een volle smaak gekregen, alle scherpe randjes zijn nu helemaal verdwenen. Ik voel hoe het einde nadert, maar probeer het uit te stellen. Met heel voorzichtige trekjes houd ik de pijp aan de praat. Maar dan komt het moment waarop lucht tussen uitgebrande asresten door fluit. Geen rook meer, geen vuur meer, alles op.

Ik blaas voorzichtig even in het mondstuk, al weet ik bijna zeker dat de pijp droog gerookt is. Ik leg de pijp weg en neem een slok koffie. De smaak van de tabak blijft nog even in mijn mond. Dan keer ik de pijp om boven de asbak, en met een beweging van het schepje aan mijn pijpenstopper valt een kleine hoeveelheid lichtgekleurde as in de asbak. Een blik in de kop leert dat die daadwerkelijk leeg is; geen tabaksresten, geen natte prop tabak onderin, alles is schoon opgebrand. Ik druk een verse pijpenrager door het mondstuk tot in de kop en haal die terug. Vrijwel droog. Ik blaas nog een keer stevig in het mondstuk, en leg de pijp naast de asbak, het mondstuk op de rand zodat de kop wat lager ligt. In de asbak rusten 3 lucifers, twee pijpenragers en één hoopje as.

Bijna goed, volgende keer beter.

 

 

1.7 ONDERHOUD VAN PIJPEN.

terug naar inhoudsopgave

 

Pijpen gaan, mits goed behandeld, een leven lang mee. De vraag dringt zich op wat dat 'goed behandelen' dan wel inhoud. Het moge duidelijk zijn dat een pijp dan in elk geval niet als voorzittershamer, flessenopener of deurstopper wordt gebruikt. Maar er is meer te doen als we lang plezier van een pijp willen hebben. Zonder wat schoonmaken en af en toe iets groter onderhoud zouden pijpen langzaam dichtgroeien tot zompige stinkende houtklompen, en dat kan toch zeker niet de bedoeling zijn. Gelukkig hebben de meeste pijprokers plezier aan hun rookgereedschap en spelen zij er graag mee. Ik ken meer gevallen waarin een pijp te lijden heeft van overmatig poetsen en knuffelen, dan gevallen van verwaarloosde pijpen. Mark Twain was ooit niet beschikbaar voor een lezing, omdat die lezing plaats vond op een avond waarop hij zijn pijpen wilde poetsen…

 

Onderhoud van ons geliefde rookgereedschap bestaat uit een paar onderdelen. Er is zoiets als alledaags onderhoud; dingen die ik eigenlijk doorlopend doe, gewoon om een pijp netjes te houden. En af en toe ga ik er eens goed voor zitten en pleeg ik 'groot' onderhoud. Het alledaagse onderhoud bestaat uit niet veel meer dan een pijpenrager gebruiken tijdens en na het roken van een pijp, zoals ik al eerder beschreef bij de basistechniek van het pijproken. Verder wil ik nog  wel eens de kop van een pijp even uitvegen met een oude sok of een stukje keukenrol, voordat ik hem terugzet in het rek. En een heel enkele keer gebruik ik ook het 'pijpenwas-doekje' dat verder bij groot onderhoud aan bod komt.

 

Wat rest valt in de rubriek 'groot onderhoud'. Dat groot onderhoud doe ik tegenwoordig ongeveer één keer per twee jaar. Vroeger, toen ik veel minder pijpen had, deed ik het 2 keer per jaar. Een natte vinger leert me dat de meest gerookte pijpen dan tussen de 50 en 100 keer gerookt zijn. Ik zou in elk geval willen aanraden om het zeker niet te vaak te doen; aan de ene kant is het wel goed voor de pijpen, aan de andere kant slijten ze er ook van.

En waaruit bestaat dan grote onderhoud dan?  Eerst maar even alle gereedschap op een rijtje zetten.

 

·        Wattenstaafjes

·        Normale pijpenragers.

·        Pijpenragers met harde haartjes (eigenlijk heb je die alleen maar nodig als een pijp echt dicht begint te zitten, doorgaans lukt het ook met normale pijpenragers).

·        Een pijpenstopper met een lange priem.

·        Een oude sok (ik bedoel de voetbekleding, geen bejaarde grijsaard).

·        Keukenrol.

·        Een flesje zo sterk mogelijke alcohol (Pipe Lotion is goed, maar ik gebruik al jaren gewoon 90% alcohol die ik bij de drogist koop).

·        Een potje pijpen was (dit is vooral geen gewone boenwas, pijpen was is op basis van Carnaubawas met heel weinig oplosmiddelen, en droogt tot een veel hardere laag).

·        Een oude tandenborstel en Ciff, Vim, polijst-tandpasta of een ander licht schurend middel.

·        Wat slaolie.

·        De pijpenwas-doek (een lapje oud T-shirt is prima).

·        Pijpenruimers om de koollaag wat dunner te maken (ik heb een setje van Pipenet dat prima voldoet. Het werken met pijpruimers is doorgaans pas na jaren roken voor het eerst nodig, en moet ook met de nodige voorzichtigheid gebeuren. Zonder pijpruimer kunnen pijp nog heel lang goed gerookt worden).

·        Een oude krant voor op de tafel, en een ferme prullenbak voor alle troep.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image008.jpg

Pijpenonderhoud: Links een set pijpenruimers., dan een flesje alcohol en carnauba was, daarnaast normale pijpenragers, wattenstaafjes en tenslotte de ‘harde’ pijpenragers.

 

Een aantal zaken zijn moeilijk verkrijgbaar, op internet bestellen werkt soms beter dan de lokale tabakszaak die nog nooit van zulke zaken gehoord heeft.

 

En dan? Kort samengevat:

1.      pijp van buiten schoonvegen

2.      ketel binnen schoonvegen

3.      rookkanaal schoonmaken

4.      grote holtes in steel schoonmaken

5.      mondstuk van binnen schoonmaken

6.      mondstuk van buiten schoonmaken

7.      eventueel kop 'ruimen'

8.      kop in de was zetten

9.      steel in de olie zetten

 

1: Alle pijpen moet goed afgekoeld en droog zijn, voordat ik aan dit werk begin. Elke pijp wordt eerst met een oude sok goed schoongeveegd van buiten. De bovenrand van de kop is meestal ook nogal vuil. Die maak ik nat met speeksel, en dan wrijf ik met die rand over een sok die ik plat op tafel heb liggen, op die manier krijg ik de bovenkant het beste schoon. Hier vooral GEEN alcohol gebruiken, omdat daarmee de beits wordt aangetast.

2: Met een andere sok maak ik de binnenkant van de kop, de ketel, schoon.

3, 4 en 5: Dan neem ik de pijp uit elkaar, en met een gewone pijpenrager maak ik eerst de steel en het gat naar de ketel schoon (het rookkanaal). Dit is het punt waarbij ik wel eens de stekelige ragers gebruik, in het bijzonder als het gat naar de kop toe erg ver dicht blijkt te zitten, en soms helpt alleen echt doorsteken met de priem van een pijpenstopper (het gat van steel naar kop is altijd recht). Dan een pijpenrager met een paar druppels alcohol erop, en hetzelfde nog eens doen. Daarna wordt met droge pijpenragers nagepoetst totdat alles droog en zo schoon mogelijk is. Met wattenstaafjes maak ik de grote gaten schoon: daar waar het mondstuk in de houten steel gaat en, als het een filterpijp is, het stuk in het mondstuk waar het filter normaal in gaat. De eerste keer druppel ik wat alcohol op het wattenstaafje en poets daarmee, daarna gebruik ik nog 2 of 3 wattenstaafjes om de zaak zo schoon mogelijk te krijgen. LET OP! De beits waarmee pijpen afgewerkt zijn, is doorgaans in alcohol oplosbaar. Probeer daarom schoon te werken, zonder met alcohol aan de buitenkant van de pijp te komen. Op dezelfde manier maak ik het mondstuk van binnen schoon. 

6: Vervolgens ga ik het mondstuk van buiten schoonmaken. Mondstukken zijn er in 2 soorten: van acryl, en van pararubber (ook wel eboniet of luciet genoemd). Acryl mondstukken zijn diepzwart, en voelen in de mond wat dikker en harder aan dan de mondstukken van pararubber. Die mondstukken van pararubber zijn ook wat grijzer van kleur dan die van acryl en voelen wat zachter, meer verend aan tussen de tanden. Het nadeel van pararubber is dat het verkleurd; in de loop der tijd wordt het spul steeds grijzer en wat bruinachtig van kleur. Dat is zwaveloxide dat uit de rubber naar buiten komt. Om de pijpsteel van pararubber weer mooi egaal en donker te krijgen moet hij opnieuw gepolijst worden. En dat gebeurd met een zo fijn mogelijk schuurmiddel. Ik gebruik meestal zoiets als Vim of Cif en een tandenborstel. Een beetje schuurmiddel erop, en dan maar boenen. Daarna afspoelen onder de kraan, goed afdrogen, en kijken of het nu goed is, anders nog eens (en nog eens en nog eens). Ga niet met schuurpapier of iets dergelijks aan de slag, dat is veel te grof en maakt alleen maar krassen.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image009.jpg

Een mondstuk schoonmaken

 

7: Nu komt iets wat ik lang niet elke keer doe. Als een pijp jaren lang gerookt is, komt er een steeds dikkere laag kool aan de binnenkant van de kop te zitten. Die koollaag is harder dan het hout van de kop, en als die laag veel te dik wordt, (dikker dan een millimeter of 3 of 4, dat kost jaren roken) dan kan die koollaag zelfs de kop laten splijten. Daarom moet op een bepaald moment die koollaag worden bijgeschaafd. Hij moet niet weg (want dan moet de pijp weer helemaal opnieuw worden ingerookt) maar dunner, tot er weer iets van 1 millimeter of minder van over is. Ik denk dat dit hooguit een keer per jaar doe bij de meest gerookte pijpen, en sommige pijpen doe ik hooguit eens in de 3 jaar ruimen. Een nieuwe pijp rook ik doorgaans minstens anderhalf jaar voordat ik hem voor het eerst ruim. Daar zijn verschillende hulpmiddelen voor in de handel, die ik ken onder de naam pijpenruimers. Op de foto met onderhoudsspullen staat het setje dat ik daarvoor gebruik. Het merk is Pipe-Net, en het bestaat uit een T-vormige handgreep en 4 schaven van verschillende dikte. Met dit setje kan ik tot nu toe elke pijp bewerken die ik heb. Er zijn ook allerhande andere pijpruimers in de handel, van heel goedkoop tot heel duur. Ik geloof dat de set die ik heb ooit iets van 30 gulden kostte. Daarvoor had ik een andere pijpruimer, die in feite in alle pijpen moest werken, met een paar beweegbare mesjes, maar die voldeed minder goed. Ik ken ook iemand die dat op een heel eenvoudige manier met een zakmes doet; gewoon met het mes langs de binnenkant van de kop schrapen (vooral niet snijden), maar dit vergt wel enige handigheid, en er is een groot risico dat de bodem van de kop beschadigd wordt. Nadat ik de pijp met pijpenragers en wattenstaafjes heb schoongemaakt schraap ik dus bij de pijpen die dat nodig hebben de kop uit. 

Na het uitschrapen laat de pijp nog een kwartiertje liggen zodat alle alcohol van het eerdere poetsen goed kan verdampen en de steel goed kan drogen.

8: Wat dan volgt is het afwerken. Eerst wordt de pijp met een heel klein beetje pijpwas aan een vingertop ingewreven. Ik bedoel hier ook werkelijk een HEEL klein beetje; iets teveel was en de pijp voelt een half jaar vettig aan. Beter te weinig dan teveel dus. Met een doek die ik alleen daarvoor gebruik wordt de was goed uitgewreven. Ik heb hier jarenlang een oude stofdoek voor gebruikt, tegenwoordig gebruik ik een speciale lap van Dunhill voor dit doel. Die heeft 2 kanten; aan de ene, iets lichter gekleurde kant zat toen ik hem kocht een beetje was, de andere kant is voor het uitwrijven van die was. De bedoeling was eerste met de waskant over de pijp te wrijven, en dan met de andere kant die was goed uit te poetsen. Ondertussen heb ik die lap al lang, en de was aan de ene kant is al lang weg. Maar ik wrijf af en toe weer eens wat verse was op die ene kant, en zo blijft de doek goed bruikbaar. De lap die ik gebruik voor het uitpoetsen van de was kan ook tussendoor gebruikt worden om een pijp weer even op te wrijven, zoals ik bij het dagelijks onderhoud al beschreef..

9: De steel wrijf ik in met een druppel slaolie op een stukje keukenrol. Ook weer minimaal, en goed uitwrijven.  Dan kan de pijp weer in elkaar gezet worden, en hij staat dan weer een paar maanden als nieuw in mijn pijpenrek te blinken. 

 

 

1.8 OVER FILTERS.

terug naar inhoudsopgave

 

Sommige pijpen zijn zogenaamde filterpijpen. Die filters komen dan in 2 soorten. De eerste soort bestaat uit een raar gevormd metalen ding, het zogenaamde systeem of mes, en zit tussen mondstuk en pijpenkop als je de steel van de pijp haalt. .

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image010.jpg

Verschillende zogenaamde ‘Systeem’ of ‘mesje’ filters.

 

Deze filters hebben maar één functie, en dat is het roken moeilijker maken. Na aanschaf meteen eruit halen en weggooien dus.

 

Het andere systeem is wat verreweg het meest als ‘filterpijp’ verkocht wordt. Hier zit tussen mondstuk en pijpenkop een deel waar het rookkanaal veel groter wordt, en waarin losse filters passen. Die filters kunnen bestaan uit balsahout, opgerold papier of een papieren kokertje met een of andere vulling zoals meerschuimkorrels of koolstofkorrel.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image011.jpg

Filterpijp met 9 mm filters. In dit geval een Big Ben Billiard in zijn meest klassieke vorm.

 

Over deze filterpijpen zijn de meningen verdeeld. Ik heb zelf nogal wat filterpijpen, die ik meestal zonder filter rook. Meestal zoek ik een pijp uit die ik mooi vind, zonder er op te letten of het een filterpijp is of niet. Als het een filterpijp is dan gebruik ik de filters vaak tijdens het inroken van een pijp, en daarna gebruik ik eens af en toe een filter, met name op dagen dat ik de hele dag pijp zit te roken (anders heb ik een pijnlijke tong aan het eind van de dag). Filters maken dat de tabak wat minder scherp op de tong bijt, en ze veranderen de smaak een beetje. Of die smaak dan lekkerder wordt -of net niet- is een kwestie van eigen smaak. Ik rook meestal zonder filter, omdat ik dat handiger vind. Dan kan ik namelijk onder het roken, zonder de pijp uit elkaar te halen, eens even een pijpenrager via het mondstuk naar binnen steken (als de pijp pruttelgeluidjes begint te maken of als hij erg zwaar begint te trekken omdat ik hem te vast heb aangedrukt). Als je het helemaal goed wilt doen dan zijn er speciale inzet-stukjes te krijgen, van kunststof, om in de pijp te doen als je hem zonder filter rookt (bij Big Ben heet zo'n ding adapter). Nodig is dat niet, het maakt het alleen iets gemakkelijker om een pijpenrager door te steken. Het is verstandig om een filter na elke keer roken te vervangen. Dat betekent wel dat de pijp eerst echt helemaal af moet koelen, niet een half uurtje maar een halve dag. Als je pijpen te snel na het roken uit elkaar haalt, gaat het mondstuk op den duur los zitten. Het filter dat uit de pijp komt gooi ik niet weg, ik laat ze drogen en gebruik ze een paar keer, alleen niet achter elkaar. Oude filter uit de pijp, weg leggen om te drogen, ander filter in de pijp, en zo door totdat ik alle filters gehad heb, en dan begin ik weer vooraan.

