Start

 
Pláts vur anekdotes Leste neejs oet Hors Horster plat Ander dialecte Vertaald oet Diverse vondste Nag wat foto's

 

 

Sollicitatie

 

 

De Zwarte Plak  
 

In het ruige wijde Peelland
Daar ligt America
Een klein eenvoudig dorpje
Schraal zonder weerga

Een uithoek van ’t dorpje
Wordt Zwarte Plak genoemd
Dat in de wereldoorlog
Werd wijd en zijd beroemd

Daar vader Poels eens stichtte
Antonius zijne stee
Hij sleet er vele jaren
Hardwerkend en tevree

Naar alouder gewoonte
Hij plaatste voor zijn woon
Een kruisbeeld voor zijn Meester
Die zegen schonk als loon

Want twee-en-twintig jaren
Na ’t plaatsen van dat kruis
Daar naderden twee krijgers
Het vreedzaam boerenhuis

Zij naderden ’t kruisbeeld
De hoofden beid’ontbloot
En baden tot den Vader
Om redding in den nood

Het waren beiden Fransen
Ontvlucht aan Duitse knoet
Het kruis gaf nieuwe hope
Verstevigde hun moed

Zij klopten aan de hoeve
En vonden daar gehoor
Graat Poels hun gaf gastvrijheid
En wees hun ’t rechte spoor

Bert Poels, de oudste jongen
Uit’t flinke huisgezin
Naar ’t Belgenland hen loodste
Uit echte naastenmin

Zij vonden Frankrijk weder
En ’t oude vaderhuis
Zij roemden’t gastvrij Holland
En dankten ’t houten kruis

Dat kruis werd nu een baken
Voor rust en veiligheid
Voor honderden gestranden
Die kwamen uit de strijd
 

Graat Poels, eenvoudig landman
Trad dadelijk handelend op
Toen op een goede morgen
Een Duitser kreeg de strop

Er viel een Duits luchtschip
Niet verre van zijn hoev’
Bert nam de Mof gevangen
De Zwarte Plak was troef

En Bert trok onverschrokken
De zware mitrailleur
Des nachts uit de machine
Hij boer, geen tirailleur

En meermaals in de oorlog
Hij ritste onvervaard
Piloot uit Moffenhanden
Voor dood hen heeft bewaard
 

De hoeve somtijds telde
Twee elftallen RAF
Die zaten fijn verborgen
Vol lof voor Poelse lef

En ieder op de hoeve
Meehielp uit alle macht
De melk was voor de jongens
Niets werd er weggebracht

Ook ’t graan was voor de jongens
Poels’molen draaide vrij
Dag in dag uit heel lustig
Poels zette de zorg opzij

Recherche kwam ook loeren
En snuffeld’in alle hoek
Zij mochten suf zich kijken
Maar vrucht’loos bleef ’t gezoek

’t Was alles voor de mannen
Gesproten uit vreemd land
Die kwamen uit Europa
Uit oost, van alle kant

Bij razzia door de Duitsers
Vond d’oude Poels de dood
In Vught twee jonge Poelsen
De Mof in boeien sloot

Het kleine arme dorpje
Evacueren moest
Nu lag de hoef verlaten
De Mof heeft’t kruis verwoest

Waar de oude Poelse daadkracht
Zich spoedig gelden liet
In negentien-vijf-en-veertig
De hoef een nieuw kruis ziet

Anglo-Amerikanen
Blij zweefden boven’t huis
Vol vreugde zij bestrooiden
Het nieuwe grote kruis

Zij strooiden schat van bloemen
En groeten uit hun land
Het volk van groot - Amerika
Dankt’t moedig Nederland

Het dankt vooral het kleine dorpje
America genoemd
’t Eenvoudig kleine plaatsje
Door gastvrijheid beroemd

Toen Bert de vaart ging wagen
Van lieve bruid vergezeld
Vlogen naar alle windstreken
Annonces ongeteld

D’uitnodiging vertoonde
Een dalende piloot
Op voorgrond Zwarte Plak lag
Het kruis hem ruste bood

