Coronary Care

» Coronairen
» Geleidingsysteem
» het ECG
» Myocardinfarct
» Ritmestoornissen

Intensive Care

Ľ Acuut Respiratoir Falen
» Bronchiaal Toilet

Het ECG

Ritmestoornissen

 

Tachy AritmieŽn

Brady - AritmieŽn stoornis in impulsvorming

Brady - AritmieŽn stoornis in impulsgeleiding

Polsloze elektrische activiteit / Elektromechanische dissociatie

 

Tachy - AritmieŽn

 

Prematuur Atriaal Complex (PAC) of Boezem-extrasystole (BES)

Het sinusritme wordt verstoord door impulsen die ontstaan in ťťn van de atria op een plaats anders dan de SA knoop zelf. De ectopische P-top is doorgaans herkenbaar anders van vorm en wordt gevolgd door een eveneens voortijdig QRS-complex. De PQ-tijd van de extrasystole kan verlengd zijn omdat de voortijdige prikkel een nog deels refractaire AV-knoop moet doorlopen. Penetratie van de ectopische prikkel in de SA knoop zal de normale cyclus verstoren: de SA knoop wordt ontladen en begint opnieuw me spontaan te depolariseren, zodat de eerstvolgende normale 'sinusslag' later komt dan verwacht: post-extrasystolische pauze.

 

 

 

Geblokkeerde PAC

Soms is geleiding door de AV-knoop niet mogelijk en is er sprake van een geblokkeerde boezem-extrasystole.

 

 

 

 

Boezemtachycardie

Een focus in de boezem vuurt strikt regulair in een frequentie die per definitie boven de 100 per minuut ligt en doorgaans 160-180 per minuut bedraagt. Er bestaat doorgaans een 1:1 relatie tussen boezem- en kameractiviteit. Extreem hoge kamerfrequenties (tot 300/min) kunnen bij uitzondering voorkomen en kunnen wijzen op een accessoire AV-verbinding.

 

 

Dit kan ook paroxysmaal voorkomen

 

 

 

Nodale tachycardie

Hierbij vuurt de AV-'junction' in een strikt regelmatig ritme van meer dan 100 per minuut.

De QRS-complexen worden niet voorafgegaan door een P-top: deze is verscholen in het QRS-complex of in het ST-segment (afhankelijk van de retrograde geleidingstijd van de AV-junction naar de boezems). Differntieel-diagnostisch moet worden gedacht aan een cirkeltachycardie die de ventrikels via de normale weg (AV-knoop, bundel van His enz.) doorloopt en de boezems retrograad activeert via een accessoire verbinding. Na herstel van het sinusritme kan (indien de accessoire verbinding ook in antegrade richting, dus van de boezems naar kamer, geleidt) dan het beeld van pre-excitatie zichtbaar zijn.

 

 

 

 

 

Boezemfladderen(flutter)

De boezem vuurt met een frequentie van ca. 300/min (280-320/min). Slechts bij hoge uitzondering is de normale AV-knoop in staat om 300 impulsen naar de ventrikels te geleiden. In de regel ontstaat een 2:1 blok waarbij de kamerfrequentie dus 150/min. bedraagt. Deze tachycardie lijkt op een boezem- of nodale tachycardie. In de regel zijn

echter de fluttergolven te herkennen, vooral in de onderwandafleidingen. Het herkennen van de fluttergolven is gemakkelijker bij hogere graden van AV-blok (hetzij door spontaan gestoorde AV-geleiding, hetzij door medicamenteuze beÔnvloeding hiervan, hetzij geÔnduceerd door vagale manoeuvres zoals carotismassage). Verdere vertraging in de AV-geleiding resulteert dikwijls in een 4:1 blok (kamerfrequentie ca 75/min) of in wisselend blok.

 

 

 

 

 

 

Boezemfibrilleren (boezemwoelen)

In tegenstelling tot boezemfladderen waarbij de boezemactiviteit waarschijnlijk continue rondcirkelt, is de elektrische activiteit bij boezemfibrilleren totaal chaotisch. Van de ca 400-600 prikkels per minuut wordt slechts een deel naar de kamers doorgelaten: bij intacte AV-geleiding is de kamerfrequentie doorgaans ca 150 a 160 per minuut en is het kamerritme totaal irregulair. De fibrillatiegolven kunnen doorgaans het beste worden herkend in V1.