Het lijkt me niet raadzaam om een pijp met een nat filter na het roken gewoon terug in het rek te zetten. Ik stel me voor dat die pijp eigenlijk nauwelijks kan drogen. Als ik pijpen met filter rook, dan haal ik die 's avonds voordat ik naar bed ga uit elkaar en neem het natte filter eruit. Dan haal ik ook een pijpenrager door mondstuk en door het rookkanaal in de kop. Ik laat de pijp een nacht open liggen, de volgende ochtend zet ik een nieuw filter erin, en dan wordt de pijp in elkaar gezet en weer in het rek gezet. Ik draai pijpen voorzichtig uit en in elkaar. Al met al hou ik er niet van om een pijp te vaak uit elkaar te halen, hoe minder ik dat hoef te doen, hoe liever (ik ben altijd bang dat er uiteindelijk speling tussen kop en mondstuk ontstaat). Vandaar ook die nacht openliggen om hem dan weer met een nieuw filter in elkaar te zetten.

 

 

 


HOOFDSTUK 2: OVER PIJPEN

terug naar inhoudsopgave

 

2.1 WAAROM ZOVEEL PIJPEN

Een pijproker koestert zijn pijpen. Dat is begrijpelijk; een pijp kost heel wat meer dan een sigaret of een sigaar, en een pijp wordt ook niet weggegooid na één keer roken. Maar de liefde van de pijproker voor zijn parafernalia gaat verder, veel verder dan dat. Terwijl vrouw en bloedjes van kinderen machteloos toekijken en het huis op instorten staat, poetst de pijproker zijn pijpen, en hij wordt beschuldigd van een of andere vorm van fetisjisme. Mensen zien uitpuilende pijpenrekken en een pijproker die stad en land afzoekt naar een nieuwe pijp, en zij vermoeden ongeremde verzamelwoede. Maar voor de pijproker vormen zijn pijpen een deel van zijn leven, bijna een deel van zijn lichaam. Een voorbeeld:

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image012.jpg

De vermiste pijp

 

Ooit eens raakte ik een pijp kwijt. Geen bijzondere pijp, geen dure pijp, gewoon een nogal goedkope pijp die ik jaren geleden had gekocht en die ik op zeker dag niet meer kon vinden. Ik wist dat het in feite zinloos was om een nieuwe pijp van dat model te kopen; met een nieuwe pijp kreeg ik niet de geschiedenis terug die met de oude pijp verloren was gegaan. Vijf jaar later was ik nog steeds niet echt over het verlies heen; met 60 pijpen in mijn appartement waren er nog steeds momenten waarop ik eigenlijk precies die pijp en geen andere wilde roken. Mijn hand, mijn lippen en tong, allemaal herinnerden ze zich hoe de verloren pijp ooit aanvoelde en smaakte. Na al die jaren kon ik me de pijp nog zo nauwkeurig herinneren dat ik hem zo kon uittekenen. Dat heb ik uiteindelijk ook daadwerkelijk gedaan, dat uittekenen. En daarna heb ik die tekening naar de fabrikant opgestuurd. De pijpenfabrikant –Elbert Gubbels en Zonen uit Roermond, makers van onder andere Big Ben pijpen- begreep wat een pijp voor een pijproker betekent en de tekening was nauwkeurig genoeg; ze herkende het model uit de vele honderden pijpmodellen die ze in productie hadden, en lieten mij per omgaande weten dat de pijp nog steeds in productie was en welk modelnummer het precies was... Ik heb hem besteld, en na vele jaren voelde de nieuwe pijp aan als de handdruk van een lang verloren vriend. Met de ‘nieuwe’ oude pijp heb ik niet alleen een oude vriend hervonden, ik heb ook een memorabele ervaring aan die geschiedenis toegevoegd. Ik heb een week lopen grijnzen.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image013.jpg

De nieuwe pijp met een geschiedenis. Een pijp van de Firma Gubbels en Zoon uit Roermon, merk Big Ben, model gebogen billiard met zadel-bit.

 

Er zijn verschillende redenen voor deze behoefte aan een goed gevuld pijpenrek. Natuurlijk is er de neiging tot verzamelen. Als deze pijp van die bepaalde fabrikant zo goed bevalt, zijn al zijn andere pijpen dan ook zo aangenaam? En dan heb ik er twee, maar mijn tafelrekje biedt eigenlijk plaats aan een setje van drie bij elkaar passende pijpen... En wie wil niet een model zoals ook opa vroeger rookte? En als je van Sherlock Holmes houdt dan moet er toch zeker ook zo'n 'Sherlock Holmes Pijp' in de verzameling zitten niet? (Ja ja, ik weet het, als U even doorleest in “mijn pijpenrek” dan zult U het hele verhaal over dit misverstand ontdekken). Is dat dan alles? Pure, onverdunde hebzucht? Nee natuurlijk.

 

De voornaamste reden om meerdere pijpen te hebben is eenvoudige pijpennatuurkunde. Een pijp kan nu eenmaal niet telkens opnieuw, dag in dag uit gerookt worden. Een pijp heeft rust nodig. Een pijp moet afkoelen en drogen voordat ze opnieuw gerookt kan worden, en eigenlijk moet om die reden een pijp hooguit een keer per dag gerookt worden. Zonder die rust gaat een pijp stinken, de pijp gaat steeds vaker uit, en de rook wordt scherp en bijt op de tong. Afkoelen zal iedereen wel duidelijk zijn, maar drogen? Kwijlt de pijproker in zijn pijp, als de eerste de beste koperblazer uit een fanfare? Dat niet, maar bij verbranding van tabak komt water vrij, en op die manier wordt de pijp van binnen nat en klam. Daardoor zal een pijp bij de 2e keer roken zonder rust moeilijker blijven branden. Om de pijp toch aan de praat te houden zal de pijproker dus sneller en harder moeten trekken, en daardoor loopt de temperatuur in de kop hoog op; de rook wordt dan scherp en bijtend... Rust voor de pijp dus, en zo heeft een pijproker al snel evenveel pijpen nodig als hij per dag wil roken. Dat zijn twee pijpen voor de bescheiden roker, en een tiental pijpen voor de roker die met zijn pijp vergroeid is... Je zou denken dat het probleem van de immer groeiende pijpenverzameling daarmee helder beschreven en afgebakend is. Er is een grens: zoveel pijpen als je op een dag rookt…

 

Helaas, zo simpel is dit leven nooit. Natuurlijk rookt men een lichte, subtiele baaitabak niet uit dezelfde pijp als de zware Latakiatabak; die baai zou niet eens te proeven zijn in de achtergebleven Latakia walm. Voor die zware Latakia moet dus op z'n minst een afzonderlijke pijp voor komen. Of meer dan een, als U meerdere pijpen met baai en met Latakia op dezelfde dag wilt roken.

En niemand maakt me wijs dat die zoete Deense mixture ongestraft uit een pijp gerookt kan worden waar gisteren Perique in zat. U drinkt toch ook geen bier uit een borrelglas, nietwaar?

En kan iemand leven zonder zo'n beschaafde ‘prince’ met zijn kleine kop, om op te steken op een rustige zondag, na de gebakken eitjes, bij de koffie en nog voordat we de dubbeldikke zaterdagkrant openslaan? Begrijpt U het nu? Er is een systeem in deze waanzin...

 

Meer dan één pijp dus. En dat hoeft niet eens allemaal bruin gebeitst hout te zijn... Naast de houten pijp waar iedereen als eerste aan denkt zijn er ook pijpen gemaakt van meerschuim (een wit, zacht gesteente), van maiskolven, van aardewerk, porselein, glas, metaal, schelpen en noem maar op. Niet alles levert even rookbare pijpen op en veel van de meer exotische pijpen bieden meer historische waarde dan rookgenot. Maar de eerste drie: hout, meerschuim en maiskolf, hebben de moderne roker toch wel zoveel rookgenot te bieden, dat het verstandig is om daar iets meer van af te weten.

 

De keuze in rookgereedschap bij de meer gespecialiseerde pijpenboer kan overweldigend zijn. Ooit eens had elke sigarenwinkel op de toonbank een mandje met pijpen staan. "Uitzoeken: 5 gulden per stuk, drie voor een tientje"… Daarnaast was er dan ook nog het een en ander dat uit onduidelijke laden en rekken tevoorschijn kwam, als je te kennen gaf een 'betere' pijp te zoeken. In de loop van de eindjaren '60 en beginjaren '70 werd dat anders, er verschenen steeds meer indrukwekkende rekken en ladenkasten, en de keuze werd groter en groter. Pijpen van de meest uiteenlopende merken, een eindeloze reeks pakjes blikken en potten tabak, het kon niet op. Helaas, helaas, ondertussen zijn dit verhalen van opa die wat voor zich uit mijmert. Ondertussen hebben al die grote en goed geoutilleerde tabaksspecialisten plaats gemaakt voor een enkele kras- en staatslot verkoper die tussen de tijdschriften door ook nog wat rokerswaar verkoopt. De ruimte voor pijpen weer gekrompen tot een enkel hoekje, of een paneeltje aan de muur met een verzameling pijpen. Wat wel uit die tijd is overgebleven is een ruime sortering in prijs… Pijprokende verkopers die op eigen ervaring gestoeld advies geven zijn een zeldzaamheid geworden. Hen valt het niet te verwijten; de schoorsteen van een eerzaam middenstander moet ook roken, maar voor de pijproker, en vooral de beginnend pijproker is dit natuurlijk wel een probleem. Wat is nu een goede pijp?

 

 

2.2 WAT VOOR PIJPEN?

terug naar inhoudsopgave

 

Op dit moment neemt de handel in pijpen via internet toe, en dat heeft naast nadelen ook voordelen.

De nadelen zijn snel genoemd. Het blijft griezelig om een pijp te kopen aan de hand van een foto, zonder hem daadwerkelijk vast te houden. Als een pijp mooi uitziet wil dat nog niet zeggen dat hij ook lekker in de hand ligt. En is dit een foto van precies die pijp die men je opstuurt als je die pijp besteld? Doorgaans niet; op de websites die ik ken staan foto’s van een bepaald model in een bepaalde kleur en afwerking, maar ze hebben meerdere pijpen in die kleur en afwerking. Na bestelling komt een vergelijkbare pijp, niet de pijp van de foto. En dus blijft het wachten op wat er komt na bestelling.

Maar er zijn ook voordelen aan de opkomende internethandel, en naar mijn idee wegen die zelfs op tegen de nadelen, al moet ik eerlijk bekennen dat ik zelf nog nooit een pijp via internet heb gekocht. Het eerste voordeel is dat je wereldwijd op zoek kunt naar pijpen. Danpipe in noord Duitsland, FF-piber in Denemarken, Heinrichs in de buurt van Keulen, dit zijn allemaal enorme zaken met een reusachtig assortiment en ouderwets deskundige verkopers en verkoopsters (jawel, ook dames kunnen verstand van pijpen hebben, al is dat zeldzaam). En het echt mooie: de echt grote internetzaken blijken ook ergens een voor het publiek toegankelijke winkel er op na te houden. Vandaar ook dat ik nog nooit een pijp via internet heb gekocht: ik wil er wel een serieuze reis en een dag of wat aan besteden als ik serieus geld voor pijpen ga uitgeven. Naast deze ‘superwinkels’ kun je via internet ook de kleinschalige pijpenmakers vinden en benaderen. De artisans, de ware kunstenaars die geen duizenden pijpen per jaar produceren, maar kostbare unicaten, kunstwerkjes zonder weerga, met aandacht voor elk detail gemaakt. Tot 1997 had ik, in 20 jaar pijproken één keer een fantastische ‘straight grain’ pijp van 2000 gulden gezien. Nu, met internet, kan ik tal van zulke pijpen zien. Ik heb geen maandsalarissen over voor pijpen, maar het is toch mooi om te zien tot welke hoogte echte kunstenaars ons nederig rookgereedschap kunnen verheffen. Trevor Talbert met zijn wilde ‘Halloween pipes’ in Bretagne, de perfecte nervaturen van Bang in Denemarken, Les Wood met zijn zilverbeslagen pijpen in Engeland. Ook de fabrikanten zijn nu toegankelijker; de Firma Gubbels en zoon van Big Ben pijpen, en Petersons in Dublin, op internet kun je zien wat ze maken, welke modellen en afwerkingen.

De goedkoopste pijpen die ik momenteel zie kosten 20 to 40 euro, en het is heel gemakkelijk om 200 euro voor een pijp neer te bladeren. Meer, veel meer, lukt ook. Vanwaar die verschillen, en rookt U dat er nou aan af? Voor 50 euro koopt U een fatsoenlijke pijp, ik schreef het al elders. Een pijp die technisch goed gemaakt is, van behoorlijk hout en met een goede vorm. Een prima pijp om te roken, niks mis mee. Waarom zou dan iemand ooit meer aan een pijp uitgeven? Tsja, daar vraag je zo wat. Omdat er onder die duurdere pijpen ware juweeltjes te vinden zijn misschien? Met een bijzondere nerf, een fantastische afwerking of fraai beslag? Omdat een duurdere pijp ook voor mijn gevoel anders is dan een goedkope? Omdat ik het kan missen? Het kiezen van pijpen, en welke prijs iemand daarvoor over heeft is een heel persoonlijke aangelegenheid. In hoofdstuk 2.7 probeer ik er wel wat over te zeggen, maar uiteindelijk zal iedereen zijn eigen plan moeten trekken…

 

Zoals ik al schreef kunnen pijpen van allerhande materialen gemaakt worden. Sommige materialen, zoals porselein en steen hebben vooral historische waarde, al worden ze nog wel gemaakt. Porselein is voornamelijk mooi, maar scherp van smaak. Steen –aardewerk- is klassiek, elegant, maar erg kwetsbaar en ook redelijk snel scherp van smaak. Ik beperk me hier tot drie materialen die ik als de beste materialen voor pijpen beschouw, en die ook nog redelijk goed verkrijgbaar zijn: hout, meerschuim en maiskolf. 

 

 

2.3 HOUT.

terug naar inhoudsopgave

 

Een pijp is van hout. Dat is, zoals we elders zullen ontdekken, geen wet van Meden en Perzen, maar verreweg de meeste goeie pijpen die daadwerkelijk bedoeld zijn voor roken zijn tegenwoordig inderdaad van hout. Vandaar dat ik begin met een lang verhaal over houten pijpen; waarvan en hoe zijn ze gemaakt, wat voor soorten kennen we en dergelijke. Als we de houten pijpen eenmaal kennen, is de rest een eitje.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image014.jpg

Basisanatomie van een pijp.  1: de kop, 2: de ketel, 3: het rookkanaal, 4: de tiege, 5: het mondstuk of de steel, 6: het bit.

