|
|
|
|
|


Autofabrieken in Nederland
Simca is natuurlijk niet het enige automerk geweest, dat in Nederland is geassembleerd. Om een completer beeld te geven, heb ik een kort overzicht samengesteld van de autoindustrie in ons land. Door de kleine interne markt en de sterke internationale concurrentie, hebben de zelfstandige merken het altijd moeilijk gehad. Zelfs een klinkende naam als Spyker verdween. Importheffingen hebben de assemblage industrie doen ontstaan, een activiteit die met het openstellen van de grenzen inmiddels weer is verdwenen.
|
Eysink
De eerste Nederlandse fabrikant die een auto met een benzinemotor bouwde, was de firma Eysink (van oorsprong een machine fabriek) uit Amersfoort. Het model dat in 1897 werd gepresenteerd, was nog voorzien van een buitenlandse motor (waarschijnlijk van Benz), maar later monteerde men eigen motoren. Twee jaar later was de auto zo ver ontwikkeld dat deze op commerciële basis verkocht kon worden.
De wagen was zijn tijd vooruit, hij had namelijk een stuurwiel, dat terwijl veel concurrenten nog een stuurstok hadden. Eysink bouwde een goede naam op door de kwaliteit van de auto's. De Eerste Wereldoorlog zorgde voor een gebrek aan onderdelen: de productie moest worden gestaakt. Toen men na de oorlog de productie weer hervatte bleken de concurrentie verhoudingen drastisch gewijzigd. Men kon de concurrentie van met name de Amerikaanse merken niet meer aan. In 1919 bouwde Eysink daarom de laatste auto, in totaal hadden er toen zo'n 325 auto's de fabriek verlaten.
Spyker
Men bleek grote moeite te hebben om de zaak draaiende te houden. Plannen om een kleine auto te bouwen, de Spyker-Mathis strandden. In 1927 werd het faillissement uitgesproken. Naar schatting zijn er zo'n 1500 Spykers gebouwd, waarvan er zo'n 15 nog bestaan. Dit is nog niet het einde van de Spyker geschiedenis. De legendarische naam was namelijk niet beschermd, en wordt nu opnieuw gebruikt voor een nieuwe Nederlandse sportauto met een Audi V8 motor.
DAF
Na het faillissement van Spyker heeft het lang geduurd voordat een Nederlands merk weer begon met auto productie. Pas in 1958 liep de DAF 600 van de band.
In 1928 wordt door Hub van Doorne in Eindhoven een machinefabriek opgericht. Men richtte zich in eerste instantie op de vervaardiging van bijvoorbeeld stalen kasten en magazijnrekken, en vanaf 1929 bouwde men aanhangwagens. Daar was zoveel vraag naar, dat in 1932 werd de productie van de kasten werd beëindigd. De naam van het bedrijf werd DAF, van Doorne's Aanhanger Fabrieken. Bij de keuze van de naam was rekening gehouden met het feit dat men in de toekomst mogelijk auto's zou bouwen.
In 1950 begon men (aangemoedigd door de Nederlandse regering) met de bouw van vrachtauto's. Veel van de onderdelen zoals bijvoorbeeld de motoren en de assen werden in eerste instantie van andere fabrikanten betrokken.
Door het succes van de vrachtauto's kwam men niet toe aan het vervullen van een andere wens, het bouwen van een personenauto.
Op de RAI autotentoonstelling van 1958 kon men de DAF 600 lanceren, een kleine auto met de beroemde variomatic versnelling. Na de sluiting van de kolenmijnen in Limburg werd met steun van de overheid in het Zuid Limburgse Born een nieuwe fabriek gebouwd. In 1969 deed Ford een overnamebod met de bedoeling om daarmee aan een klein model auto te komen, Daf wees dit af omdat men toen nog meende zelfstandig te kunnen blijven. Ford ontwikkelde toen een eigen model; de Fiësta. Na de overname van Daf door Volvo is er veel veranderd. Tegenwoordig worden in Born de Volvo S40/V40, de Mitshubishi Carisma en Space Star gebouwd. Omdat er dus niet alleen meer Volvo's worden gebouwd heet het bedrijf tegenwoordig Nedcar.
