Nieuwolda (Oldambt)

 

Article about Nieuwolda in Oldambt, the north-eastern part of Groningen.

In 1277 maar ook laater, was de Dollart veel uitgebreider geworden, doordat zware overstromingen de laagveengronden wegsloegen. De Dollart vormde toen twee diepe inhammen in Oldambt. De westelijke daarvan liep ten zuiden van Woldendorp, langs Nieuwolda naar Noordbroek en drong zuidwaartsch zelfs door tot Meeden. Alleen de zandrug van Scheemda, Midwolda, Finsterwolde, Beerta en Winschoten hield zich grootendeelsch tegen de woeste golven staande. Nadat de zee, die deze groote verwoesting had aangericht, op de overstroomde gronden weer een dikke laag zeer vruchtbare klei had afgezet, werd eindelijk overgegaan tot herwinning van het verlooren, maar nu vruchtbaarder land. Door invloed vooral van de stad Groningen werd er in het jaar 1545 al ongeveer 7000 hectare van de nieuwe kleigronden bedijkt, waarvan 1134 hectare in Nieuwolda. Op den dijk van 1545 verrezen langzamerhand Nieuwolda en Oostwolder Hamrick. Men vond er nog langen tijd enige arbeidershuisjes, die dijkhuisjes genoemd werden.
Deze nieuwe kleigronden of aanwassen noemt men Hamricken. De eerste huizen van het dorp Nieuwolda - nieuw ten opzichte van 't naburige Midwolda - noemde men Troppelhoezen, een groepje huizen. Op oude kaarten van Oldambt komt de naam Troppelhuizen nog voor. Toen de nederzetting allengs groter werd, was de naam niet meer gepast en sprak men van Midwolder-Hamrik. Zo werd Nieuw Beerta oorspronkelijk as Beerster Hamrik, Nieuw Scheemda as Scheemder-Hamrik aangeduid. Ook in Oost-Friesland kent men dat woord, men vind daar 't Bonner-Hamrik (nu Bunder-Hamrich). De des zomers droogliggende lage weilanden, gemeenschappelijk bezit der vrije of eigenerfde boeren, noemde men Hammerke of Hamrick. Hamrik komt van 't oud Friesche woord Hammerk, dat dorpsgebied, buurtschap of gemeenschappelijke weide beteekende. Vergelijkbaar met het Saksische woord Ens.
Men ontmoet den naam Hamrik ook in de omgeving van onze stad. Men sprak hier vroeger van de Stadshamrikken, Noorddijkster- , Selwerder-Hamrik. De Stadsmark werf van ouds verdeeld in Wester - en Oosterhamrik. Het eerste lag ten westen der stad, het tweede aan den oostkant, waar het Oosterhamrikkanaal en de Oosterhamrikkade nog aan deze stadshamrikken herinneren.
Daar Nieuwolda gelegen is te midden der vruchtbaarste kleigronden werd het dorp spoedig welvarend, hetgeen blijkt uit het feit, dat men in plaats van door Midwolder-Hamrik 't dorp ook aanduidde als " 't Golden Hamrick".
Nieuwolda is - zoals we reeds opmerkten - gebouwd op en langs den ouden dijk van 1545. Het is dus een dijkdorp. d.w.z. een uitgestrekt dorp. De huizen zijn gelegen in de richting Oost - West. 't Dorp word dan ook verdeeld in een langgerekte kom, het Oosteinde en het Westeinde. Tot Nieuwolda behooren mede de buurten Oostwolder-Hamrik, een deel van Dellen en het Waar.
In 1626 werd de polder onder Midwolda en Scheemda binnengedijkt. Aan deze inpoldering vooral dankt Nieuwolda zijn opkomst. De polder werd door het voormalig Termunter Zijlvest binnen gebracht. Nieuwolda werd daardoor met bijna 400 hectare vergroot. Door het genoemde Zijlvest was in 1622 een kadijk gelegd, deze werd in 1626 verzwaard. Met Midwolda Westergilde, d.w.z. met Midwolda ten westen der kerk, en met Midwolder-Hamrik of Nieuwolda, had het Zijlvest een overeenkomst getroffen, dat beide dorpen den dijk om niet zouden leggen, mits dat hij werd aangesloten met het eene uiteinde bij het (oude ) Midwolder kerkhof en met het andere einde achter in Midwolder-Hamrik nabij den Kiel-Oldambster of Woltsleker dijk. De dijk was ruim 1356 roeden lang en heeft aan de kerspelen gekost bijna 38000 Gulden. De dijk liep van dien van 1545 eerst evenwijdig met den voorgaanden en dan met een bocht even over den