 

Nu is hout natuurlijk een prachtig materiaal; het groeit zomaar vanzelf, ziet er bij leven aangenaam uit, en is na overlijden een prachtige grondstof voor van alles en nog wat. Houten schepen voorzien van ijzeren mannen hebben de wereld ontdekt, modder ingelijst tussen houten balken heeft ons schone Limburg van rustieke huisjes voorzien, en dolgedraaide schrijnwerkers hebben kastjes, tafels en stoelpoten geproduceerd en overdekt met de meest uiteenlopende staaltjes van decoratief snijwerk. En als hout nergens anders voor te gebruiken is, dan is het altijd nog geschikt voor kampvuur of open haard... En nu net die laatste eigenschap van hout doet wat vreemd aan als we het hebben over pijpen. Tenslotte is een pijp weinig meer dan een erg kleine en transportabele open haard voor het stoken van tabak. Hoezo gaat de pijp zelf niet op in vlammen bij al dat vurig genot?

Houten pijpen worden doorgaans gemaakt van een betrekkelijk speciaal soort hout dat Bruyère wordt genoemd. Er bestaat overigens niet zoiets als een bruyère boom. Bruyère komt iets dat in goed Nederlands wordt aangeduid als Boomheide, een wat struikachtig, taai en langzaam groeiend gewas. Deze Boomheide heeft onder aan de stam, net onder de grond, stevige houtachtige wortelknollen. Die knollen bestaan niet alleen uit cellulose (‘hout’) maar ook uit kiezel, een steenachtig mineraal. Het hout is daardoor hard en brandt niet goed, ziehier het wonder van de vuurbestendige houten pijp. De Boomheide die geschikt is voor het maken van pijpen groeit voornamelijk rondom de middellandse zee. Ze wordt niet gekweekt, voor pijpen worden planten uit de vrije natuur geoogst. Gezien dit ongecontroleerde en onderaardse groeiproces heeft het vinden van goed hout voor pijpen wel iets weg van diamanten zoeken; succes is zeldzaam. Scheuren in de knol, ingesloten beestjes, ingegroeide steentjes, en alles onzichtbaar totdat de knol geoogst is en de bewerking begonnen is.

Voordat er goeie knollen aan de struik zitten moet deze minstens 25 jaar oud zijn. Aan het begin van de winter worden de geschikte knollen uitgegraven. Vervolgens worden de knollen gedurende een half jaar bewaard in een vochtige koele omgeving, om het hout rustig te laten afsterven. Daarna worden de knollen in blokken gezaagd, de zogenaamde ébouchons. Deze blokken worden lang gekookt, om zoveel mogelijk sap en hars uit het hout te verwijderen. Daarna worden ze langzaam en zorgvuldig gedroogd, waarna ze verkocht worden aan de pijpmakers. Ook die willen in sommige gevallen nog wel een reeks handelingen met het hout uitvoeren -koken in olie, bevochtigen en opnieuw drogen en noem maar op- om ervoor te zorgen dat een pijp straks van het begin af aan zo goed en neutraal mogelijk smaakt. In de behandeling van het hout is de laatste 20 of 30 jaar veel vooruitgang bereikt, en een van de voornaamste redenen om een pijp in te roken is tegenwoordig dan ook eigenlijk vervallen. Vroeger was inroken namelijk vooral nodig om de ‘groene’ houtsmaak uit een pijp te krijgen. Tegenwoordig is dat doorgaans al grotendeels door de fabrikant gedaan door het hout beter en op andere manieren te drogen.

Het maken van de pijpvorm zelf bestaat uit een aantal stappen. Eerst wordt de pijp ruwweg in model gezaagd met behulp van lintzagen. De kop, het gat voor de steel en het rookkanaal worden uitgeboord. Daarna worden op een draaibank met verschillende hulpmiddelen de ronde vormen gemaakt. De pijp wordt met vijlen en schuren verder afgewerkt. Daarna volgen soms nog eens kooksessies in olie. Het mondstuk van acryl kunststof of pararubber wordt na alle voorgaande handelingen passend gemaakt. De pijp wordt gekleurd met een beits op alcoholbasis die in het hout trekt en de poriën van het hout niet afsluit. Als laatste wordt de pijp opgepoetst met Carnauba was om een pijp min of meer glanzend te maken.

Zoals uit het bovenstaande al blijkt is een pijp een echt natuurproduct, en tijdens de fabricage kan dan ook heel wat mis gaan. Het hout kan scheuren hebben, en tijdens het in model maken kan de pijpmaker steentjes of holtes in het hout tegenkomen. In veel gevallen betekent dit het einde van wat ooit een veelbelovende pijp leek, maar vaak kunnen kleine ongerechtigheden met wat plamuur worden bijgewerkt (de vullingen).  Die pijpen met vullingen zijn doorgaans goedkoper dan pijpen zonder vulling, en als de vullingen niet op kritieke plaatsen zitten zijn ze van geen invloed op de smaak en levensduur van een pijp. Kritieke plaatsen voor vulling zijn de rand van een pijpenkop, en de hals naar het mondstuk. Op die plaatsen heeft het hout meer te lijden, en de kans dat de vulling daar vroeger of later uitvalt is groter. Bij een nieuwe pijp zijn vullingen bijna onzichtbaar, maar na jaren roken kunnen ze wel zichtbaar worden omdat de pijp anders verkleurt dan de vulling. Deels weet je al uit de prijs van een pijp dat er vullingen in zullen zitten, ik geloof niet dat ik ooit een pijp van onder de 200 euro gezien heb zonder vullingen. Maar om ze bij aanschaf te zien vergt heel wat nauwkeurig turen op de vierkante millimeter.

Het is ook mogelijk dat foutjes in het hout net onder het oppervlak zitten, nooit gezien door de maker van de pijp, nooit gezien door de handelaar. Onzichtbaar, maar toch aanwezig. En al snel na het eerste roken begint zich ergens een scheurtje af te tekenen, of begint een pijp te zweten (vocht komt op een bepaalde plaats tijdens het roken naar buiten). Elke goede pijphandelaar zal bereid zijn zo’n pijp terug te sturen naar de fabrikant, en naar mijn eigen ervaring wordt zo’n pijp zonder verdere problemen vervangen door een nieuw exemplaar.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image015.jpg

Fouten in het hout: links de meest gevaarlijke, een vulling in de rand van de kop. Deze valt er na een aantal keren roken zeker uit (dat is hier gebeurd, vandaar het ‘gaatje’) en kan later eventueel tot een scheur in de kop leiden. Ik durfde het toch aan omdat de rest van de kop van dik hout is. In het midden een vulling die al snel anders begon te kleuren dan de rest van het hout, en rechts vullingen die niet mee kleurden toen de kop donkerder werd (welke zot het nodig vond om een gezandstraalde pijp te gaan plamuren weet ik niet, ik had net zo lief een pijp met ongevulde gaatjes gehad). Alle fouten waren ook zichtbaar(maar minder duidelijk) toen ik de pijpen kocht, maar ik til niet zo zwaar aan een foutje in het hout.

 

Het goed roken van een pijp wordt in de allereerste plaats bepaald door de technische kwaliteit van een pijp. In feite zou elke pijpenmaker dit zonder mankeren goed moeten kunnen doen, maar helaas, soms wordt vorm belangrijker gevonden dan mogelijke gevolgen voor het roken. En winst maken schijnt ook wat waard te zijn. Wat is nu een technisch goede pijp?

Om te beginnen moet er goed hout gebruikt zijn dat zorgvuldig behandeld en gedroogd is. Dit is niet aan een pijp af te zien, de reputatie van een bepaalde fabrikant is eigenlijk de enige aanwijzing.

Vervolgens moet een pijp goed geboord zijn. Het is de bedoeling dat het rookkanaal vanuit de steel onder in de ketel uitkomt, niet een paar millimeter boven de bodem van de ketel. Als het gat te hoog zit zal een pijp nooit helemaal tot op de bodem leeg te roken zijn.

Verder is het de bedoeling dat de weg van de rook zo recht en geleidelijk mogelijk is. Op internet lijken vele deskundigen het met elkaar eens te zijn dat het nat roken van een pijp -reutel, slurp, reutel- ondermeer een gevolg is van een tabakskanaal dat wijder en smaller wordt, of dat tegen haakse hoeken aanloopt waardoor de rook gaat wervelen. Ikzelf ben hier niet helemaal van overtuigd, maar een goed rookkanaal maakt het in elk geval mogelijk om een pijpenrager gemakkelijk van het bit tot in de ketel door te steken zonder de pijp uit elkaar te halen, en dat zie ik in elk geval wel als een groot voordeel. Dit pleit in elk geval voor een pijp zonder metalen frutselfilters, en eigenlijk ook een pijp zonder grote holle ruimte voor andere filters (of er moeten van die vulstukjes gebruikt worden zoals ik bij de paraaf over filters schreef).

Een laatste eis voor een technisch goede pijp is een niet te dunne wand en geen extreme vormen in de ketel of het rookkanaal. Dunne plekken worden heter en lopen meer gevaar ooit eens door te branden. En extreem wijde of diepe ketels zijn doorgaans moeilijker goed te roken. Middelmaat is niet voor niets ooit middelmaat geworden...

 

Afwerking

De waarde van een pijp wordt niet alleen bepaald door de technische kwaliteit (is de pijp goed gemaakt en goed te roken) maar ook door hoe mooi de pijp is. En als zovaak wordt zeldzaam mooier gevonden. Bij het hout waar pijpen van gemaakt worden is een dunne rechte nerf met een gelijkmatige structuur het meest zeldzaam, en dus is een pijp met zo'n nerf ook het duurste. Dit wordt een 'straight grain' genoemd. Als volgende, iets minder gewaardeerde nerf kennen we zo de ‘birds eye’. Dit zijn in feite dezelfde rechte nerven, maar dan ‘van boven’ gezien; we kijken tegen de kopse kant van het hout aan, en zien eigenlijk allemaal kleine rondjes en puntjes. Een derde variant, weer iets minder hoog aangeschreven is de ‘sun burst’, waarbij de nerven stervorming vanuit één punt uitwaaieren. En dan is er nog de ‘flame’ waarbij de nerven in feite niet meer zo mooi regelmatig zijn, maar wel een aardig grillig patroon vormen. De meeste pijpen hebben niet helemaal hetzelfde patroon, maar hier een stukje straight grain, daar een stukje birdseye, en verder een rommeltje. Hoe groter de ‘mooie’ stukken zijn, hoe duurder de pijp. En wat nu gedaan met pijpen waarbij het hout wel een duidelijke maar absoluut niet interessante nerf  heeft? Dan kun je er een gewone goedkope pijp van maken, of je doet iets waardoor de pijp misschien toch weer wat boeiender gaat uitzien; je maakt er een reliëf van. De bedoeling is dat het hoog laag een andere charme heeft dan de gladde pijp met een rommelige nerf. Manieren om zo’n pijp met reliëf te maken zijn sandblast en rustica.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image016.jpg

Een ‘sandblast’ pijp. In dit geval een Les Wood (de maker), model Rhodesian of Buldog (de meningen zijn verdeeld). Les Wood deed ooit het zilverwerk voor Dunhill, en maakt nu zijn eigen pijpen. Met heel fraai zilverwerk…

 

Sandblast (een gezandstraalde pijp) wordt over het algemeen gebruikt als het hout niet zo'n hele mooie houtnerf heeft. Het heeft dus in de eerste plaats een esthetische reden. Sommige mensen vinden dat een sandblast koeler rookt, omdat hij een groter oppervlak heeft en dus meer warmte kan afstaan. Zelf heb ik dat effect nooit zo gemerkt, het lijkt me vooral een theoretisch voordeel. Een voordeel dat ik wel zelf zie is dat een sandblast, omdat hij ruw oppervlak heeft, minder last heeft van krasjes en deuken die een pijp in de loop der jaren nu eenmaal oploopt. Kleine beschadigingen vallen nu eenmaal minder op in een oppervlak dat van zichzelf al ruw is. De sandblast benadrukt in feite de nerf van het hout; de nerf bestaat namelijk uit een afwisseling van hardere en zachtere stukken hout, en met een straal perslucht en zand of glasbolletjes wordt het zachtere deel weggeschuurd. Een hele enkele keer worden ook pijpen met een opvallend mooie nerf wel eens gesandblast om die reden, dan komt de nerf extra uit. Maar over het algemeen wordt sandblast dus toegepast op de wat mindere pijpen. Even voor de goede orde: minder gaat in dit geval dus over minder dan de speciale topstukken. Een echte volledige straight grain heb ik nog nooit gezien, en een pijp die grotendeels straight grain heeft kan gemakkelijk 5000 euro of meer kosten… We hebben het hier over diamanten, zeldzaamheden, en dat heeft dus niet te maken met het rechtstreeks rookgenot, maar met visueel plezier dat we aan een pijp kunnen beleven. Onder de pak hem beet 200 euro kom je nooit een pijp tegen die een groot stuk bijzondere nerf heeft. Bij die echt dure pijpen zullen minder vaak sandblast pijpen zitten. In de lagere prijsklasse is het meer een keuze van de fabrikant; die wil zoveel gladde pijpen maken, ongeacht de nerf, en zoveel gezandstraalde pijpen.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image017.jpg

Hier een sandblast met een zogenaamde ‘sun burst’ nervatuur. Alle nerven ontspringen aan één punt op de kop. Dit soort van geordende, regelmatige nervaturen maken een pijp duur.

 

Naast sandblast heb je nog een techniek om pijpen een reliëf te geven. Dan wordt niet met een zandstraal zacht hout weggeblazen, maar met messen en puntige beitels gewerkt. Het reliëf dat zo ontstaat wordt wel eens aangeduid met rustica (rusticated), en heeft dus helemaal niets meer met de eigenlijke houtnerf van doen. Vroeger werd die techniek vooral toegepast op stukken hout die helemaal geen zichtbare nerf hadden, en toen werden die pijpen dan ook voor het laagste soort aangezien. Tegenwoordig wordt die techniek vaak wat subtieler gebruikt, en ik heb zelfs de indruk dat het momenteel een beetje mode is. Je komt momenteel dan ook in deze categorie best wel goede pijpen tegen.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image018.jpg

Twee pijpen in rustica afwerking. Links een Gasparini met een meerschuim-inzet in de kop, rechts een Ser Jacopo. Een meerschuim inzet heeft als doel een pijp de smaak en rookkwaliteit van een meerschuim pijp te geven, met de stevigheid van een normale houten pijp. In de praktijk smaken ze vaak goed, maar de meerschuim inzet krimp en zwelt anders dan hout. Het is doorgaans  een kwestie van tijd voordat de meerschuimen inzet het begeeft.

 

De beits bepaald de kleur van een pijp, en is daardoor ook een opvallend kenmerk. Beits is iets anders dan verf of vernis. Verf en vernis vormen een harde laag boven op het hout, beits trekt in het hout en laat de poriën van het hout open. Dit is van belang om een pijp te laten drogen en ademen. Wantrouw dan ook altijd pijpen waarbij je de nerf helemaal niet kunt zien, de enige indicatie die je dan nog hebt over de kwaliteit van het hout is de goede naam van de fabrikant...

