Doeke Hellema: Kroniek van een Friese Boer

titelblad

Doeke Wijgers Hellema werd geboren op 3 april 1766 te Wanswerd. Hij werd in Grouw opgeleid tot onderwijzer en trad in Wanswerd op zestienjarige leeftijd in functie. Later werd hij benoemd in Wirdum, alwaar hij ook rijksontvanger werd. Hij stapte uit het onderwijzersambt om boer te worden onder Barrahuis. Hij was kerkvoogd van de Nederlands Hervormde gemeente in Wirdum. Hij was ook lid van het Friesch Genootschap en een van de oprichters van de O.B.A.S.

Ik heb een aantal fragmenten uitgekozen voor deze site, die betrekking hebben op Doekes dochter Grietje en haar echtgenoot Hette Pieters Hettema. Ze zijn afkomstig uit de vierde druk van het boek, verschenen in 1980 bij uitgeverij T. Wever, te Franeker.



Vaccinatiedwang i) december 1828

Mijn dochter en zwager ii) te Deerzum hebben hunne kinderen om gemoedelijke zwarigheden niet laten vaccineren, zij wierden daartoe aangezogt van de Eigenaars der plaats iii) hen ook in betrekking bestaande, maar zij konden daartoe niet besluiten, waarom men alle drangredenen bezigde om hen over te halen. Eindelijk kwam het tot eene bedreiging, wanneer zij voor den 20 dezer geen schriftelijk bewijs van een Chirurgijn of Doctor dat hunne kinderen geŽnt waren, inleverden, hen het gebruik der plaats zoude ontzegd worden, dat zij eigenaren n.l. door den Grietman Eysinga iv) aangespoord werden zoo te handelen, en gebreke daarvan zelven in ongelegenheid met den Grietman zouden geraken.
Mijn zwager door nood gepersd klaagde mij het onregt dat hem aangedaan wierd. Nimmer hoorde ik iets onverwachter nog met meer verontwaardiging, ik zeide hem, dat hij zichzelven wel moest beproeven uit wat beginsel hij de vaccine tegenstond, doch wanneer hij opregt geloofde, dat niet te moeten doen, dan moest hij God meer dan menschen vrezen, en daarom volstandig blijven, zonder iets daarin toe te geven, geduldig de gevolgen afwachten.
Maar ziet, er wordt staande een schoone plaats 120 pondem. groot bij gesloten briefjes onder Hallum geveild, wij besluiten daarvan gebruik te maken, het briefje wordt ingeleverd en reeds hebben wij mondeling berigt, dat mijn zwager die plaats toegekend is. De Heere regeert.

Opmerkingen:

  1. Dit stukje gaat over Hette Hettema's religieuze bezwaren tegen de verplicht gestelde koepokinenting. Hette Hettema was nogal recht in de leer. Men leze zijn eigen boekje 'Nagedachtenis en levenservaringen', posthuum uitgegeven in 1883. Het boekje moest overigens niet dikker wezen - wat een kwezel :-)
  2. Zwager staat hier voor schoonzoon.
  3. Een plaats is een boerenbedrijf. Die werden dikwijls gepacht.
  4. De betreffende Grietman Eysinga is Tjalling Aedo Johan van Eysinga - van 1816 tot 1830 grietman van Rauwerdehem. Hij woonde op Jongemastate te Rauwerd.

Rouw om dochter i) 21 november 1835

Bevorens den 13 kregen wij berigt: dat onze dogter op Hallumer mieden zeer onpasselijk ware, en indien het erger wierd, dat men ons daarvan zoude berigten. Een hunner zoontjes kwam ons den 17 berigt brengen dat zijne moeder erger wierd. Ik trok 's avonds met hem in het Hallumer schip derwaarts, en bevond haar in een bedenkelijken toestand, ik waakte 's nachts bij haar, en 's anderen daags den 18 's avonds om 8 uur verlostte zij door behulp van den chirurgijn en vroedmeester P. Gosling te Hallum van een ontijdig, dog levendig zoontje, sedert schikte zich haar toestand tot beterschap, althans toen ik haar den 19 's morgens verliet en naar huis trok; gister den 20 berigte mijn zwager haar man, dat zij beterde, maar zoo zwak ware: dat zij zich naauwelijks konde bewegen. Mijne dogter reisde derwaarts uit de buren namenlijk om hare zuster te bezoeken en ging met mijn zwager in het 2 uur Hallumer schip, het was marktdag.