In’t Engels stond geschreven
Prachtwoord in ’s werelds loop:
“The Cross is our Confidence”:
Het kruis is onze hoop
Auteur: onbekend
Oet :Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid
van K. Terlaan 1952

(’t Is nag aalt ‘tzelfd:)

Als men seyt : coemt eten
So sijn wij ba u gheseijten
Mer als men seyt: doit dit of dat
Soe hebben wij in ons scouwerblat

( Middelieuwse? Ónbekende Limburgsen dichter)
 
Bei Thieske                                                       Auteur: van Megen?, bron?
Dit is het verhaal van Bei Betje en Bei Thieske, twee vrome mensen die veel baden voor dorpsgenoten die geen tijd hadden om te bidden.

 

Het kwam nogal eens voor dat huismoeders van grote gezinnen een van hun oudste kinderen naar het huisje van Betje en Thieske aan de Meldersloseweg stuurden om de zegen over het huisgezin biddend af te smeken. Voor een rozenkrans bidden vroegen Bei Betje en Bei Thieske vijf cent. Was er bovendien een ziek dier waarvoor gebeden moest worden dan werd het bedrag 2,5 cent verhoogd.

Als kind stond je wat beduusd en angstig in dat huiskamertje, waar zo’n geheimzinnige sfeer heerste. Dan kwam Thieske van zijn kleermakerstafel af, legde zijn vinger op de mond en zei:” Ssstt, mijn vrouw is aan het bidden.” Je keek dan naar Betje die geknield zat op een afgedankte biechtstoel, die bekleed was met een stuk manchesterstof dat ooit betere dagen had gekend, aldus van Megen. Omdat Bei Thieske kleermaker was, werd hij door sommigen ook wel Snejer Thieske genoemd.

De derde bijnaam Trei Thieske had hij te danken aan het feit dat hij orgeltrapper was. Wanneer het “hoeg daag” was en in de oude Lambertuskerk in Horst het orgel moest worden bespeeld, dan moest Thieske het orgel trappen. Er moest wind in de orgelpijpen worden geblazen door middel van een blaasbalg die aan de gang bleef door de pedalen op en neer te trappen (treie).
                                                    

Thieske kwam op zulke dagen vijf minuten voordat de dienst begon bij de kerk aan. Hij nam zijn bolhoed af en beklom met zijn voor deze deftige dag extra gepoetste zwarte klompen de trap naar het zangkoor. Als er pauzes in de dienst waren stond Thieske enigszins gebogen met devoot gevouwen handen te bidden. Jarenlang heeft Thieske het werk van orgeltrapper gedaan, in welke tijd hij menige zweetdruppel in zijn rode zakdoek heeft opgevangen.

Als kleermaker was Thieske vooral actief in het herstellen van broeken en jassen. Als je met een oude broek kwam waar een lap op genaaid moest worden, kwam Thieske naar je toe, bekeek hij gewichtig de zwakke plek in de broek en vroeg dan: “Is het een zondagse of een werkdaagse broek ?” Wanneer je je schouders ophaalde, zei Thieske: “Ik zie het al”. En hij haalde uit zijn archiefkistje vol met lappen een lap tevoorschijn die enigszins bij de broek paste.

De kinderjaren van Sjang Sjang Titseler in De Echo voor Noord-Limburg ca. 1952
 

Beelden uit mijn kinderjaren
uit mijn jeugd zo vrij en blij,
toew ok Tieske van den Baekrum
knikkerde met Doeven Thei.
Ik denk nog dikwijls aan die dagen
vol geluk, vol stille vree,
als ook Kasper huiswaarts keerde,
heel veel knikkers nam hij mee.

Mijn verbeelding ziet nog Kuëbes
bij ons aan het venster staan.
Of ook wij soms, kwam hij vragen,
met hem mochten vissen gaan.
Om dan visjes te verschalken,
bij het Vondere in de beek;
oh, wat heerlijk was onz’ visvangst
die thuis gekomen heel klein bleek.