Beits is er in vele kleuren, en doorgaans worden pijpen telkens met twee kleuren beits bewerkt om de nerf te benadrukken. Een nadeel is dat veel beits de neiging heeft om in de loop der jarendoor het roken donkerder te worden. Dit is ook van de fabrikant afhankelijk, bij sommige fabrikanten is dit nadonkeren sterker dan bij anderen. Dit kan betekenen dat een fraaie nervatuur in de loop der jaren minder zichtbaar wordt. Om die reden heb ik persoonlijk bijvoorbeeld vrij veel pijpen die in gesandblast zijn, en daarna zwart gebeitst zijn. Het voordeel van zo’n pijp is dat je weet wat je hebt; je ziet de nerf in reliëf, de beits kan niet donkerder worden, de pijp blijft uiterlijk altijd hetzelfde. En ze zijn doorgaans minder duur; echt fraai hout is duurder, en zal  normaal niet zwart gebeitst worden.

Een waarschuwing is op z’n plaats voor gelakte en geverniste pijpen. Het hout van een pijp moet kunnen ademen om goed te drogen, en een dekkende laklaag of een hoogglans vernis vullen de poriën van het hout, waardoor dat lastiger wordt. Ikzelf geef de voorkeur aan pijpen die niet te hard glimmen, vooral omdat het moeilijk is te bepalen hoe een hoogglans bereikt is: door zorgvuldig in de was zetten en eindeloos polijsten, of toch door de pijp gewoon even in vernis te soppen?

 

 

2.4 MEERSCHUIM.

terug naar inhoudsopgave

 

Naast hout bestaat één materiaal dat voor pijpen gebruikt wordt en dat in mijn ogen wel een eigen hoofdstuk waard is: meerschuim. Boeken en oudere pijprokers die een goede meerschuimen pijp hebben kunnen er lyrisch van worden. Meerschuim: ‘koningin der pijpen’. Een pijp van meerschuim rookt droger, smaakt voller en zachter, en de langzame, over jaren roken uitgespreide verkleuring geeft een edel patina aan een pijp en geeft een band met de pijp die geen enkele andere pijp kan hebben. Ja ja…

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image019.jpg

Meerschuimen pijp, in dit geval Turks meerschuim. De pijp heeft een  achthoekige kop en  een gesneden siermotief dat vaker voorkomt bij meerschuimen pijpen. De pijp ligt op het foedraal dat doorgaans bij een meerschuimen pijp hoort ter bescherming.

 

Er zijn niet zoveel winkels meer die meerschuim pijpen op voorraad hebben, een goede pijp van meerschuim is duur, en het is moeilijk om op het oog de kwaliteit van een meerschuim pijp te beoordelen. Al met al zullen de meeste pijprokers nooit een meerschuimen pijp kopen, en anders maar één of twee stuks. En de kans op een misser is vrij groot, tenzij er meteen duur gekocht wordt…

Is meerschuim echt zo geweldig? Goed, ik heb een stuk of 5 meerschuimen pijpen, en één ervan valt wel in de top vijf van mijn lievelingspijpen. En hij rookt inderdaad aangenaam droog en smaakt lekker zacht en vol. Beter dan mijn houten pijpen, maar niet zo ongelooflijk veel beter… Een meerschuimen pijp hoeft niet ingerookt te worden, dat is ook wel mooi. En de pijp heeft een eigen smaak die me heel erg goed bevalt. Maar naast alle echte gebruiksvoordelen hebben meerschuimen pijpen ook een verband met een rijk en roemrucht verleden, en misschien vind ik dat nog wel het meest aantrekkelijk…

Maar zoals ik al schreef, ik heb er een stuk of 5, en al de andere meerschuim pijpen die ik heb bleken achteraf toch minder geweldig te zijn dan gehoopt. Weten wat je koopt is hier dus nog belangrijker dan bij houten pijpen.

Dit materiaal beleefde zijn hoogtepunt in de 18e en 19e eeuw, en nog steeds vormen veel pijpen van meerschuim in ontwerp en versiering een referentie aan tijden waarin men nog echt durfde te investeren in rookgenot. Zoiets is ondertussen zeldzaam geworden, en daarmee worden ook meerschuimen pijpen zeldzaam. Alleen al vanwege de herinnering aan een roemrucht verleden vind ik meerschuim zo belangrijk. En al worden ze moeilijk verkrijgbaar, dankzij internet kun je nu wel wereldwijd zoeken naar meerschuimen pijpen…

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image020.jpg

Antieke meerschuimen pijp. De steel lijkt ooit vervangen te zijn door een veel kortere steel, deze maat en vorm kop hoorde voor zover ik weet doorgaans bij een heel lange steel (die buitengewoon onhandig was met roken)

 

Meerschuim, technisch gezien magnesium silicaat, is een witte of wat gelige zachte poreuze delfstof als het uit de grond komt. Het wordt harder als het aan zonlicht blootgesteld wordt, en het wordt ook harder als het uitdroogt. Meerschuim is een zacht mineraal, een beetje te vergelijken met uitgeharde gips, en leent zich goed voor het uitsnijden van ingewikkelde vormen. Vandaar dat met name in meerschuim af en toe uitbundig gesneden en versierde pijpen te vinden zijn.

Meerschuim wordt op meerdere plaatsen gevonden, maar het meerschuim dat in pijpen verwerkt wordt komt vooral van de Eskisehir vlakte in Turkije. Het wordt gedolven in 70 tot 100 meter diepe mijnen. Het komt als ‘knollen’ uit de grond die eerst gewassen worden. Daarna wordt een eerste selectie op kwaliteit gemaakt. Vervolgens worden de meerschuimknollen gespleten tot blokken die verwerkt kunnen worden. De kleinere blokken worden in water geweekt en daarna in model gesneden. Als de pijpenkop af is wordt er een steel bij gemaakt. Vroeger waren dat vaak stelen van amber, tegenwoordig wordt doorgaans amber-achtig kunststof gebruikt. Als kop en steel af zijn wordt de pijp gepolijst en goed gedroogd. Daarna wordt de meerschuimen kop meerdere malen met bijenwas bewerkt. Deze wasbehandeling is onderdeel van het latere langzame verkleuren van de pijp.

 

Het grootste probleem met meerschuim is dat de kwaliteit van de pijp bepaald wordt door de kwaliteit van het meerschuim. Goed, de pijp moet om te beginnen technisch in orde zijn, net als de houten pijp. Dus met zorg gemaakt door een betrouwbare fabrikant, het rookkanaal moet keurig onder in de ketel uitkomen en redelijk gelijkmatig zijn, en de pijp moet geen al te dunne plekken hebben. Aan de andere kant kunnen meerschuimen beter tegen uitbundige vormen, en dat is doorgaans ook wel te zien. Baardige opa’s, blote dames en complete ruiterstandbeelden kunnen deel uitmaken van de kop. Niet altijd even handig tijdens het roken, maar in elk geval geen bezwaar voor de smaak of de duurzaamheid van de pijp.

Deze normale technische zaken zijn goed te beoordelen en doorgaans niet het grootste probleem. Het echte probleem is dat je de kwaliteit van het basismateriaal, het meerschuim zelf, nauwelijks kunt zien. Goed meerschuim is lichter van gewicht dan slecht meerschuim, maar hoe licht is goed meerschuim, hoe zwaar is slecht meerschuim? Moeilijk om te beoordelen voor een leek. Meerschuim is zo populair voor decoratieve pijpen, dat er ook pijpen gemaakt worden puur voor de sier, dus niet echt om te roken. In het ergste geval wordt zelfs iets gebruikt dat ‘massameerschuim’ wordt genoemd. Dat is in feite meerschuim dat met een bindmiddel geperst wordt om grote blokken te maken. Massameerschuim is goed voor de sier, maar geen materiaal voor een echte pijp. De echte pijpen zijn in elk geval gemaakt van iets dat ‘blokmeerschuim‘ wordt genoemd.

De beste manier om de kwaliteit van meerschuim te beoordelen is toch weer de fabrikant en de prijs. De prijs is eenvoudig; ik denk dat een beetje redelijke meerschuimen pijp nu -2007- in elk geval meer dan 120 euro moet kosten. Daaronder hebben we het over sierobjecten… En fabrikanten? Ik heb goede ervaringen met een pijp van Buyukcapur uit Turkije. Beroemd maar duur zijn de pijpen van Andreas Bauer. Ook Strambach uit Oostenrijk levert dure maar geweldige pijpen. Het Ierse Peterson maakt ook fraaie meerschuimen pijpen, waarbij ze tegenwoordig volgens mij het betere Turkse meerschuim gebruiken. Vroeger maakte dit merk pijpen van Tanzaniaans meerschuim, zwaarder, minder poreus maar wel wat sterker dan gewoon meerschuim. De eigenschappen van zo’n pijp was meer vergelijkbaar met hout dan met goed meerschuim.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image021.jpg

Uiterst links een Peterson pijp van Tanzaniaans  meerschuim, zoals ze vooral in de jaren ’70 en ’80 verkocht werden. De pijp had nieuw al de gele kleur en ‘verbrande kop’. Iets zwaarder dan gewoon meerschuim, maar ook steviger, meer geschikt voor dagelijks gebruik. De andere twee pijpen zijn ook van Peterson. Ik vind altijd pijpen van dit merk altijd zeer klassiek, ietwat lomp aandoen. Geen 20ste eeuws design, maar eerlijk rookgereedschap. De rechter pijp komt uit de Peterson Sherlock Holmes serie, 2 keer 7 pijpen, met een eigen pijpenrek.

 

Een meerschuimen pijp is kwetsbaarder dan een houten pijp. Het materiaal is ook in uitgeharde staat nog altijd zachter en breekbaarder dan hout. Vandaar dat eigenlijk alle meerschuimen pijpen in een keurig stevig foedraal worden geleverd. Ook moet het leegmaken van de pijp met meer voorzichtigheid gebeuren; geen ferme porren met het pijpbestek dus.

 

 

2.5 MAÏSKOLF.

terug naar inhoudsopgave

 

Een derde materiaal voor pijpen dat ik nog even kort wil noemen zijn maïskolfpijpen. Ook deze worden wat zeldzamer, maar door de prijs en de rookeigenschappen is het toch de moeite van het bespreken waard. Maïskolfpijpen zijn namelijk goed te roken en goedkoop. Het zijn helaas ook wegwerppijpen, maar met een prijs van rond de 10 euro is daar misschien nog wel overheen te komen. De bekendste maïskolfpijpen zijn vermoedelijk de enorme, speciaal voor hem gemaakte, pijpen van generaal MacArthur, maar al noemde ik eerder ook Popeye en Ollie B Bommel. De maïskolfpijp is in elk geval een klassieker…

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image022.jpg

Rechte en gebogen maiskolf-pijp

 

Maïskolf pijpen zijn gemaakt van de kern van een grote maïskolf die eerst wordt geperst en dan tot een ronde pijpenkop wordt gedraaid. Vervolgens wordt er een gat in de wand geboord waar de steel in wordt gestoken.

Deze pijpen hoeven niet op de normale manier ingerookt te worden, je kunt ze meteen de eerste keer al volstoppen. Die eerste keer is dan geen onverdeeld genoegen; losse vezels en dergelijke in de kop maken dat de eerste keer meer naar kampvuur dan naar tabak smaakt… De pijp voor de eerste keer roken grondig schoonmaken met desnoods wat schuurpapier en een vochtig stuk keukenrol helpt al. Dat stukje schuurpapier kan ook meteen de scherpe kantjes van het mondstuk halen. Goedkope pijpen zijn nu eenmaal niet voor niets goedkoop…

Na een paar keer roken is de smaak prima, zij het anders dan een houten pijp. Er blijft vrij lang een zekere zoetheid in de smaak. Verder is het raadzaam om een maïskolfpijp niet echt tot op de bodem leeg te roken. Ergens komt het moment waarop je de steel begint op te roken, en het is raadzaam om net iets eerder te stoppen.

Ik heb wel vaker zo’n pijp gekocht als ik gewoon mijn pijpen thuis vergeten was, en ze zijn ideaal voor een beginnend pijproker om naast de eerste echte pijp nog één of twee extra pijpen te kopen, omdat de goede houten pijp tenminste in alle rust ingerookt raakt. De smaak is in elk geval zodanig, dat de bijnaam ‘Missouri Meerschaum’ naar mijn idee terecht is…

 

 

2.6 MODELLEN

terug naar inhoudsopgave

 

pijpvormen:

Pijpen kunnen op vele manieren ingedeeld worden, en in de loop der jaren zijn heel wat namen voor verschillende vormen bedacht. Over het algemeen wordt de vorm van een pijp bepaald door de vorm van de kop, de verhouding tussen kop en steel, en de vorm van de steel. Het is onmogelijk om alle vormen en namen hier te bespreken, alleen al omdat de diverse deskundigen het blijkbaar niet altijd met elkaar eens zijn. Op internet zijn vele vormbladen, de zogenaamde shape charts, te vinden (3). Ik beperk me hier tot een aantal veel voorkomende hoofdmodellen.

 

Billiard

De Billiard is denk ik wel zo’n beetje de oervorm van alle pijpen. Vormkenmerken: de kop is cilindervormig, de hoogte van de kop en de lengte van de houten steel zijn even groot, en het mondstuk is even lang als kop en houten steel samen. Klinkt ingewikkeld? Niet als je het ziet:

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image023.jpg

De meest klassieke bruyere pijp: de Billiar, in dit geval van Big Ben.

 

Naast de rechte Billiard kennen we de gebogen billiard; zelfde verhoudingen, maar de steel steekt meer of minder schuin omhoog en maakt een bocht.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image024.jpg

Big Ben gebogen Billiard, in dit geval met een wat afwijkend mondstuk: de snelle versmalling wordt een zadel-bit genoemd.

 

Er zijn vele variaties mogelijk op de Billiard. Zo kan de verhouding hals-mondstuk veranderen, en dan krijgen we de Liverpool en de Canadian.

 

Apple

Een meer bolvormige kop wordt doorgaans aangeduid als een Apple. Alle variaties die denkbaar zijn voor een Billiard kunnen ook weer als Apple gemaakt worden.

 

Buldog of Rhodesian

Dit is een van de oudere modellen. De kop heeft ergens een wat hoekige rand die vaak met een of twee groeven is afgezet. De steel kan rond zijn, of hoekig, recht of gebogen.

 

Prince

De Prince is een specifiek model, veel gerookt door en vernoemd naar Prince Albert of Wales, de latere King Eduard VII van Engeland. De pijp heeft een wat plattere bolvormige kop, een kortere hals en een langer, doorgaans wat gebogen mondstuk.

 

Naast de diverse vormen van kop en hals zijn er ook nog eens vele mondstukken mogelijk. Het meest elementaire mondstuk loopt geleidelijk van rond bij de hals naar plat bij het bit.