23 november

Op den vorigen, den 21 kregen wij 's nademiddags berigt van Hallumer mieden, dat onze dogter sedert dat ik haar verliet veel minder geworden ware en dat men iemand onzer daar verlangde, schoon dat mijne dogter uit de buren daar ook ware; ik stuurde dit berigt aan mijn zoon Wijger en wijdere aanverwanten in de buren, en resolveerde eindelijk zelf om derwaarts te trekken en kreeg nog het 3 uur schip naar Hallum, ik kwam er bij donker en mijn zoon een uur na mij, welke met het 4 uur Dokkumer schip gevaren was, wij bevonden de zieke in een bedenkelijke toestand, 's anderen morgens was het eenigzins beter, ik trok toen weder naar huis na algemeen overleg, en mijn zoon zoude 's nademiddags vertrekken, terwijl onze dogter Dieuwke nog een nacht zoude blijven.
Mijn zoon berigte ons gisteravond bij zijne weerkomst: dat het met de zieke na mijn vertrek erger geworden ware, en mijne dogter Dieuwke, welke heden terug kwam berigte: dat het iets gunstiger was, toen zij haar dezen morgen verliet; ik hadde in een tegengesteld geval het voornemen heden weder derwaarts te reizen, maar keerde op dit berigt, welke ik te Leeuwarden ontving, weer naar huis.
Wij zijn thans wat geruster, maar tog altoos onzeker hoe het gaan zal? Morgen verwachten wij met het Hallumer schip weder berigt.
Mijne dogter Dieuwke is bij hare wederkomst ook niet wel, mijn zoontje Lijkle brengt haar naar huis.

26 november

Gister hebben wij berigt, dat onze dogter zich beter bevond, mijne dogter Dieuwke en haar man waren eergister weder derwaarts gereisd, mijn zwager haar man kwam gister terug. Het kind, waarvan mijn dogter ontijdig beviel, is een etmaal na de geboorte overleden. ii)

28 november

De vorige kregen wij een zeer ongunstig berigt van Hallumer mieden, mijn zwager en ik trokken 's avonds nog naar Hallum en bevonden onze dogter in een zeer bedenkelijken toestand, zooals wij hen 's anderen daags ook weder verlieten, op aandrang bleef mijne dogter Dieuwke nog daar om haar mede te bedienen, de zieke kreeg toen de spreeuw iii), sedert hebben wij geen bescheid.

2 december

Op den 30 bevorens 's nademiddags kregen wij berigt: dat men een of meer onzer op Hallumer mieden zeer verlangde, omdat het met onze dogter niet lang meer zoude duren, en ook dat Dieuwke mede onpasselijk ware; ik kwam 's avonds 7 uur met dit bescheid in de buren, mijn zoon was bezig met de staten van 's rijks ontvangsten op te maken en hadde nog een paar uren werk. Niettegenstaande resolveerden mijn zoon en zwager, welke zeer over zijn vrouw bezorgd ware, tezamen in den nacht derwaarts te reizen, de rijks ontvangsten en verantwoording mede te nemen naar de stad om Neef Hellema te verzoeken om die op den 1sten dezer te verantwoorden.
Gister kwamen mijn dogter en zwager terug en berigten dat mijn zoon en hij 's nachts een goeden reis gehad hadden: dat mijn zoon tot heden zoude blijven; maar dat de zieke van tijd tot tijd verergerde, en dat het een wonder ware, dat zij nog leefde; zij was in een medelijdenswaardigen toestand, het kruis was open, ook de beenen door de spaansche vliegen opengetrokken, geheel magteloos, verzwakt en vermagerd, meest verward der verstandelijke vermogens; wat bescheid onzen zoon heden zal brengen, zal de tijd leeren.

4 december

Gister den 3 voor de middag reisde ik naar de stad, om naar berigt te vernemen; de domeni, mijn zoon kwam mij tegemoete, ik koom van Hallum, was zijn woord, ga met mij terug, ontzettende vraag ik: is zij weg? Ja!! Ach hoe wierden wij teleurgesteld, daar wij met een valsche hoop gevleid hadden. Wij gingen dan tezamen terug naar ons huis, welk een droevig berigt brachten wij te huis!!! onze kinderen uit de buren kwamen hier op berigt ook, de domeni zoude een nacht blijven en vertelde: dat hij eergister den 2 naar Hallum gereisd ware, daar nabij nog al ongunstig berigt kreeg; maar deerlijk ontstelde toen hij haar zag, dat hij 's nachts met anderen opbleef, en dat zij des morgens vroeg om 3 uur zeer zacht was ontslapen, nadat zij ruim 3 weeken zoo geleden hadde, in de laatste week was hare zinkingziekte in zenuwkoortsen iv) ontaard en gedurende naauwelijks een oogenblik bij haar verstand. Zij was den 15 Julij 1798 geboren en zal den 8 ter aarden besteld worden; zij laat een bedroefd man en 6 kinderen na, op goede gronden hoopen wij dat zij zalig in den Heere ontsliep.