Om maar even een (niet complete) opsomming te geven; bij J. Leonard Lang in Amsterdam werden Fiats geassembleerd, het begon in 1950 met de 1400. Van 1953 tot 1962 werd ook de Fiat 1100 geassembleerd. In 1955 werden er van dat model 633 stuks gebouwd, in 1958 waren het al 1.094 en in 1960 waren het er 1.253. Bij de firma Molenaar in Amersfoort werden van 1950 tot 1961 de Morris (Minor) en MG's gebouwd en zelfs bij "de Schelde" in Vlissingen werden in een Romney-loods een aantal exemplaren van de Hino Contessa gebouwd. Bij Har Nibbrig en Greeve in Sassenheim werden van 1956 tot 1961 +/- 15.000 DKW's gebouwd, bij Citroen werden van 1963 tot 1970 bestelwagens gebouwd en ook de Volvo "Katterug" schijnt in Nederland te zijn gebouwd.
De grootste assemblagefabriek was die van Ford in Amsterdam. Oorspronkelijk zou deze fabriek in Rotterdam komen, pas op een zeer laat moment haalde Henry Ford persoonlijk een streep door dat plan. Ford zou bij een bezoek aan Europa de eerste steen leggen van de nieuwe fabriek in Keulen, (2 oktober 1930) en de dag erna die van de fabriek in Rotterdam. Bij het terrein aangekomen bekeek hij de funderingen en vroeg aan de Nederlandse Directeur waar het water was. Deze antwoordde dat het water 800 meter verder was, "Geen water, geen fabriek", zei Ford, waarna de hele plechtigheid werd afgelast. De gemeente Rotterdam kon geen alternatief bieden dat wel direct aan het water lag.
Toen de gemeente Amsterdam dat wel kon, kocht Ford het terrein aan het Noordzeekanaal voor f 800.000,-. De gemeente spoot het terrein in recordtijd op en legde er een haven (de Fordhaven) aan. De nieuwe fabriek voor personen en vrachtauto's werd op 13 mei 1933 geopend. Al in 1934 verliet de 5000e Ford de fabriek, in 1947 bereikte men het aantal van 50.000. Een grote diversiteit aan Ford typen werd in Amsterdam geassembleerd. Dit varieerde van de A Ford tot de Lincoln Continental. Veel bekende typen verlieten in de loop van de jaren de fabriek, daaronder waren zowel Engelse, Duitse en Amerikaanse en Franse Fords. De Anglia, Consul, Zephyr, Zodiac, Cortina, Taunus en Mustang en natuurlijk, de Vedette. Daardoor werd het veruit de grootste auto assemblagefabriek van Nederland. In 1960 verliet dan ook de 250.000e Ford de fabriek. Toen in 1974 het 50 jarig bestaan werd gevierd verliet de 457.838e Ford de band. Bij deze aantalen zijn de bedrijfswagens meegeteld.
De fabriek werd in de loop van de jaren telkens uitgebreid. In 1975 vond de grootste uitbreiding plaats. Voor een nieuwe zware vrachtwagen, de Transcontinental, werd een compleet nieuwe fabriek gebouwd. De Amsterdamse fabriek zou zich alleen nog op bestel (de Transit) en vrachtauto's richten. Mede door het uitblijven van het succes van de Transcontinental werd in 1981 de sluiting van de fabriek aangekondigd. Dit leidde tot een grote opstand onder het personeel en verontwaardiging van de vakbonden, maar er was geen weg meer terug. De fabriek sloot uiteindelijk in 1983 en Ford Nederland verhuisde naar een kantoorpand aan de Amsteldijk in Amsterdam.
Naar de pagina over de geschiedenis van Kaiser - Frazer