Ik zie nog Dirk en zijn kornuiten
en ook Willem met een schop
saam gereed staan om te meppen
de bijenkorven van Camps Mop.
‘k Hoor nog hoe de bijen zoemden
bij haar ijverig werk gestoord,
maar dan later werd ook dit weer
door hun gehuil niet meer gehoord.

Ik zie nog altijd Grat en Driekske,
en ook Neer en Plumers Tei,
samen werken voor Sint Maarten,
vuurtje stoken hoorde erbij.
 

Alles werd dan saam gevaren
bij den Doolgaard in het veld,
oh, wat was het ‘s avonds feest dan
als het brandde met geweld.

Ik zie nog Overman d’Ontvanger
bij Kobus Hoeben lachend staan.
Als wij op de markt saam speelden
sprong hij op en riep ons aan:
“Jongens, nu maar samen grabbelen”,
’n handvol centen vloog in’t rond
en wij raapten op ons knieën,
wat maakte dit manneke het soms bont

Dees, voor ons vervlogen dagen,
die blijde dagen van weleer,
zijn nu foetsie, en ’t ergste,
zij komen nu of nooit meer weer.
Maar toch denkt men aan die tijden
vol geluk, vol stille vree;
dat de Grote Vier ’t maar klaar speelt,
heel de wereld is dan tevree.


Waar is gebleven
dat lieve leven,
Waar zijn die blijde dagen van weleer.
Spa-a te spellen,
drie-ie te tellen,
ze zijn weg en komen nooit weer

 

Horst in Limburg, schoone gauwe….in De Maasgauw nr. 23 van 1901 (blad 73-74?) ( aanwezig in de bieb van Horst)

Dit lied is gepubliceerd door ene Flamant en is het lied bij de inhuldiging van Baron Clemens Lotharius von Fürstenberg te Horst op 4-1-1755
 
Oud Horster Volkslied  
1.
Horst in Limburg schone gouwe
Plek waar onze wieg eens stond
Ons zoo dierbaar op deez’ aarde
Gij zijt ons’ geboortegrond
Horst U wijden wij gezangen
In akkoord uit volle borst
Heil U bloeiende gemeente
Heil U schoon en dierbaar Horst
2.
Horst kan pogen op geleerden
Schitterend door hun groot talent
Onder meer is hier geboren
Jacob Merlo Horstius wel bekend
En als Drost van het Land van Kessel
Waren Heren van Ter Horst
Die in grote macht en aanzien
Stonden bij hun wettigen vorst
3.
Schilderachtig is gelegen
De ruin’ van het oude slot
Beeld van vroegere macht en aanzien
Van een wisselvallig lot
Prachtige lanen vruchtb’re velden
Als een zee van golvend graan
Lommerrijke bossen bieden
Eene schoone wandeling aan
 

 

 

4.
Murmelend beekje in de weide
Waar we speelden in onz’ jeugd
Waar we lieve bloempjes plukten
Groeiend in onschuldige vreugd
Onze ouderlijke woning
School en prachtig kerkgebouw
Wekken ons herinneringen
Van gedeelde vreugd en rouw

5.
In het westen der gemeente
Ligt de Peel het grote veen
Waar voorzeker vele jaren
Nauwelijks een mens verscheen
Thans ziet men er fabrieken
Huizen school en kerkje staan
Daar biedt turf verwerkt tot strooisel
Rijke inkomstbronnen aan
6.
Mochten onze hartewensen
Worden door den Heer verhoord
Dat Gods zegen moge dalen
Op dit vreedzaam lieflijk oord
Horst U wijden wij gezangen
In akkoord uit volle borst
Heil U bloeiende gemeente
Heil U schoon en dierbaar Horst

In deze Maasgauw zal ook wel de originele spelling van het lied staan.
Deze tekst was in handschrift van An va Smits Toën.

Jvt 1-3-2006

 

Webstats4U - Free web site statistics    Sollicitatie    

Ge kunt en berichtje steure a janvanteng@home.nl.
Copyright © 2007 IB - V.
Lest beej gewerkt: 27 april 2008