 

Een variant hierop is het zogenaamde zadelmondstuk, waarbij het mondstuk vrij plotseling plat wordt en twee elegante hoeken heeft.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image025.jpg

Een pijp van het merk Lorenzo met een gewone steel en een lange steel. Betere leespijpen worden vaak ook met een kortere steel geleverd

 

Extreem lange mondstukken maken van een pijp een leespijp (of tv pijp, of churchwarden, het beestje hoeft maar een naam te hebben). Het zijn in elk geval de pijpen voor als je eens lekker op je gemak gaat zitten en een pijp opsteekt. Ze worden geacht koeler te roken. Mijn eigen ervaring is dat het vooral even wennen is; omdat de rook inderdaad kouder is, heeft hij wat minder smaak. Daardoor heb ik de neiging iets sneller te gaan roken, waardoor de rook dan weer wat scherper van smaak wordt.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image026.jpg

De speciale Peterson Tip…

Een bijzonder mondstuk is het zogenaamde Peterson mondstuk. Peterson is een van de oudere pijpenfabrikanten, uit Ierland. Dit merk heeft ooit patent gekregen op een bijzonder model mondstuk waarbij de rook niet recht naar achteren maar omhoog gericht uit het mondstuk komt. Sommige mensen ervaren dit als prettiger en minder pijnlijk op de tong.

 

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image027.jpg

Zomaar eens wat verschillende pijpmodellen, in dit geval allemaal zwart, sandblast, en allemaal  van dezelfde fabrikant: Parker. Het zijn de volgende modellen (midden boven beginnen, en dan met de klok mee:

1: Buldog of Rhodesian (meningen blijven verdeeld).  Kop met een duidelijke rand (hier niet, maar vaak met één of meer groeven rondom de kop), halfgebogen steel (hier hoekig, soms rond)

2: Liverpool. Een billiard waarbij het mondstuk wat korter is en het houten deel van de steel wat langer.

3: Soms Brandy genoemd, met een uitdrukkelijk zadel-mondstuk

4: Prince. Lage ronde kop, naar verhouding lange steel met lichte buiging. 

5: klassieke gebogen Billiard

6: Apple. Ronde kop, in dit geval met licht gebogen steel en een zadel-mondstuk.

7: Soms Zulu genoemd. Pijp met een kop die naar boven toe wijder uitloopt, kop neigt wat naar voren. Hier met een zadel-mondstuk.

 

 

2.7 KWALITEIT VAN PIJPEN.

terug naar inhoudsopgave

 

Ik schreef het al eerder; de nietsvermoedende pijp novice die een goed geoutilleerde winkel binnenstapt, of een van de grotere webwinkels opzoekt, wordt overdonderd door een verbijsterende keuze en prijzen die variëren tussen ‘niet goedkoop’ en ‘what the f*ck!?!’. Je kunt best een maandsalaris kwijt aan één pijp… En de meest spannende vraag is natuurlijk of een duurdere pijp dan ook zoveel beter rookt dat die prijs gerechtvaardigd is. Oei, auw, ai, moeilijk, moeilijk.

Hieronder staan 3 billiards uit eigen collectie. Eentje heb ik voor niets gekregen. Voor een andere betaalde ik ooit lang geleden 39,95 in Oudhollandse guldens. En eentje kostte me 600 Duitse marken…

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image028.jpg

Drie keer Billiard…

 

Is er een verschil? Om te beginnen is er toch wel een verschil in afwerking. De duurste pijp heeft in elk geval het mondstuk dat het prettigst in de mond ligt. Moeilijk te omschrijven, maar het uiteinde heeft bijvoorbeeld net even een lichte kromming waardoor het echt prettiger aanvoelt, en ook de dikte van de steel en de kleine verdikking op het uiteinde zijn ‘net goed’. Ja, de duurste pijp is technisch net effe beter. Goed, geen kleine 230 euro beter, maar wel beter.

Mooi? De pijp die ik voor 39,95 kocht is in de loop van 30 jaar roken zoveel donkerder geworden dat je de nerf nauwelijks nog ziet. De andere twee zijn beiden sandblasts, dus de nervatuur blijft dan wel mooi zichtbaar. En de duurste heeft iets dat als een ‘sunburst’ wordt aangeduid, een fijn, regelmatig patroon, uitwaaierend vanuit één punt. Ja, de duurste is ook wel de mooiste eigenlijk.

En de smaak? Ik heb een paar jaar geleden eens een maand lang alleen deze drie gerookt, bij alle gelegenheden en op alle tijden van de dag. Eerlijk is eerlijk, de verschillen waren klein. Maar als ik echt een keuze moest maken, zou ik inderdaad de duurste houden. Omdat hij het beste smaakt? Ik denk van wel… Het is heel goed mogelijk, dat het verschil alleen in mijn hoofd zit. Ik weet nu eenmaal welke het duurste was. Overigens zou dat laatste ook nog wel eens op een andere manier verschil kunnen maken in de smaak: omdat dit zo’n dure pijp was, heb ik hem met meer zorg gerookt en onderhouden dan de anderen. En dat proef je vermoedelijk ook.

 

Dat laatste is, wat mij betreft,  in elk geval een fors deel van de truc met dure pijpen. Als je ooit, na heel lang twijfelen één duur exemplaar koopt als topstuk, dat zal dat vermoedelijk ook wel de beste pijp worden. Dan haal je ook wel degelijk je plezier uit die extra prijs. Als je er drie koopt, wordt het alweer normaal. Alleen maar topstukken betekend eigenlijk dat je geen enkel topstuk hebt… Ik heb veel pijpen gekocht bij speciale gelegenheden, en dat is denk ik een goeie manier. Op reizen een pijp kopen, of bij mijlpalen in je leven. Maar niet elke reis, niet elk hobbeltje in je leven… Traditie is mooi, maar het moet geen gewoonte worden.

 

Een paar gedachte-experimenten kunnen misschien enig soelaas bieden op zoek naar bijzondere pijpen. Probeer eens te bepalen wat nu precies belangrijk is in je plezier aan een bepaalde pijp. Het is voor dit experiment belangrijk om even je meest bijzondere pijpen aan de kant te leggen; de laatst gekochte pijp, die pijp van Opa, die doen even niet mee, kijk vooral naar je ‘dagelijkse pijpen. En denk dan eens na over de volgende zaken:

Van welke pijpen die je hebt geniet je het meest? Is dat een van de duurste, of is dat toch eerder een van de pijpen die je het langste hebt? In dat laatste geval is smaak inderdaad de scherprechter; inroken duurt in werkelijkheid geen 10 keer, maar gaat jaren lang door, en een goed behandelde pijp die jarenlang gerookt is zal doorgaans beter roken dan een nieuwere pijp; hij zal droger roken, voller smaken en je eenvoudigweg beter 'liggen', je bent er nu eenmaal beter aan gewend. Als het toch een van de duurdere nieuwere pijpen is, dan speelt er meer dan alleen smaak mee; je weet wat je voor dat genot betaald hebt, en vermoedelijk is de pijp ook gewoon opvallender, mooier, dan een goedkopere pijp.

Kun je je pijpen op volgorde neerleggen van minst favoriet tot meest favoriet? Als dat lukt zou je ook eens naar vorm kunnen kijken, en zelfs met een schuifmaat aan de slag kunnen gaan: misschien hebben je drie meest favoriete pijpen wel dezelfde binnenmaten van de kop, of dezelfde vorm.

Kijk ook eens welke pijpen je eventueel voor welke gelegenheid pakt. Is er een pijp die echt hoort bij ’s avonds rustig naar muziek luisteren of lezen? Is er een pijp die altijd meegaat als je opreis gaat? Waarom?

 

 

 


HOOFDSTUK 3: OVER PIJPTABAK

terug naar inhoudsopgave

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image029.jpg

Tabakspotten. Eindeloos verzamelobject, en voor de veelroker handiger dan pakjes en blikjes. Maar de tabak droogt er wel sneller in uit… Links een zogenaamde Toejas, een berken tabaksdoosje uit het Hoge Noorden, in het midden een ceramische pot bekleed met leer (typisch jaren ’70 vorige eeuw) en rechts een koperen tabaksdoos voor een dagvoorraadje.

 

 

3.1 PIJPTABAK.

terug naar inhoudsopgave

 

Pijproken is op z'n retour, ik schreef het al eerder. Een van de weinige overblijfselen uit die gouden tijden die nog zichtbaar zijn is een nog steeds verbijsterend assortiment aan pijptabak dat de rekken van zelfs de armzaligste tabaccier bevolkt. Hoe moet uit dat aanbod gekozen worden, wat is nu goeie tabak? Tsja, daar bestaat geen eenvoudig antwoord op. Proberen is het enige dat helpt. En misschien een zekere basiskennis van tabak. Pijptabak is doorgaans een mengsel van verschillende tabakken, de melange of blend. Die verschillende tabakken hebben verschillende smaken en functies in onze pijptabak. Verder worden er aan tabak een aantal zaken toegevoegd om de tabak te verbeteren; de brandbaarheid, de vochtigheid en de houdbaarheid. Dat zijn de technische toevoegingen. Daarnaast kent pijptabak ook nog eens een aantal verschillende vormen; soms fijn gesneden, soms grof gesneden, en soms plakjes. Pijptabak is beslist niet vergelijkbaar met sigaren- of sigarettentabak, en over het algemeen is het dan ook geen goed idee om een pijp te vullen met halfzware shag…

De informatie op pakjes en blikken is doorgaans nogal onder de maat. In galmende reclamezinnen staat hier en daar misschien een enkel woord dat enige informatie geeft over wat we hier precies in handen hebben, en het is dan ook zinvol om in elk geval deze termen te kennen. De termen kunnen betrekking hebben op het soort tabak (Virginia, Latakia, Cavendish). Ze kunnen gaan over smaaktoevoegingen (rum, whisky, chocolade, vanille). En ze kunnen gaan over de vorm van de tabak (readdy rubbed, fine cut of fijne snede, flake). In de navolgende paragrafen wordt dieper ingegaan op deze begrippen.

Op internet is doorgaans aanzienlijk meer informatie te vinden over tabak dan op de verpakking. Vaak is van een bepaalde tabak wel op te zoeken wat de hoofdbestanddelen zijn, of welke smaken het meest nadrukkelijk aanwezig zijn. Een van de beste sites op dat gebied is tobaccoreviews.com (6). Het is wel zaak om bij het bekijken van andermans tabaksbesprekingen rekening te houden met persoonlijke smaak. Over het algemeen geef ik eerder de voorkeur aan informatie over de inhoud van een tabak, hoe die inhoud dan uiteindelijk smaakt maak ik eventueel later zelf wel uit. In de loop der jaren heb ik mijn eigen smaak leren kennen, en ik weet bijvoorbeeld dat ik erg van Latakia hou, en whisky is een prima uitvinding maar hoort naar mijn idee in een glas en niet in tabak. Het is dan ook zaak om in eerste instantie te ontdekken hoe de verschillende tabakssoorten smaken, en welke toevoegingen wel of niet bevallen.

 

 

3.2 TABAKSSOORTEN.

terug naar inhoudsopgave

 

Tabak wordt gemaakt van de bladeren van de Nicotiana Tabaccum en Nicotiana Rustica. Het is een plant die vele variëteiten kan aannemen omdat de plant een uitgebreid wortelstelsel heeft en daardoor nogal afhankelijk is van de grond. Omdat het ook nog eens een snelgroeiende plant is, worden weersinvloeden minder ‘gemiddeld’ en zijn die dus ook van grotere invloed op de uiteindelijke bladeren. In grote lijnen zijn er een beperkt aantal variëteiten van de tabaksplant die voor pijptabak gebruikt worden. Sommigen vormen de ‘bulk’, de basis van een tabak. Ze hebben doorgaans niet zoveel smaak van zichzelf, maar nemen gemakkelijk een andere smaak over, of ze branden goed en worden daarom gebruikt. Andere tabakken hebben een hele sterke smaak, en worden doorgaans niet eens puur gerookt. Ze worden vooral als kruiden aan een mengsel toegevoegd om een bepaalde smaak te bereiken. De meeste pijprokers delen tabak doorgaans in een paar grote groepen in: ‘ongesausd’ en ‘gesausd’, en eventueel nog ‘pure virginia’s’.

De eerste groep, de ongesausde tabakken, omvat pure tabak of mengsels van verschillende tabakken zonder andere smaak toevoegingen. Voorbeelden hiervan de mengsels van Engelse aard, zoals Caledonian melange 466 en Dunhill Medium blend. Over het algemeen hebben deze tabakken vooral een rokerige smaak, soms zijn ze pittig als peper, of ze doen vaag aan wijn of Madeira denken. Ze roken meestal goed droog maar kunnen soms wat scherp zijn.

De tweede groep, de gesausde tabakken, bestaat uit gemengde tabakken waar smaak- en geurstoffen aan toe zijn gevoegd. Die stoffen variëren van cacao poeder tot rum en alles wat verder zoal in een keuken kan voorkomen. Vaak is de geur van de tabak in de verpakking wezenlijk anders dan de smaak tijdens het roken; chocolade ruikt nu eenmaal beter dan het brandt. Ook de rook uit de pijp ruikt wel naar die smaakstoffen, maar de roker zelf zit er als onschuldige schakel tussen en vraagt zich af waar die verwachtte schotse whisky smaak toch blijft. Een bepaald procédé om tabak te bewerken dat een tabak oplevert die 'Cavandish' wordt genoemd. Cavendish kan allerlei vormen aannemen, maar het is doorgaans een techniek die vooral bij gesausde tabakken wordt gebruikt. Voorbeelden van gesausde tabakken zijn Neptune en MacBaren Navy Flake. Over het algemeen zijn deze tabakken sterk van smaak en geur, en soms zijn de smaakmakers echt herkenbaar in een zoete geur van honing, chocolade of vanille. Ze roken soms wat nat zodat de pijp begint te gorgelen. Op dit moment zijn er veel meer gesausde dan ongesausde tabakken. Dit heeft onder andere veel te maken met het feit dat gesausde tabakken in het pakje al lekker ruiken, ook al hoeft die geur niets te maken te hebben met de smaak tijdens het roken.

De derde groep betreft doorgaans tabakken die een erg subtiele, niet nadrukkelijke smaak hebben. Er zitten minder verschillende tabakssoorten in, en zoals de naam al zegt gaat het daarbij vooral om Virginiatabakken. Voorbeelden zijn Blend 32 van Larsen en Virginia nr 1 van Mac Baren. De meeste oerhollandse baaitabakken zoals Koopvaert en Voortrekker zijn ook varianten op deze ‘pure’ virginia’s, maar dan ook nog eens van een erg fijne snede en droger dan de meeste andere pijptabakken.

 

Enkele tabakssoorten:

Virginia

Virginia is de 1e hoofdsoort van tabak. De kleur varieert tussen licht geel en donkerbruin, het is een hete-lucht gedroogde tabak (flue-cured). De tabak bevat veel suikers en etherische oliën; de smaak is zoet en aromatisch maar ook wat scherp (‘zoet’ en ‘aromatisch’ zijn hier relatief; gesausde tabakken kunnen veel zoeter zijn en zijn altijd veel geuriger). Hij kan los gerookt worden maar dient vooral vaak als basis voor engelse mengsels; Virginia, wat Burley, wat geroosterde of ongeroosterde oriëntaalse tabak en wat Latakia of Perique.

 

Burley

Er zijn twee soorten Burley; de zware soort, donker en rokerig, onder de naam Kentuky Burley vaak gebruikt als een kruid-tabak. Dit is een erg donkere tabak met een rokerige smaak, net wat minder sterk en uitgesproken dan Latakia. Deze tabak wordt doorgaans als kruidtabak gebruikt.