7 december

Nimmer hadde ik gedagt, toen wij op den 30 October het berigt kregen dat mijne dogter voornemens was om op den 2 November met hare kleine kinderen hier te komen, en omdat dit berigt donker en verward ware, schreef ik haar den 1 Nov. dat wij niet zeker waren hoe zij komen zoude; maar dat ons knegt in perzoon op den 2 bij het aankomen van het Hallumer schip, zich daar zoude bevinden om haar af te halen, en inplaats van haar kregen wij een zeer omstandige brief door haar eigenhandig geschreven (zooals zij al veel een brief schreef) dat zij allang tegen de reis hadde aangezien, maar thans er van had afgezien, dat zij uit liefde tot haar huisgezin, niet vermoge afwezig zijn, dat zij daar te boven zoo bezwaarlijk uit kon. Dit schrijven speet mij zeer; maar verblijden ons tevens, dat juist koude en vorst inviel, dat hare reis uitgesteld bleef. Nimmer hadde ik gedagt zeg ik: dat ons zulke treurige omstandigheden zoo aanstaande waren, rede den 9 taste de ziekte haar aan, waarvan wij den 13 berigt kregen zooals bevorens melde, welke van tijd tot tijd verergerde, zoodat zij na een onbeschrijflijk lijden, dit voor haar zoo alles te boven gaande werkzaam, verzeld met alle kommer en zorg gaande, leven, zoo wij op goede gronden vertrouwen, in een zalig leven verwisselde!
Trouwens, door haar geheel leven was haar toevlugt steeds tot den Heer haren God, bij wien zij door het geloof in Jezus haar eenigen troost beide in leven en sterven zogte, voor ontvangen weldaden was zij altoos even dankbaar en erkentelijk, achtende zulks boven hare verdienste.
O! bij het verlies van belangrijke voorwerpen leert men eerst de waarde daarvan regt inzien, zoo gaat het mij bij het verlies mijner dogter.
Wat hadde ik haar veel meer genoegen konnen doen indien ik haar meer hadde bezogt, indien ik haar meer hadde geschreven, zij wilde zoo gaarn een brief van mij ontvangen, maar naklagen baat niet!! en gedurende hare ziekte vleide ik mij nog altoos met hare herstelling, telkens nog als ik haar gedurende tot driemalen tot ieders een nacht bezogte, o! als ik mij zeker haar einde hadde voorgesteld, wat zoude ik haar met andere oogen aangezien, met andere woorden aangesproken hebben; hoe dierbaar zouden wij deze oogenblikken van tegenwoordigheid niet geweest zijn, terwijl zij het gebruik van hare verstandelijke vermogens nog magtig ware, hoewel afwisselende onder een bitter lijden.
Maar zij is niet meer! zij rust zalig! in de nabijheid van haren dierbaren en hare nabestaanden, die haar voorgegaan zijn.
Door al haar leven henen was zij van een zeer werkzamen aard, en zeer godsdienstig, zij beminde ons allen zeer, maar inzonderheid haar man en hare zes dierbare kinderen, waarvan het jongste pas 2 jaar, o welk een smartelijk verlies! Zij was na mijne moeder Grietje genoemd. Zij heeft negen kinderen gehad.