Gare weg (waar nog lang een kolk aanwezig was) weer terug tot dien dijk bij het oude Midwolder kerkhof. In 1665 had de indijking plaats van den eersten Midwolder polder of het Oud Nieuwland. Deze indijking gaf aanleiding tot een geschil tusschen de eigenerfden van Midwolda en Nieuwolda en de overige in het Wold-Oldambt. Midwolda en Nieuwolda verbonden zich in 1663 en vorderden, dat de indijking zou geschieden op kosten van het Zijlvest, deimt en deimt gelijk. De andere eigenerfden voelden zich daartoe niet gebonden. Het geschil werd op die wijze bijgelegd, dat de ingelanden van Midwolda en Nieuwolda den nieuwen dijk zouden leggen, terwijl de andere betrokken kerspelen daarvoor van ieder deimt hunner landerijen 2,25 Gulden zouden betalen. Zoo kwam dan de indijking tot stand en Nieuwolda werd weer met 455 hectare vergroot. Op dezen eersten volgde in 1701 de tweede Midwolderpolder of het Nieuwland. het Wold-Oldambt betaalde er voor 30 000 Gulden en de belanghebbenden van Midwolda en Oostwolde moesten de overige kosten alleen dragen. Deze dijk van 1701 werd omstreeks 1860 afgegraven, om te dienen als kleibemesting in het zogenaamde Huninga Meerland te Oostwold, toen een uitgestrekt moeras- en derrieachtig terrein ter grootte van ongeveer 500 hectare. Van deze zeer goede dijkklei werden gemiddeld 200 wagenvrachten op 1 hectare gebracht en daar de wagenvracht op de plaats niet meer dan 10 cent kostte, kwam deze kleibemesting per hectare op 20 gulden plus de kosten van vervoer en de arbeidslonen.
Door het binnendijken van den Oostwolderpolder in 1769 werd Nieuwolda bijna 400 hectare grooter. De dijk werd gelegd over het voormalig eilandje Munnikeveen. Eindelijk werd Nieuwolda door de indijking van den Finsterwolderpolder in 1819 met 377 hectare vergroot, terwijl de Reiderwolderpolder, enz. de gemeente Nieuwolda ook grooter deden worden.
Nieuwolda was tot 1648 kerkelijk vereenigd met Midwolda. Beide gemeenten werden door één predikant bediend. De eerste eigen predikant te Nieuwolda was Ds. Johannes Takens. Men bezat in 1648, toen Nieuwolda van Midwolda gescheiden werd, nog geen kerk te Nieuwolda. Men hield de godsdienstoefeningen in het schoolgebouw. Ds. Takens schijnt wel in den smaak te zijn gevallen, althans hij werd in 1676 beroepen door de naburige gemeente Midwolda en nam dit beroep aan. Ds. Takens overleed te Midwolda in 1691. De tweede predikant was Ds. Allardus Hijl, die er in 1676 kwamen in 1713 overleed. Toen werd Hermannus Dronrijp van Wagenborgen beroepen, die het beroep aannam. Onder zijn predikantschap (1713 - 1730) verkreeg Nieuwolda een eigen kerkgebouw. De kerk werd in 1718 gebouwd. Volgens opschrift was men "door een gifte van eenen huisman, Timen Harms", daartoe in staat gesteld. Den 25 September 1718 werd de nieuwe kerk plechtig door Ds. H. Dronrijp ingewijd. De kerk is driezijdig gesloten en heeft aan den voet uitgezwenkte pilasters en spitsboogvensters. Het interieur maakt een stemmingsvollen indruk. De preekstoel toont in de gesneden kuippaneelen, de Evangelisten en het kindeke Jezus. De vier Evangelisten zijn Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes. Hun attributen zijn respectievelijk een mensch, een leeuw, een rund en een adelaar. Deze vier beelden komen voor in Openbaringen 4:7 en in Ezechiël 1:10. Van deze vier attributen is eens deze toepassing op Jezus gemaakt: "mensch naar zijn geboorte, rund in zijn dood , leeuw bij zijn opstanding, adelaar in zijn hemelvaart."
De banken dateeren uit het eerste kwartaal der 18 de eeuw, terwijl het orgel in 1787 geplaatst werd door J.F. Wenthin. Onder den houten vloer van de kerk liggen waarschijnlijk nog een aantal grafzerken. Op het kerkhof vindt men een zerk van de "Eerbare Aaffijn W. Fokkens, Huisvrouw van Waalko J. Waalkens" (overleden 1805) met dit grafvers:

Wat kan de wereld ons toch geven;
't Is klatergoud al wat men ziet,
Dan schenkt ze ons een vrolijk leven,
Dan weder smarten en verdriet,
Ik ben de wereld nu ontvloden,
Mijn eega en mijn kroost in smart,
Die mij zo teder liefde boden
En drukten mij mijn hand en hart,
Och mouten we na deze tijd ontwaken
En loven dan Jehova God,
Dan zal ons nimmer leed genaken,
Dan hadden wij het beste lot.


De zerk van "de Eerzame Waalko J. Waalkens in leven Kerkvoogd te Nieuwolda" (overleden 1809) is mede aanwezig. Verder vindt men er de zerken van het echtpaar Dalingen van Oostwolder-Hamrik, overleden de echtgenote in 1815, de echtgenoot in 1825. Op de zerk "ter gedachtenis van W.H. de Monnik" (overleden 1826) vind men deze veelzeggende woorden:


Beschouwd does akker Godts, O Mensch,
Tot uw geluk, uw beste Mensch,
Op hem vertrouwd in nood en dood
Is 't leven ook voortdurend Groot.


Het Avondmaalszilver bestaat uit twee bekers, op welke als wapen een gewapende ridder, wandelend op de golven, voorkomt. 't Randschrift luidt: "Sigillum Niwoldanum Miles Domino". De oudste beker geeft bovendien deze inscriptie:


Mijn Godt behoud mij desen dagh
Dat ick niet sondigh, als ik plagh
Van IJdelheid daar niet en glij
Bewaert mijn hart steeds rein en vrij
Bewaert mijn tong opdat noijt twist
Toren of nijdt mijn ziel aanhitst
Behoudt geleidt mij door U geest
Geeft dat mijn ziel U altijd vreest.