White Burley is de lichtere soort. Het is een lucht-gedroogde tabak, licht bruin tot mahony kleur, en niet zo zoet als Virginia. De witte Burley wordt vaak als basis gebruikt voor Amerikaanse mengsels; vaak tot 75 % Burley aangevuld met wat Virginia, Latakia of Perique, al dan niet gesausd. De tabak kan ook puur gerookt worden.

 

Maryland

Botanisch gelijk aan Turkse en Chinese tabak, 2e hoofdsoort. Okergeel tot roodbruin, karakteristieke geur (voor mijn gevoel een ‘ouderwetse’ tabakslucht). Het is een goed brandende tabak die vaak aan mengsels wordt toegevoegd omdat hij de smaak neutraliseert en de brandbaarheid verhoogt. De tabak kan ook puur gerookt worden ( plantages tussen Potomac en Chesapeake Bay, vandaar de Nederlandse naam Baaitabak voor dit soort tabakken).

 

Latakia

Dit is een zwarte tabak met een rokerige, volle smaak. Hij wordt vooral gebruikt in Engelse en Amerikaanse mengsels, soms heel bescheiden om de smaak een tikkeltje voller te maken, soms tot 50 % of meer om de eigen smaak te presenteren. Latakia kan wat scherp van smaak zijn, en hij brandt wat moeizaam, vaak blijven uiteindelijk in de as ook zwarte onverbrande resten over. Er zijn twee soorten Latakia: de Syrische (het origineel) en de Cyprische variant. 

 

Orientaalse tabaken

Typische kruidtabakken; wat zoet, wat zurig, wat scherp, wordt in kleine hoeveelheden gebruikt bij engelse mengsels. Een voorbeeld is Samsun, de herkenbare smaak van shag die ook in sommige pijptabakken voorkomt.

 

Perique

Kruidtabak die fermenteert in zijn eigen uitgeperste sap. Hoog nicotinegehalte, in onvermengde vorm niet te roken. Wordt tot 5 % bijgemengd in Amerikaanse mengsels (minder vaak in engelse mengsels). Deze tabak is op z’n minst zeldzaam, en dreigt uit te sterven vanwege de prijs en de bewerkelijke productie.

 

 

3.3 TECHNISCHE TOEVOEGINGEN.

terug naar inhoudsopgave

 

Helaas en alweer: het leven is niet simpel. In werkelijkheid bevat elke tabak -voor zover ik dat kon nagaan- toevoegingen om hem te verbeteren (5). De term ‘gesausde tabak’ is geen harde definitie of duidelijke grens. Elke tabak is in feite gesausde tabak, alleen overheerst bij sommige tabakken vooral de geur en smaak van de toevoegingen, terwijl in andere gevallen toch de vooral de natuurlijke tabaksgeur en smaak bepalend is. De toevoegingen in tabak zijn in grote lijnen terug te brengen tot een paar hoofdgroepen:

 

Smaakstoffen.

Deze groep omvat onder andere cacao, honing, verschillende soorten suiker, pruimensap, bonenextract, glucosesiroop, melkzuur, drop extract, menthol, rum, whisky, valeriaan

 

Bevochtigers

Tabak moet de juiste vochtigheid hebben. In onze moderne centraleverwarmde huizen droogt tabak uit, en droge tabak brand als stro; snel, heet en scherp. Om de vochtigheidsgraad goed te houden worden er stoffen toegevoegd. De meest voorkomende zijn sorbitol (een soort suiker), glycerol en propylene glycol

 

Conserveermiddelen

Dit zijn stoffen die ook in de voedingsindustrie gebruikelijk zijn, zoals natrium benzoaat en kalium sorbaat. Klinkt eng, maar we zijn ermee omringd…

 

Oplosmiddelen

Ook dit klinkt erger dan het is; we hebben hier hier voornamelijk over water als oplosmiddel voor bijvoorbeeld suikers en in pruimensap, of alcohol voor de smaakstoffen die in rum zitten.

 

Bindmiddelen

Het gaat hierbij om natuurlijke ‘plaksels’ die voorkomen dat de tabak in stof verandert. De stoffen zijn vaak al van nature aanwezig in tabak, maar er wordt extra toegevoegd. Voorbeelden zijn cellulose, en Guar gom.

 

 

3.4 VORMEN VAN TABAK.

terug naar inhoudsopgave

 

Tabak is doorgaans grover gesneden dan sigaretten en sigarentabak. Hoe grof verschilt. Alle in reepjes gesneden tabak –de meeste dus- kan worden omschreven als "ribbon cut", dat zegt niets over hoe grof of fijn de tabak is gesneden. De vorm van de tabak heeft alleen indirect invloed op de smaak, het heeft in de eerste plaats invloed op hoe een tabak brandt. Een hele ruwe grondregel is dat fijngesneden tabak beter brandt en dat grof gesneden tabak doorgaans minder snel op de tong bijt. Verreweg de meeste pijptabak is tussen de 1 en 3 mm breed, en lijkt uit nogal dikke draden te bestaan. Die dikte komt omdat er meerdere tabaksbladen op elkaar lagen toen de tabak gesneden werd, en die zitten nog steeds aan elkaar. In één tabak zijn doorgaans meerdere kleuren en snedes door elkaar gemengd zichtbaar (veel roodbruin, wat gelere fijngesneden tabak ertussen door, en wat dikke korrels bijna zwarte cavendish is een heel gebruikelijk mengsel). Als er niets op de verpakking staat gaat het meestal om zo'n tabak.

De fijnst gesneden tabaksvorm zien we doorgaans in de Hollandse Baaitabak; smalle reepjes van flinterdune tabak. Dit wordt doorgaans aangeduid als "fine cut", "fijne snede" en soms ook wel als "shag" (niet te verwarren met de shag die voor het zelf rollen van sigaretten wordt gebruikt). Zoals hierboven al aangegeven betekent dit dat die tabakken erg goed branden, maar wel eventueel wat scherper op de tong zijn.

Een wat minder gebruikelijke vorm van tabak is "Flake" tabak. Dit zijn plakken samengeperste tabak, meestal iets van een millimeter of meer dik, en verder rond, vierkant of langwerpig, afhankelijk van de verpakking. De verpakkingen zijn doorgaans een stuk kleiner, en de tabak moet in meer of mindere mate uit elkaar gehaald worden voor het stoppen. Als het een goed brandende flake betreft dan hoeft de tabak nauwelijks uit elkaar gehaald worden, en kan gewoon een plak of meer in de kop gepropt worden. Het aandrukken van de tabak wil dan wel eens wat lastiger zijn, en meestal is het toch handiger om de tabak iets verder uit elkaar te halen. Hoe fijn de tabak moet worden gemaakt hangt dus af van de brandbaarheid en is een kwestie van proberen. Flake tabakken hebben een paar voordelen; doorgaans behouden ze goed de juiste vochtigheid, en de verpakkingen zijn klein en handzaam. Ook zijn het heel vaak langzaam brandende tabakken, in veel gevallen doe ik langer over een pijp als de kop vol flake tabak zit, dan wanneer diezelfde kop vol gewone tabak zit (in feite stop je gewoon meer tabak in diezelfde kop omdat hij meer op elkaar geperst zit). Het nadeel is dat het uit elkaar plukken van de tabak doorgaans iets minder handzaam is tijdens het stoppen van een pijp. Ik gebruik vaak de deksel van het tabaksblikje als tussenstation.

Naast de hierboven genoemde vormen zijn er nog wel andere vormen waarin pijptabak voorkomt, maar die zijn over het algemeen erg zeldzaam. Zo wordt onder de naam 'ready rubbed' flaketabak verkocht die weer uit elkaar is gehaald. Het lijkt op gewone tabak, maar vaak zitten er ook grote stukken tussen die snel uit elkaar vallen. En dan bestaat er nog zoiets als 'rope', 'twist' of 'spun cut' tabak, dit zijn sigaarachtige rollen pijptabak die, net als flake. eerst fijngemaakt worden voordat ze gerookt worden. In Nederland heb ik ze nooit gezien. Een afgeleide van deze rollen tabak is de 'curly cut' die, net als ready rubbed weer een fijngemaakte versie van deze tabak is.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image030.jpg

Tabak voor elke smaak…

 

 

3.5 ONDERHOUD VAN TABAK.

terug naar inhoudsopgave

 

Er zijn pijprokers die een paar pijpen kopen, een blik tabak, en de rest van hun leven genoeglijk die ene tabak roken. Daar is niets mis mee. Dat is zelfs prima; het is mooi als je weet wat je wilt. Maar ikzelf behoor tot een wat minder heldere groep; ik heb nu weer eens zin in een lekkere zoete mixture, maar dan wil ik weer die subtiele en niet opdringerige baai, en na een hele dag gevuld met eten en drinken en roken wil ik wel eens een tabak die zo sterk en overheersend is dat al het voorgaande wordt vergeten. En af en toe probeer ik ook eens iets nieuws, en al is dat dan misschien niet meteen zo geweldig dat ik het pakje in één keer leeg rook, voor zo af en toe is het toch best wel te doen. Daarnaast schijnen er mensen te zijn die geen 8 pijpen per dag roken, maar slechts eentje, en soms zelfs wel eens een dag niet roken. De vraag die in al deze gevallen opduikt is hoelang tabak houdbaar is, en wat je dan eventueel moet doen om die tabak goed te houden.

In principe is tabak prima houdbaar. De twee grootste gevaren die op de loer liggen zijn schimmel en uitdroging. Over schimmel kan ik kort zijn; zolang tabak in de originele verpakking zit en er geen vreemde zaken worden bijgestopt, gaat tabak normaalgesproken niet schimmelen. Die 'vreemde zaken' hebben dan vaak te maken met het 2e probleem; uitdroging. Adviezen die ik vroeger kreeg, zoals als een plakje appel of aardappel bij de tabak stoppen zijn inderdaad de meest geschikte manier om een schimmel in je tabak te krijgen. En als dat dan niet in de originele verpakking gebeurd, maar in een tabakspot waar later ook weer nieuwe tabak in komt, dan heeft die schimmel vaste voet aan de grond, en zal die nieuwe tabak net zo gemakkelijk gaan schimmelen. Uitdroging van tabak bestrijdt men dus niet met groente en fruit. Het is geen scheurbuik.

Zoals al eerder geschreven, pijptabak heeft een zeker vochtigheid nodig om optimaal te smaken. Die vochtigheid is een tamelijk kritisch punt. Is de tabak te nat, dan wil hij niet goed branden met als gevolg sneller roken en blaren op de tong (of het kost bergen lucifers). Is de tabak te droog, dan brandt de tabak te snel en te heet, en het resultaat is alweer blaren op de tong. En die juiste vochtigheid is dan ook weer per tabak anders. Doorgaans gaat het om een vochtigheid van tussen de 14 en 18%, maar dat is buiten een laboratorium nauwelijks vast te stellen. Uiteindelijk wordt het een kwestie van ervaring; de pijproker plukt en voelt en beslist of het goed is. De tabak komt doorgaans op ideale vochtigheid -of net een fractie vochtiger- uit de fabriek. In de moderne gesealde pakjes en de vacuüm gezogen blikken blijft tabak heel erg lang goed, en pas na het openmaken van de verpakking begint eventueel het uitdrogen. Vandaar dat het ook zaak is om, als er een nieuwe verpakking geopend wordt, meteen even op die vochtigheid te letten; zo zou het dus ongeveer moeten zijn. Aan de meeste tabak is een stof toegevoegd die de vochtigheid op peil moet houden, en die doet dat binnen zekere grenzen prima. Maar in onze centraal verwarmde huizen is de luchtvochtigheid vaak zo laag, dat tabak toch kan uitdrogen. Tabak in blik houdt zich beter dan tabak in een pakje, omdat een blik nu eenmaal beter sluit. Het veelvoorkomende systeem van papier in een blik, met nog een los vel erboven op helpt ook om dit uitdrogen te voorkomen omdat het papier al een beetje vochtregulerend werkt, en het losse velletje erboven op ook nog eens als een 2e deksel werkt. Naar mijn ervaring wekt het overladen van tabak uit blik naar een echte tabakspot doorgaans minder goed; in een tabakspot droogt tabak meestal sneller uit, en zullen sneller hulpmiddelen nodig zijn om de vochtigheid goed te houden. Een goed alternatief voor echte tabakspotten zijn ínmaakpotten met een rubber ring en een klem. Ze sluiten prima, en tabak kan hier maar zeer beperkt in drogen (tabak moet ook liefst donker bewaard worden, en dat is in glazen potten dan weer wat minder het geval). Alleen als er weinig tabak in een blik of goedsluitende pot zit wordt de kans op uitdrogen weer groter.

Als de indruk ontstaat dat tabak te droog wordt moet tabak opnieuw bevochtigd worden. Ook tabak die volkomen uitgedroogd is kan op die manier weer goed rookbaar gemaakt worden. De kunst is dat er water bij de tabak moet, maar vooral niet teveel. Vandaar ook dat druppels op de tabak gooien al veel te veel is; dan is een deel van de tabak te nat, en de rest is nog steeds te droog. De eenvoudigste manier om tabak weer iets vochtiger te maken is een koffiefilter nemen en hier een stuk uitknippen dat goed in het pakje of blik past. Op dat stuk filterpapier worden dan een paar druppels water gedaan; 10 druppels is al veel, en het is dus zeker niet de bedoeling om dat stuk papier kletsnat te maken. Het nauwelijks vochtige stuk papier wordt dan bij de tabak gedaan, de verpakking of het blik wordt weer afgesloten, en na een dag of twee kan gecontroleerd worden of de tabak nu beter is. Als de tabak echt kurkdroog is dan moet deze behandeling misschien een paar keer herhaald worden. Met wat geduld kan zo elke tabak weer een goede vochtigheid krijgen. Mocht de tabak ineens toch weer te vochtig blijken te zijn, dan rest er niets anders dan de verpakking een paar dagen open te laten, maar in principe zal dit niet voorkomen als er voorzichtig en met wat geduld bevochtigd wordt. Er bestaan ook speciale 'knopen' om de vochtigheid van tabak te regelen. Doorgaans zijn dit aluminium doosjes waarin een poreuze steen zit. Deze knopen kunnen een paar minuten in lauw water gelegd worden, dan goed afgedroogd worden waardoor er alleen nog water in de steen zit. Dan wordt de knoop weer bij de tabak gelegd, en verder werkt het hetzelfde als het filterpapier.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image031.jpg

Vochtknopen om tabak op de juiste vochtigheid te houden. In het aluminium ‘muntje’ zit een absorberend steentje om de tabak op de juiste vochtigheid te houden. In dit geval twee knopen in een tabakspotje met oer Hollandse baaitabak. Het tabaksdoosje in van berkenbast en komt uit Lapland. Iets grotere varianten hierop werden ‘Toejas’ genoemd en waren veel te zien in huizen van Groningse schippers die op de Oostzee voeren.

 

De knopen ogen wat netter, maar in feite werken ze precies hetzelfde. In tabakspotten zit vaak een sponsje in het deksel dat eventueel nat gemaakt kan worden. Mijn eigen ervaring is dat dit heel voorzichtig moet gebeuren, in zo'n sponsje kan al snel meer water dan eigenlijk goed is, en voor je het weet is de tabak weer te nat. Ook in echte tabakspotten gebruik ik liever de knopen of het filterpapier dan zo'n sponsje in het deksel.