De begrafenis 9 december

Zooals den 7 melde reisden wij gister met het 9 uur schip tot Bartlehiem, vanwaar wij met de andere vrienden mans kant naar het sterfhuis gingen; alwaar zich andere vrienden opvolgende vinden lieten; mijn zwager hadde het Hallumer schip laten komen, en om 1 uur 's middags, wierd het lijk met alle de vrienden in het schip geplaatst, na alvorens een doelmatige toespraak van een particuliere voorganger gedaan te zijn, voeren wij naar Hallum, en wierd het lijk volgens gebruik begraven, keerden toen met het schip terug, en ontscheepten aan het sterfhuis ongeveer 3 ŗ 4 uur, de tijd was voorts kort; want wij hadden met de Dokkumer schippers afgesproken dat wij 's avonds met hun weder zouden terug naar Leeuwarden varen, en ons een weinig moesten opwachten, als wij nog op Bartlehiem niet waren, wij waren erjuist met ons 14den, toen het schip aankwam, half 8 waren wij in Leeuwarden, en gingen met ons 9 vandaar, waarvan 3 naar Terzool moesten, de anderen waren te Lekkum uitgegaan, alwaar een broeder van mijn zwager woonde v), mijn oom de domeni ging mede naar Wirdum; IJtje en ik kwamen om half 9 te huis, terwijl Akke en Dieuwke benevens haar man P. Hiemstra welke heden, Akke en Dieuwke morgen zullen tehuis komen.
Alzoo is dezen treurigen en somberen dag ten einde geloopen, echter onder ernstige gesprekken, toespraak, gebeden en dankzegging van den voorganger tot stichting van de aanwezigen, zoodat dezen dag, den 8 December voor mij en naastbestaanden onvergetelijk zal blijven, als een der Merkwaardige dagen op de rolle der lotgevallen van mijn leven!!!
En mijn dierbare dogter! verwijderd van hare dierbare betrekkingen rust nu na zooveel arbeid, moeite en verdriet, met haar tijdelijk overschot aldaar onder de dooden, niet ver van het graf van mijne vroome zuster en deze haar eerste godvruchtige man en zalige dogter, zoo als bevorens op tijd melden; aldaar zijn mijne voor-, voorvaderen begraven, waardoor het Kerkhof van Hallum zoo voor en na een zeer groot aantal van mijn geslacht en dierbare betrekkingen heeft ingezameld!!!
Aldus is de aardsche tabernakel van mijn onvergetelijke dogter gebroken; maar geloven dat zij naar haren onsterfelijken geest een gebouw bij haren dierbaren verlosser bewoond, een huis, een verblijf, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen!

Opmerkingen:

  1. Het betreft hier de dood van Grietje Doekes Hellema, eerste echtgenote van Hette Pieters Hettema.
  2. Het te vroeg geboren zoontje dat al snel overleed werd Tetman genoemd, naar zijn oom en overgrootvader.
  3. Spruw is een ontsteking aan het slijmvlies in de mondholte, destijds vaak met dodelijke afloop.
  4. Tyfuskoortsen.
  5. Hier wordt waarschijnlijk onze voorouder Tetman Hettema bedoeld.

Hettema naar Beetgum 14 januari 1843

Mijn zwager H. Hettema van Hallumermieden, na aldaar 14 aaneen volgende jaren die plaats groot 120 pondem. in huur gehad te hebben, [heeft] een ander te Beetgum gehuurd van gelijke grootte, waarvan de helft bouw en de overige helft greidlanden. De eigenaar uit den boerenstand verkoos zijne plaats zelf te gebruiken, mijn zwager moest daarom een ander huren, hetwelk hem tot hiertoe niet hadde willen gelukken.
Hij heeft en ik met hem, aldaar harde tegenspoeden ondervonden. Gedurende de eerste huurjaren waren het jaren van tegenspoed, ik moest niet alleen borg staan, maar om de agterstallige huur goederen tot hypotheek; in deze jaren verloor hij zijne vrouw, mijne dogter; sedert neigden de jaargangen tot beterschap, en het ging hem in de laatste jaren zoo wel, dat hij zijne schulden konde afdoen, na weder hertrouwd te zijn, en bij zijne laatste vrouw i) rede 2 kinderen, en 6 bij mijne dogter verwekt te hebben.

31 augustus

Ik reed gisteren benevens ons Akke, Lykle en mijn zwager of behuwd zoon Pieter Hiemstra naar Beetgum om onzen zwager Hettema aldaar thans Landbouwer te bezoeken, wij waren hun zeer welkom.
Hij heeft thans een veel werkzamer boerderij dan de verlaten op Hallumer mieden, er heerschte een groote drukte bij hem met ploegen, eggen, zaaijen enz. zooals de bouwerij thans met het schoone weder gebiedend vordert.
Het is een beste plaats in de Zuidhoek gelegen, maar vordert verbazende vele werkzaamheden, omdat de vorige bruiker alles zoo niet heeft bearbeid als het wel behoorde.
Hij heeft vele kosten aan de aanzienlijke huizinge en schuur moeten doen volgens verhuring wel tot 700 Gld. volgens besteding, welk werk of reparatie thans gedaan was, het heeft een deftig en groot aanzien, vooral als het uitgestrekte hornleger en hovinge ook in beter stand gebragt is.

