INLEIDING
Door:  Irene Jager.


Een poppenhuis roept voor menigeen herinneringen op aan een vlijtige opa, die maanden voor Sinterklaas, in het diepst geheim een poppenhuis in elkaar knutselde.

Toch waren poppenhuizen eeuwenlang geen kinderspeelgoed, maar kostbare kleinoden waarop de vrouw van goede huize haar verzamelwoede kon botvieren. Dit soort huizen kun je nu nog vinden in o.a. het Rijksmuseum in Amsterdam, in Haarlem of Den Haag. En natuurlijk ook in tal van musea verspreid over de hele wereld.

In de loop van de 19e eeuw nam de verkoop van poppenhuizen en kamers gestaag toe. Ze vormden een geliefd stuk speelgoed vanwegen hun educatieve aspect dat erin besloten zat. Ze zouden namelijk het inzicht  in het huishouden bij
meisjes vergroten.

Oude speelgoedcentra als Neurenberg en Parijs namen poppenhuizen in productie, gemaakt van hout dat met papier was beplakt. De uitvinding van de lithografie maakte mogelijk om baksteentjes, dakpannen, vloerkleden en behang op papier te drukken.

Verder werd er in grote massa miniatuurvoorwerpen voor poppenhuizen gemaakt. In Parijs zat er omstreeks 1870 zoveel bedrijfjes waar spulletjes voor poppenhuizen werden gemaakt op een kluitje, dat er een complete straat mee werd gevuld.

In Duitsland begon de Firma Marklin (later beroemd om zijn treinen) met het maken van poppenhuismeubeltjes. In Engeland ontketende koningin Victoria een ware rage op het gebied van poppenhuizen. En ook de Amerikaanse speelgoedfabriek wierp zich voor wat betreft poppenhuizen op massa productie.