"Dese Beeker is gemaakt tot dienst des Heeren H. Nagtmaal ten tijde als de Eerwaarde Allard: Hyll. Pastor D.E. Geswooren Joachim Hitjes ende Abel Richts Kerckvoogden waaren van Nieuwolda Ao. 1707, Muntingh fec."
Het laatste betent: Muntingh heeft mij gemaakt. De tweede beker heeft geen inscriptie en dateert van 1831.
De toren is van lateren datum dan de kerk. Hij werd gebouwd in 1765, volgens een steen "door de bestiering van H.E.T. de Drews, taalman van de gezworen gemeente van Groningen". De toren die in 1904 hersteld werd, bestaat uit een vierkant benedendeel en een achtkant bovendeel, waarop een naaldspits. In de toren hangen twee klokken. De oudste werd in 1773 door klokgieter J. Borchard gegoten. Deze goot ook de klok van Middelbert (1755), van Westernieland (1753) en van Applingedam (1763). De tweede klok werd in 1812 gegoten door den bekenden gieter A. van Bergen.
Te Nieuwolda en omgeving kan men zich ten volle overtuigen van de groote bekooring, die d'r van onze aloude molens uitgaat. Te Nieuwolda en Oosterwolder-Hamrik vindt men kloeke achtkante korenmolens met stellingen, respectievelijk gebouwd in 1865 en 1862. In de omgeving vindt men te midden der vette kleilanden eenige watermolens, een aardige stoffeering van 't Groninger landschap.
Niet lang geleden werd te Nieuwolda een prachtige villa ingericht tot Waterschapshuis van 't Waterschap Oldambt. Vroeger bestond het Zijlvest of Waterschap Termunterzijl, genoemd naar de plaats Termunterzijl, waar het Oldambt de hooge binnenwateren loost. Het Termunterzijldiep werd in het begin van de 17e eeuw gegraven, er werd een nieuwe sluis gelegd, die in 1724 vernieuwd werd. Omtrent het Termunterzijlvest lezen we in een oud werk het volgende: "De zijl is voor waterafvoer reeds lang gebruikt, gelijk dit uit eenen brief van 1391 blijkt. De tegenwoordige zijl staat onder het opzicht van den Drost der Oldambten als Oversten Schepper, en tien Zijlvesten. Deze laatsten worden door de hoofdingelanden in de dorpen gekozen en blijven daarin gewoonlijk levenslang. Een Ontvanger, die tevens Secretaris en Fiskaal is, beurt de zijlschotten (waterschapslasten) en betaalt de gemaakte werken op ordonnantie van den Drost en der gemachtigde Zijlvesten. Tot dit Zijlvest behoorden tien zijlvesten: Groot Termunten, Klein Termunten, Woldendorp, Oostwolde, Midwolda en Midwolderhamrik, Scheemda en Scheemderhamrik, Noordbroek, Zuidbroek en Muntendam , Meeden, Eeksta, Wester- en Heiligerlee samen.
Den 10 Februari 1863 werd het Waterschap Oldambt opgericht, groot 18 626 hectare. Te Nieuwolda worden van het voormalig waterschap Termunterzijl nog bewaard: drie zilveren bekers: een van 1689 met het wapen van Adam Berchuys, Drost der beide Oldambten, overste schepper en de wapens der Zijlvesten; de tweede dateert van 1711 en prijkt met het wapen van Reindt te Winckel, Drost en schepper , en de wapens der zijlvesten; de derde van 1724, toont het wapen van Gerhard Schaffer, Drost, overste schepper , de wapens der zijlvesten en dat van den Secretaris-Ontvanger. Verder wordt er bewaard een schotel, in 1736 aangeboden door den drost-schepper Hendrik Berghuis. De schotel prijkt met het wapen van Berghuis, alsmede met die der tien zijlvesten en dat van den Secretaris-Ontvanger-Fiscaal.
Nieuwolda, gelegen te midden der vruchtbaarste, vetste Dollart kleigronden is een der meest welvarende en bloeiende landbouwdorpen van ons gewest. Dat men de kleigronden den Dollart dankt, wordt aardig geïllustreerd door den naam van een boerderij in de gemeente Nieuwolda, Bedoelde boerderij, toebehoorende aan den heer Wiersema, heet "De Dollartprinses" . . . .

Dit is een transcriptie van een artikel dat verscheen in het "Nieuwsblad van het Noorden" geduurende 1931. Behoudens typfouten, is de tekst in zijn oorspronkelijk Nederlandsch van dien tijd aangehouden.

For pictures relating to the above look at Nieuwolda.

Some pictures and the numbering are derived from "Landbouwvereniging "Nieuwolda-Nieuw-Scheemda" (1960) and some of picture postcards collected from Internet and own collection.

 

Back to Home Page

 

 

Enquiries at: jeltsema@home.nl