Opmerkingen:

  1. De tweede echtgenote van Hette Pieters Hettema was Taetske Anskes Fortuin, met wie hij in 1839 was getrouwd, 4 jaar na de dood van Grietje Doekes Hellema.

Ongeluk op Sneekermeer 26 september 1846

Eergisteren den 24 l.l. bij den sterken wind is er een jammerlijk ongeluk op de Sneeker meer gebeurd.
De meester van Terzool, een bejaard man, getrouwd aan eene zuster van mijn zwager H. Hettema was met een zoon, aangehuwde zoon en een kleinzoon, benevens een bejaard man, tezamen met een dubbele boot, naar de Jouwster Kermis. Des nademiddags op de te huis reis geraakten op het diepste der meer en vreeslijk hol water, door het afslaan der mast in doodsnood; een schip digt bij varende, wierp de schipper de schoot uit, door de bejaarde man gegrepen werd gered, de meester en de kleinzoon waren rede weg, de zoon en de zwager waren nog zichtbaar maar konden niet wenden, om zich daardoor in onvermijdelijk gevaar te storten, om deze ongelukkigen bijstand te bieden, welke eerlang ook verdween. Ik hoorde het gister van den schipper vertellen, welke dit toneel bijwoonde en de bejaarde man behouden hadde, dog van een ander schipper, welke tijdens het ongeluk digt voorbij gevaren was.
Ontzettend trof mij dit verhaal, omdat de meester mij zeer bekend was, vaak hadde ik ten huize van mijn zwager en laatst te Leeuwarden in zijn gezelschap geweest, het was een zedig, luimig en aangenaam man, tevens gezien bij zijne dorpsgenooten, zijnde ook veldwachter.
Hoe ontzettend zal dit ongeluk op de eerste tijding aldaar opgenomen zijn, maar vreeslijk verschrikt van de vrouw van Meester Oosterhof (zoo was hij genaamd) hare dogter en de aangehuwde dogter, welke op dat oogenblik alle drie weduwen geworden waren, allen gedompeld in zwaren rouw, benevens de andere volwassene en een aantal kleine kinderen, waaronder misschien die hun verlies niet beseffen, en wijders alle naastbestaanden en betrekkingen.
En dies te ontzettender wijl men gisteren nog de lijken vermistte.

3 oktober

Wij melden het treurig ongeluk op de Sneeker meer. Thans konnen op zekere berigten toevoegen: dat die beide mannen op of in verongelukte in het voorbijvaren gezien, nog ongeveer een uur bij elkanderen gebleven, en twee malen de kleine jongen, 7 jaren oud een zoontje van een der ongelukkigen in de boot, door de golven bij hun opgeworpen maar t'elkens weder afgeslagen werd en eindelijk met de vader, zijnde de zwager van meester, aan zijne dogter getrouwd, verdween.
De overgeblevene, zijnde een gehuwde zoon van meester was geheel weerloos met zijn verongelukte scheepje en een speelbal der golven, dikwijls onder en dan boven geworpen, dog met den dood worstelenden Pieter Oosterhof hadde t'elkens het geluk, zich in of boven op de boot te klemmen en daardoor met het hoofd boven water te blijven, dog met iedere golf geheel overdekt; het werd in dien toestand eindelijk nacht (te half 4 waren zij omgestort) en nog hield de ongelukkige zijne bewustheid, totdat hij in de nacht, eenig riet door de golven voor den wind daar henen gestuwd, merkte hij aan den oever te zijn voelt grond en waad alzoo door riet en biezen en bereikt eindelijk de vaste wal, op een gemaaid stuk land aangekomen, raapt het hooi zooveel noodig bij elkanderen, legt zich op het lijf daarop neder, terwijl het water hem steeds door mond en keel uitliep; dag geworden, ziet hij, waar hij zich bevind, waad door een paar slooten en komt op de Groene Dijk aan een bekend huisje, dog gemeene lieden, welke hem verwonderd en verbaasd, inneemen, zooveel mogelijk verpleegen en klederen tot verdroging zooveel mogelijk aantrekken. Er wordt over deze wonderbare zonder eenige menschelijke hulp behoudenis, terstond tijding naar Terzool gebragt, totdat hij zelf in staat de reis derwaarts neemt. Ieder die het hoort en hem ziet staat opgetogen en verbaasd over deze zijne behoudenis en er blijft bij alle nadenken niets over te denken, als God alleen heeft hem gered, de goede hand Gods heeft hem behouden.
Pieter Oosterhof is steeds na zijne behoudenis en te huis komst, welvarende; dat was hij gisteren nog, vertelde mij mijn zwager, welke aldaar bij zijne treurige familie een nacht geweest was.
De behoudene Oosterhof hadde hem verklaard dat hij gedurende den doods nood, bedaard en zeer kalm van gemoed was geweest, wel gedurig om behoudenis gebeden hadde, maar er t'elkens bij dagt: ik kan niet behouden, ik kan niet gered worden. Hij wist zelf niet welke eene wonderbare gerustheid hem steeds bezielde.
Dus zijn er geen 3, zooals wij bevorens melden, maar twee treurige weduwen en kinderen de moeder en dogter, welke hoogst zwanger is, en in stille mijmeringen als het ware verzonken blijft zonder spreeken.
De Moeder blijft de school met voorkennis van den Opziender en ingezetenen en hare Winkel ophouden.