Voor een pijproker als ik, die vaak vier of vijf soorten tabak tegelijk open heeft wordt het onderhoud van tabak een serieuze taak. Een keer per week loop ik alle geopende verpakkingen even na en bepaal of er soms een knoop bij moet of niet. Vijf soorten tabak open? Jawel; doorgaans heb ik in elk geval een zoete 'gesausde' tabak open die ik een groot deel van de dag rook. Daarnaast is er altijd wel een Baai en een Latakia tabak die ik ook bijna elke dag wel rook. En ik heb meestal wel een of ander blik dure luxe tabak die ik als 'zondagse' tabak gebruik. En dan nog een pakje dat zonodig eens geprobeerd moet worden…

 

 

3.6 AANTEKENINGEN MAKEN OVER GEROOKTE TABAK.

terug naar inhoudsopgave

 

Ik sta voor de uitgestalde tabak in een zaak waar ik al jaren niet meer geweest ben. "Upper Ten Heerenbaai, hee, die heb ik allang niet meer gezien. Wat was daar ook al weer mee?" Ik koop een pak, en steekt thuis op. "O ja, dat was ermee; ik vond dit de afschuwelijkste tabak die ik ooit gehad had!" Grrrr…

Voor iedereen -behalve de doelgerichte pijproker waar ik de vorige paragraaf mee begon- loont het de moeite om aantekeningen te maken over tabak die gekocht en gerookt wordt. In het begin lijkt dat overdreven, maar na 5 jaar van dan eens dit en dan eens dat proberen weten de meesten echt niet meer hoe die 14e tabak van 4 jaar geleden nu ook al weer smaakte. Bovendien wil in de loop der tijd smaak wel eens wat veranderen, bijvoorbeeld omdat je steeds beter leert om een pijp in het goeie tempo aan de praat te houden. En dan is het wel eens handig om bijvoorbeeld een tabak die ooit eens niet beviel vanwege slecht branden aan een nieuwe test te onderwerpen. Verder is het zo dat producenten eigenlijk vaak een soort van 'fabriekssmaak' hebben. Zo vind ik –dit is puur een persoonlijke smaakkwestie en zegt absoluut niets over de kwaliteit van die tabakken!!!- de meeste Niemeyer tabakken wel lekker, en de meeste Mac Baren tabakken toch wat minder lekker. De een houd van suiker in z'n koffie, de ander niet, zoiets. Het ontdekken van die grote lijnen is ook veel gemakkelijker als er aantekeningen gemaakt worden.

Het maken van aantekeningen is op zichzelf eenvoudig; het is niet de bedoeling om in vloeiende volzinnen een gedetailleerde smaakanalyse –'en een vleugje Nepalese koreander'- te geven. Het gaat er vooral om iets te noteren waar ik later nog wat aan heb, en eigenlijk zijn dat vaker redelijk exacte gegevens, en minder vaak smaakaantekeningen. Bij het proberen van een nieuwe tabak is het wel van belang om niet te snel een oordeel te vellen. Ik ga ervan uit dat ik minstens 1 pakje nodig heb voor ook maar een beetje een beeld begin te krijgen. Bij één of twee keer roken is de kans groot dat het moment van de dag of de manier waarop die ene pijp uitvalt bepaalt wat ik van een tabak vind, en als ik de tabak op meerdere momenten en met verschillende pijpen rook, dan wordt dat beeld toch wat genuanceerder. Wat noteer ik zelf?

 

1: exacte gegevens:

-Naam van de fabrikant, naam van de tabak (bv. T Niemeyer, Sail Natural)

-Verpakking, prijs en wanneer/waar gekocht (bv. 50 gr pouche, 27-5 2003, €4,35 bij Van Neer Sittard.

-Beschrijving op de verpakking (voor zover van belang: bv. Burley en Virginia, gekruid met Latakia, India en Indonesia)

2: vóór het roken:

-Hoe ziet de tabak er in mijn ogen uit in de verpakking (bv. middelgrof, twee kleuren bruin met kleine stukjes lichter en donkerder).

-Hoe ruikt de tabak in de verpakking (vb. zachte maar pure tabakslucht, weinig andere geurtjes)

3: tijdens het roken

-Hoe rookt de tabak (vb. voorzichtig stoppen en aandrukken tijdens het roken, is snel te vast gestopt, heeft iets de neiging tot nat roken, de pijp wordt behoorlijk warm en heeft ook iets meer neiging uit te gaan, misschien is de tabak iets te vochtig. Gaat wel lang mee)

-Hoe smaakt de tabak (vb. Neutrale rooksmaak, ik proef niet echt Latakia, maar wel een ongesausde tabakssmaak. Merkbaar samengesteld uit verschillende tabakken, smaak is wat 'ingewikkeld' en lijkt niet snel te vervelen).

 

Als ik een nieuwe tabak probeer dan begin ik vaak meteen bij het openmaken met de eerste twee onderdelen in te vullen. De exacte gegevens kunnen zo uitgeschreven worden, voor het 'vóór het roken' leg ik wat tabak op een wit vel papier en pluk die uit elkaar om hem daarna met daglicht eens goed te bekijken. Het kan zijn dat ik later daar nog iets aan toevoeg, maar doorgaans zijn deze zaken snel duidelijk. Dan steek ik die tabak een eerste keer op, en probeer me een algemeen beeld te vormen; wil ik dit vaker roken? In de dagen of weken daarna neem ik af en toe eens de tijd om een pijp met deze tabak in alle rust op te roken (zie de paragraaf  'de perfecte pijp'). Ik gebruik bijna altijd dezelfde pijp voor alle nieuwe tabakken die ik probeer; zo krijg ik bijvoorbeeld een indruk over hoe snel of langzaam een tabak rookt. Na een paar keer roken probeer ik mijn eerste smaakindrukken kort te noteren, en daarna kijk ik regelmatig of ik die eerste aantekeningen nog standhouden. Doorgaans maak ik pas halverwege zo'n eerste pakje tabak wat aantekeningen over hoe deze tabak zich laat roken (brandt goed of slecht etc). Dit omdat het vaak nodig is om even de meest opvallende kenmerken van een tabak te leren kennen; soms moet tabak vast gestopt worden, soms losser, en soms is toch een andere dan mijn 'standaardpijp' nodig.

Als een tabak na een eerste blik of pakje goed lijkt te bevallen is het nog niet zo dat ik klaar ben om er 5 kilo van te bestellen. Het komt voor dat ik pas bij het derde of vierde blik ineens ontdek dat de tabak eigenlijk een heel licht bijsmaakje heeft dat me eigenlijk niet bevalt, en dat me steeds harder begint op te vallen. Vaak maak ik dan alsnog een aantekening in mijn tabaksboekje…

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image032.jpg

 

                                                

 


HOOFDSTUK 4: DE OPSCHEPPER.

terug naar inhoudsopgave

 

4.1 MIJN PIJPENREK

 

Monument voor wat eens was…

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image033.jpg

Weense koffiehuispijp

In Nederland zijn we gewent aan de lange stenen pijpen, de zogenaamde Goudse pijpen. Dat was wel ooit de basisvorm van pijpen, en niet alleen in Gouda of Nederland. Maar al snel kwamen stenen pijpen ook in andere vormen voor. Dit is een pijp zoals die ooit als in Weense koffiehuizen werd verstrekt zoals nu een koekje bij koffie wordt geleverd. Zo’n pijp werd verkocht als één steel met meerdere koppen; de steel kon schoongemaakt worden, maar de kop moest vervangen worden voor een nieuwe klant. Kun je je in onze van tabak verstoken gezondheidshoreca dit soort weelde nog voorstellen? Als er al een symbool is voor de teloorgang van onze beschaving…

 

Sherlock Holmes

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image034.jpg

De Kalebaspijp

De grote klassieker die niet is wat hij lijkt.

Voor diegenen die nog nooit zoiets zagen: dit is nu een kalabaspijp. Het bruin/gele deel is een kalabas die tijdens zijn groeiproces in model is gebracht met stokjes en ijzerdraad. Het witte deel rechtboven is de eigenlijke kop, van meerschuim. En het gele mondstuk moet amber voorstellen, hoewel ik het voor imitatie amber houdt, gemaakt van acryl. Deze pijp is ouderwets, het ontwerp stamt uit de 19e eeuw, maar ze worden nog steeds gemaakt. Het is een levende dinosaurus, een overblijfsel uit de tijd waarin mannen nog niet voor een kleintje vervaard waren en ook porseleinen pijpen van 1 meter lang gerookt werden. En er is een reden waarom deze pijpen nog steeds gemaakt worden. Als de pijp goed gemaakt is, van echt blok-meerschuim, dan is het een geweldige pijp om te roken. Maar dat is niet de reden waarom deze pijp nog steeds bestaat. Dit, Dames en Heeren, is DE PIJP. De enige echte Shelock Holmes pijp.

In zoveel films en op nog meer boekomslagen te bewonderen; dit is het ultieme symbool van onze enige echte eerste privé detective...

En hier komt de echt mop. Sherlock Holmes rookte geen kalabaspijp. In alle verhalen die Conan Doyle over onze geliefde speurneus schreef komt de kalabaspijp niet een keer voor. Holmes rookte een 'klein, zwart, vettig stenen pijpje', hij had een 'oude vertrouwde pijp van rozenhout', een pijp van kersenhout die hij opstak als hij zin had in bekvechten met Watson, maar er staat geen letter over de kalabaspijp in de hele Canon. Ook de originele gravures die de verhalen in The Strand versierden vertonen nergens deze pijp. Het beeld dat wij nu hebben van Holmes, met de pet met twee kleppen, de lange mantel en de ferme saxofoon waar hij uit rookt, heeft een andere herkomst. De verhalen over Sherlock Holmes waren toen ze uitkwamen een groot succes, en al snel opende het doek voor een toneelstuk over Sherlock Holmes. Hoofdrolspeler was ene meneer Gilett, een hartstochtelijk pijproker. En het is deze Gilett die de kalabaspijp heeft toegevoegd aan ons beeld van Sherlock Holmes.

En is dit nu ook nog echt een beetje te roken? Ik moet zeggen, het is in elk geval niet de teleurstelling die ik verwachtte, en ik rook de pijp regelmatig en met toenemend genoegen. Eerst maar even de grootste nadelen: om te beginnen had de pijp een paar bijsmaakjes die me niet bevielen. Hoewel het achteraf logisch lijkt, had ik niet gerekend op een vruchtensmaak. En de pijp had, zeker in het begin, een wat was-achtige smaak (er wordt was gebruikt bij het maken van een meerschuimen pijp, maar de andere meerschuimen pijpen die ik bezit hebben geen wassmaak). Gelukkig bleken deze bijsmaken vooral een kwestie van nieuwigheid te zijn, na een jaar waren ze vrijwel verdwenen. Maar dat viel even tegen. Wat wel te verwachten was is dat het een onhandige pijp is; het ding is groot, niet mee te nemen als je van huis wilt, en niet tussen de tanden vast te houden. Maar goed, het is dan ook een overblijfsel uit een andere tijd, met een ander levenstempo. Voor deze pijp moet je echt eens rustig gaan zitten.

Een andere verrassing was dat de kop voor zo' grote pijp niet echt groot is. Op de een of andere manier verwacht je toch dat je in zo'n grote pijp gemakkelijk een half pond tabak kwijt kan, in werkelijkheid is de inhoud van de kop nauwelijks groter dan van een gemiddelde pijp. En omdat dit soort pijpen van nature erg droog en koel rookt, ontstaat daardoor de neiging om wat sneller dan normaal te roken; mijn eerste rokertje uit deze pijp duurde iets van 20 minuten, waar een uur toch meer in de lijn der verwachting lag. Ondertussen heb ik geleerd om ook deze pijp rustig te roken, en nu duurt het al een dikke 50 minuten. En met het rustiger roken is trouwens ook de eerder genoemde wassmaak verdwenen.

Het meest verbazende is een onverwacht voordeel. Hoe het komt weet ik niet, maar deze pijp blijft veel beter branden dan een normale pijp. En dat maakt deze pijp tot de ideale pijp voor een gezellige avond kletsen met vrienden (als ze tenminste eenmaal aan de aanblik van dit gevaarte gewend zijn). Deze pijp gaat niet uit als ik eens wat meer dan een paar losse woorden aan de discussie wil bijdragen. Blijkbaar wist de meneer Gilett wel wat voor pijp je op een podium nodig had als je een hoop tekst had…

 


Voortbordurend op Sherlock Holmes:

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image035.jpg

 

Peterson’s ‘ORIGINAL’ Sherlock Holmes Kalabaspijp

Vergelijk dit met de pijp hierboven: het moge duidelijk zijn, dit is geen kalabaspijp. Dit is een pijp die afgeleidt is van de kalabaspijp, het jongere en meer handzame neefje zeg maar. De oude Ierse firma Peterson lanceerde in 1987 een serie van 7 pijpen. Deze pijpen droegen namen die bij Sherlock Holmes verhalen hoorden; Watson, Lestrade, Bakerstreet en zo voort. In mijn ogen een briljant idee. Voor mijn gevoel maakte Peterson zijn beste pijpen met ietwat lompe, niet al te verfijnde en nogal ouderwetsere vormgeving. Met deze serie ging men echt voor ouderwets, en dat heeft meesterlijke resultaten opgeleverd.

Dit is in feite de eerste pijp van de serie, met als naam 'Sherlock Holmes Original'. Het hierboven getoonde model is overigens niet het meest 'original' omdat het een iets afwijkend mondstuk heeft. Peterson heeft een eigen patent mondstuk met het rookgat aan de bovenzijde en een half ronde achterzijde. Dit is een 'normaal' mondstuk.

Het is in elk geval een grote pijp, waar men een baal tabak in kwijt kan. Hiermee is de gemiddelde pijproker wel een dik anderhalf uurtje stil te krijgen. Ik moet eerlijk bekennen dat de pijp ook een nadeel heeft; hij heeft nogal de neiging om nat te roken. Water, dat vrijkomt bij de verbranding van tabak, zoekt nu eenmaal het laagste punt op en verzamelt zich onder in de pijp. En het is bij deze pijp, net als bij de meeste sterk gebogen pijpen, nogal een probleem om even een pijpenrager via het mondstuk tot in de kop naar binnen te steken en alle condens op te zuigen. Omdat een pijp nu eenmaal tijdens het roken niet uit elkaar gehaald kan worden is het dus een kwestie van voorzichtig en langzaam roken, anders klinkt men als een kind dat met een rietje drinkt... Maar ik ben dol op deze ferme, ietwat lompe kerel.

 

 

Een Damespijp?!?

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image036.jpg

Butz Choquin, model Maya

Dit werd ooit, in de jaren van unisex en vrouwenemancipatie uitgebracht als een 'Dames pijp'. En ik begrijp wel dat regels er zijn om gebroken te worden, en ik geloof ook vast dat er wel ergens een dame is die stijlvol en met genoegen haar pijpje rookt. Maar ik geeft toch de voorkeur aan pijp roken als mannenzaak. Samen met het urinoir, de stropdas en mijn appartement is de pijp een van onze laatste bastions, mannebroeders.

LATEN WIJ HIER EEN STREEP TREKKEN EN DIE STREEP TOT DE LAATSTE MAN VERDEDIGEN, anders is er geen hoop meer voor ons... Dat wil zeggen… uhm…

Maar goed, het 'dames pijp' zit hem toch vooral in een sierlijk en fragiel ontwerp. En zolang modemaniakken dit soort pijpen speciaal voor dames ontwerpen hebben we weinig te vrezen, want dunwandige en lichte pijpen zijn nu net extreem moeilijk te roken. Dit soort pijpen is nu net een garantie dat dames voorlopig niet massaal aan het pijproken zullen slaan. Mochten er dames zijn die dit lezen en toch een pijp wensen op te steken: Zet hem op, maar koop wel een echte pijp!

Voor mij zat de grote aantrekkingskracht van deze pijp in de verwijzing naar vroeger. De houten kop is een kopie van oude stenen pijpen, kompleet met hiel en al. De dunne tussensteel ziet er uit als een tijdelijke reparatie van iemand die zijn stenen pijp gebroken heeft en niet meteen een andere pijp ter beschikking heeft. Op de een of andere manier krijg ik altijd een beetje het gevoel dat deze pijp uit de nalatenschap van een Robinson Crusoe komt...

De zwarte tussensteel was oorspronkelijk wit, en ik was nogal teleurgesteld toen die al snel donker begon te verkleuren. Ondertussen vind ik dat niet meer erg, integendeel. Nu geeft het de pijp een waardige, oude aanblik. Het ontwerp, zij het niet in deze vrouwelijke anorexia-achtige vorm, bleek achteraf veel ouder te zijn dan ik dacht. Het is het eerste ontwerp van Butz Choquin, terug te herleiden tot 1858, en de tussensteel was ooit albatros-bot. En hoewel de pijp met zorg gerookt moet worden -door het dunne hout van de kop wordt de pijp snel erg warm- is het een aangename en lichte pijp om te roken.

 

 

Duur

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image037.jpg

De pijp met de witte stip: een peperdure Dunhill Billiard, model 907, jaar 32, maat 4.

(Al zou de witte stip ook zomaar het Duitse merk Vouwen kunnen zijn, en een stuk goedkoper. Maar Vouwen heeft dan weer niet zo’n strakke en klassieke vormen)

 

Vroeger stond bij bijna elke tabakszaak een mandje op de toonbank, met daarin pijpen. 'UITZOEKEN, 1 voor vijf gulden of 3 voor een tientje' was te lezen op het karton dat tussen de pijpen omhoog stak. Dit mandje vertegenwoordigde het absolute dieptepunt op het gebied van pijproken, iets slechters dan een 'mandjespijp' was er niet. En elke pijproker trapte er wel eens in. En dan zat je met een pijp die rook naar smeulend vernis, smaakte als een bosbrand en de ongelukkige koper bleef achter met gaten zijn zijn tong (een vroege vorm van tong-piercing misschien?).

En wat mij altijd heeft verbaasd was dat al die pijpen er hetzelfde uitzagen, ze waren altijd in één oogopslag te herkennen als mandjespijp. Waarom probeerden ze die dingen niet op gewone fatsoenlijke pijpen te laten lijken? Alle gewone, fatsoenlijke pijpen waren glad of gezandstraald, en ze waren bruin, houtkleurig. De pijpen uit het mandje waren altijd zwart en gerusticeerd (met een guts bewerkt om heel knullig een beetje op een gezandstraalde pijp te lijken). Waarom zwart? Waarom niet gewoon op een fatsoenlijke pijp proberen te lijken?

Het heeft me jaren gekost om erachter te komen dat ze wel degelijk op een fatsoenlijke pijp probeerden te lijken. Mijn probleem was dat de gemiddelde tabakszaak waar ik kwam wel fatsoenlijke pijpen had, maar niet ZO fatsoenlijk. Deze zwarte, mishandelde blokken hout probeerden op Dunhills te lijken. En Dunhill maakt niet alleen erg dure tasjes en aanstekers, van origine is het vooral een pijpenfabrikant...

Dunhill maakt pijpen sedert 1911, en op de een of andere manier zijn ze erin geslaagd om de hele wereld ervan te overtuigen dat ze de beste pijpen maken. Hoe ze daarin geslaagd zijn? Goed, ze maken fraaie pijpen, klassiek en perfect afgewerkt. En goed, ze doen nogal hun best bij de selectie, als er Dunhill op een pijp staat zit er geen stopverf in, geen barst of zandkorrel verontreinigt hun hout. Maar de beste pijpen? Natuurlijk, ze komen uit Engeland, en wie weet meer van pijproken dan een Engelsman. En dan is er nog dat fraaie nummer-systeem, dat verzamelaars in staat stelt om elke pijp te dateren, ook geen slecht idee bij iets dat zich zo leent voor verzamelen. Maar de beste pijpen ter wereld? Zijn ze echt het geld waard dat ze kosten? Deze pijp is een klassiek biljard-model. Ik heb ook een biljard van Big Ben. Die kost nu iets van 80 Euro. De Dunhill was 600 Duitse marken…

De Dunhill smaakt beslist geen 10 keer zo goed. De nervatuur is beslist niet 10 keer zo  fraai als bij de Big Ben, hoewel ik moet toegeven dat het een fraai voorbeeld van een 'sunburst' nerf is. En het mondstuk is beslist het beste van al mijn 60 pijpen, perfect tussen de tanden, perfect aansluitend op het hout van de pijp. En door hun procedé van 'oil-curing' om het hout van sap te ontdoen heeft de pijp een heel eigen, aangename smaak die in veel gevallen het beste in een tabak aan het licht brengt.

Ik twijfel. Komt het omdat ik er zoveel voor betaald heb? Of is het misschien echt de beste pijp die ik heb? Het is in elk geval mijn absolute lievelingspijp. Je gaat voor een jaar naar een onbewoond eiland, wat neem je mee? Deze pijp in elk geval...

Is Dunhill de hoge prijs waard? Ik weet het niet zeker, maar deze pijp geeft me de indruk van wel. Sedert ik deze pijp heb gekocht heb ik heel wat andere pijpen gekocht, en geen daarvan was een Dunhill. Maar dat is vooral een kwestie van geld. Het is niet zo dat ik nu niet meer van andere pijpen kan genieten, dat andere pijpen 'maar' gewone pijpen zijn. Ik zal met liefde nog heel meer wat andere pijpen kopen. Maar ik denk dat ik ook nog wel eens een Dunhill zal kopen...

 

 

De roker op reis

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image038.jpg

Het pijpenkoffer

Het moge duidelijk zijn, de pijproker die op reis gaat is er niet met een pakje shag in de ene broekzak en een aansteker aan de andere kant. Zoals je thuis niet met één pijp uit komt, zo kom je op reis ook niet met één pijp uit. Een van de aardige zaken is dat je je als pijproker in een soort van eeuwige jacht op parafernalia kunt verliezen. Er zijn tasjes om 1, 2 of meer pijpen in mee te nemen. Maar ooit scoorde ik in Duitsland deze reisdoos voor de pijproker die alles heeft… Afgewerkt met leer van buiten en suède van binnen, met genoeg ruimte voor 6 pijpen en alles wat een pijproker verder nodig kan hebben. Voor even de stad in wat veel van het goede, daarvoor voldoet een tabakszak met een afzonderlijke ruimte voor de pijp ook wel.

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image039.jpg

Tabakszak met oven een rits voor de tabak, en onder een afzonderlijke ruimte en rits om een pijp mee te nemen.

 

 

4.2 OVER MIJ.

terug naar inhoudsopgave

 

Ik ben een vrijgezel. En dan wel letterlijk; vrij en gezellig. Ik woon alleen, heb geen ‘vriendin’ -en om alle misverstanden maar meteen even uit de weg te ruimen: ook geen ‘vriend’- en wil dat graag zo houden. Ik heb bergen goede vrienden en vriendinnen, en dat is meer dan genoeg voor mij. Ik heb vaak genoeg aan mijzelf en een pijp. En als ik op zondagavond moed wil verzamelen om de komende werkweek weer te bestormen, dan is er altijd wel een goede vriend die met mij het weekend wil uitzuipen. Niets mis met het vrijgezelle leven dus.

Het vrijgezelle leven heeft vele voordelen en één nadeel. Ik zal hier verder niet ingaan op die vele voordelen, alle getrouwde mannen die hier aanlanden hebben het al zwaar genoeg zonder dat ik dat nog eens extra inpeper. Het nadeel van vrijgezellendom is dat aan het eind van een zware werkdag in de eerder genoemde werkweek thuis niemand op me zit te wachten. Geen liefhebbende echtgenote die met sloffen, huisjasje en een warme maaltijd klaar staat als Janneman thuis komt (op de een of andere manier krijg ik wel eens de indruk dat dit bij al die getrouwde mannen ook nogal eens wil tegenvallen). Als ik bij thuiskomst een warm onthaal wens, dan zal ik dat toch echt zelf moeten klaarzetten voordat ik vertrek. Dus zet ik ‘s morgens mijn welkom voor de avond klaar. Een lekker flesje met de een of andere single malt, port of een goed bier, een blik stevige tabak, een tafelrekje gevuld met mijn geliefde pijpen. En zo wordt mijn –niet zo heel- lege koude huis toch elke dag weer een thuis.

 

Beschrijving: D:\Data\Jan\Documents\homepage versie 2010\PIJPENBOEK_bestanden\image040.jpg

Jawel, het zat er al vroeg in bij Janneman. Dit wordt een pijproker.

 

Ik ben met pijproken begonnen toen ik 17 was. Ik had twee broers die beiden pijp rookten, ik had mijn goede vader wel eens met een pijp in de weer gezien, en ook bij “opa van Beeg” hing het klassieke pijprek aan de muur. Van mijn broers leerde ik de eerste beginselen (“Duim op de kop als de pijp bijna uit gaat” en “een pijpestampeschoppeplukkertje veeg je af aan de sokken”). Diverse boeken hielpen me verder. Ik was een fanatiek en hartstochtelijk pijproker, totdat ik tijdens de lerarenopleiding ontdekte dat pijproken niet samen ging met de rigueur van het moderne leven; pauzes waren te kort om op je gemak een pijp te roken. De sigaret kwam mijn leven binnen, samen met de hectiek van het echte leven. Pijproken werd meer iets voor rustige avonduren. In de loop van mijn arbeidzame leven heb ik een aantal malen geprobeerd om de pijp een plaats in mijn werk te geven, maar telkens weer werd dit verlangen gefrustreerd door regels en werkdruk. Het zegt naar mijn idee wel iets over onze samenleving…

 

Een van de betere zaken die al die drukte en hectiek  ons overigens heeft opgeleverd is het internet. Toen ik in de loop van de jaren ’90 van de vorige eeuw mijn eerste wankele schreden in dit nieuwe medium zette, bleek daar een ware schat aan informatie voorhanden te zijn. In plaats van de uitstervende kring aan pijprokers, een enkele niet al te geïnteresseerde tabakshandelaar en wat oude boeken was er ineens de ervaring van duizenden pijprokers voorhanden, aangevuld met enkele tabaksmengers en pijpenmakers die geen bezwaar hadden in het delen van hun kennis. In maanden leerde ik meer dan in evenzoveel voorgaande jaren. En hoewel ik vrees dat de edele kunst uiteindelijk verloren zal gaan, wordt dit dankzij dat internet wel een glorieus einde. Kleinschalig werkende kunstenaars kunnen langs deze weg hun schitterende pijpen aan de man brengen. Wereldwijd wordt kennis over tabak en pijproken gedeeld. En ook U, waarde lezer, bent via internet aan dit werk gekomen…

 

 

terug naar inhoudsopgave


5: Bronnen:

 

Uit de tekst:

1: Herman Melville, “Moby Dick, or: the Whale”, 1851

 

2: Bron voornamelijk Jim Beard, aangevuld door diverse andere deelnemers aan de discussiegroep alt.smokers.pipes (bijvoorbeeld via:

http://groups.google.com/groups?hl=nl&lr=&ie=UTF-8&oe=UTF-8&group=alt.smokers.pipes .

Voor de meest informatieve discussie zie:

http://groups.google.com/groups?hl=nl&lr=&ie=UTF-8&oe=UTF-8&threadm=28438211199320ntc%40blckhrse.clark.net&rnum=2&prev=/groups%3Fas_q%3Dtongue%2520bite%26ie%3DUTF-8%26oe%3DUTF-8%26as_ugroup%3Dalt.smokers.pipes%26as_drrb%3Db%26as_mind%3D12%26as_minm%3D5%26as_miny%3D1990%26as_maxd%3D28%26as_maxm%3D2%26as_maxy%3D2000%26lr%3D%26hl%3Dnl

 

3 bijvoorbeeld op de site van Alt Smokers Pipes,

http://www.aspipes.org/shapes/shapes.html

 

5: bron:  internetsite van Brittish American Tobacco ingrediants,

http://www.bat-stcingredients.com/ (vervallen)

 

6: http://www.tobaccoreviews.com/index.cfm

 

Verder gebruikte literatuur:

 

Augustin, Niels (1980). Het europese pijpen-prentenboek. Prinsenbeek

 

Brongers, A.G. (1964). Pijpen en Tabak (2e druk). Bussum: Uitgeverij Van Dishoeck.

 

*Brongers, A.G. (1978). Van Gouwenaar tot bruyère pijp. Amerongen: Uitgeverij Gaade.

 

Dekkers, Midas (1990). Ademen voor gevorderden. Boxtel: EBAS Nederland b.v.

 

*Dunhill, A (1973). The gentle Art of smoking (5e druk). London: Max Reinhardt.

 

Dunhill, A. (1973). The Pipe Book (2e druk). London: Artur Barker Ltd.

 

***Frank, Joachim A., Brongers A.G. (1979). Pijpenbrevier (2e druk). Rotterdam: Ad. Donker.

 

Hacker, Richard Carleton (1995). Die Kunst Pfeife zu rauchen (vert., 3e druk). Munchen: Wilhelm Heyne Verlag.

 

Hochrain, Helmut (1997), Neues Pfeifen Buch (10e druk). Munchen: Wilhelm Heyne Verlag.

 

**Hoff, Ron v.h. (1980). Pijpen en Pijptabak. Utrecht/Antwerpen: Uitgeverij Het Spectrum b.v.

 

Mignot & de Block, Vereenigde Tabaksindustrieën (1958). Lof der tabak. Baarn: Uitgeverij De Boekenrij.

 

Polner, Otto (1999). Pfeiferauchen leicht gemacht. Leopoldhöhe: Heka-verlag.

 

Rutzen, Rolf Joachim (1999). Pfeifen. Munchen: Wilhelm Heyne Verlag.

 

Tupan, H.R. (1983). De Bruidegomspijp. Hoogezand, Uitgeverij Stuberg.

 

*: meer sterren betekend meer aanbevolen literatuur.

 

 

 

 

6: Revisiegeschiedenis:

19-8 2009: Hoofdstukken over pijpen schoonmaken en over maïskolfpijpen bijgewerkt. Wat kleine tekstrevisies en taalfouten bijwerken

 

15-1 2010: een aantal kleine taalfouten, wat extra interne links

 

Terug naar homepage

terug naar inhoudsopgave