10 oktober

Gisteren was ik dan aldaar om mijn Geld te ontvangen benevens anderen, alwaar H. Oosterhof, zaakwaarnemer te Rauwerd, zoon van den onlangs verdronken meester Oosterhof 64 jaren oud, ook wekelijks resideert om de belanghebbenden over hunne zaken te spreken. Deze kwam dan hier ook en een weinig daarna zijn broeder P. Oosterhof fris en gezond zijn pijp te rooken. Ik beschouwde hem met stille aandoening welke onlangs zoo zichtbaar in de Hoede des Almagtigen was gezeten geweest, toen hij onder en boven water met zijn rank scheepje gedurende ten minste 5 uren, de gehele zoo buitengewoon onstuimige meer, over tuimelde en gedurig ondersboven over gestuwd werd, en daarna bij het uitkomen, gedurende den overigen tijd des nachts in weinig gras en hooi, tot op het vleesch nat in het open veld tot aan het morgenlicht nederlag!
Dezer wijs beschouwde en dagt over hem na terwijl hij stil en bedaard zijn pijp zat te rooken, en kon niet nalaten hem bij mijn vertrek de hand te geven en zegen en welvaren toe te wenschen. Ik zoude mij wel bij hem konnen vervoegd en in gesprek begeven te hebben over zijn wonderbare behoudenis, maar misschien hadde mijne aandoening mij wel verhinderd om een geregeld gesprek te houden, en daarom onthield ik mij.
0, hoe zichtbaar ontdekt zich dikwijls de hand des Heeren! in zijne werken! 0! gelukkigen ik en de mijne drie werf gelukkigen, wanneer wij in de Hoede des Almagtigen mogen opgenomen worden!! Niet zoo onmiddelijk zonder menschenhulp werd de bejaarde man, Wabe genoemd, waarvan wij melden, wiens zoon en kleinzoontje omkwamen, echter op een wonderlijke wijze, middelijk door menschen handen gered; want zooals wij melden een tou van een snel voorbijvarend schip grijpende werd een geruimen tijd ook zoo snel, door het golvend meer en stuiven achteraan gesleurd en getrokken, totdat het eindelijk gelukte hem binnen hoort te trekken. Maar de redding was ook zichbaar door Gods hand, welke zijne handen in het juiste oogenblik zoodanig bestuurde om het tou te grijpen, en kragten verleende om bij den geweldigen tegenstand van het water gedurende een geruimen tijd vast te houden tot zoo lang de gelegenheid zich aanbood om hem in het schip op te trekken. Beide, in het behouden worden en de 3 anderen verlooren te gaan, is overvloedig stof van aanbidding, en de hand der Goddelijke Voorzienigheid is het geheel beloop dezer reizigers allezins op te merken, met ontzach en eerbied, te erkennen en gade te slaan!!!
H. Oosterhof zeide mij op mijne vraag: dat zijne moeder en zijnen zuster door dit ontzettend ongeluk weduwen geworden, naar den tijd en omstandigheden wel voeren en in dezen haren druk tamelijk bemoedigd waren, zoo geeft God kragt naar kruis! te meer nog wijl de dogter behalven haren man ook de vader en haar outste zoontje verlooren heeft, en de moeder haar man, aangehuwde zoon en kleinzoontje.