Bij hoge frequenties kan een functionele geleidingsstoornis in het bundeltaksysteem optreden. Meestal is het de rechterbundeltak die het laat afweten en ontstaat het beeld van rechts-abberantie (rechtebundeltakblok). Bij uitzondering komt ook de links-aberrantie voor. Aberrant voortgeleide supraventriculaire extrasystolen kunnen dan worden aangezien voor ventriculaire; een supraventriculaire tachycardie. Aberrantie kan ook worden gezien tijdens boezemfibrilleren in QRS-complexen die een korte RR-interval met de voorgaande slag hebben (vergeleken met het voorlaatste RR-interval); zo kan ook aberrantie optreden bij supraventriculaire extrasystole of in de eerste slagen van een regulaire tachycardie.

 

 

 

 

 

Aberrantie wordt waarschijnlijk bij:

 

Ventriculaire extrasystole

Het sinusritme wordt verstoord door een impuls uit een van de ventrikels. Een

ventriculaire oorsprong is aannemelijk bij:

Doorgaans volgt op de premature slag een volledig compensatoire pauze: penetratie van

 de premature impuls vanuit de ventrikels in de AV-junction maakt deze refractair op het moment dat de normale impuls vanuit de sinusknoop de boezems activeert. Pas de volgende sinusslag ziet kans om de ventrikels de bereiken. Het interval tussen de laatste normaal voortgeleide slag en de ventriculaire extrasystole samen met het interval tussen de extrasystole en de eerstvolgende normale, voortgeleide slag is gelijk aan twee normale cycli.

Wanneer de prikkel vanuit de boezems toch kans ziet om voortgeleid te worden naar de ventrikels, ontstaat een zogenaamde geÔnterpoleerde extrasystole (extra systole dus in de letterlijke zin van het woord). Dit is eigenlijk alleen mogelijk als de hartfrequentie (sinusfrequentie) laag is. Doorgaans is de geleiding in de AV-knoop op dat moment nog

niet volledig hersteld en wordt de eerstvolgende sinusslag met verlengde PQ-tijd voortgeleid.

 

 

 

 

Ventriculaire tachycardie

Een focus in een van de ventrikels vuurt hierbij met frequenties boven 100 per minuut, maximaal 240 per minuut. Het ritme is dikwijls niet strikt regulair (na te gaan dmv een

passer of door gebruik te maken van een hogere loopsnelheid van het ECG-papier). Let op de eventuele aanwezigheid van P-toppen met een frequentie anders dan die van de tachycardie: AV-dissociatie; dit pleit zeer sterk voor ventriculaire tachycardie en tegen supraventriculaire tachycardie met aberrantie of bundeltakblok. Een 1:1 relatie tussen kamers en boezems kan bij beide voorkomen, maar ook bij de (betrekkelijk zeldzame) antidrome cirkeltachycardie in het kader van het

Wolff-Parkinson-White syndroom (WPW-syndroom).

Een bijzondere vorm van ventriculaire 'tachycardie' is het zogenaamde geaccelereerde kamerritme (accelrated idioventricular rhythm of AIVR). Deze aritmie (voorkomend bij een acuut myocardinfarct, dreigend infarct, het ůpengaan' van de coronairen na trombolyse en digitalisintoxicatie) houdt in dat er een idioventriculair focus is dat sneller vuurt dan de normale intrinsieke frequentie van de ventrikels, die rond 40 a 50 per minuut ligt. Het

focus is kennelijk 'opgewarmd' oiv ischemie respectievelijke digitalis. Wanneer de sinusknoop sneller vuurt dan het ventriculaire focus, verdwijnt de AIVR; wanneer de frequentie van de sinusknoop wat daalt, neemt de AIVR het over: dikwijls begint de aritmie met een fusieslag, de P-toppen zijn meestal gedissocieerd van de QRS-complexen. De frequentie ligt per definitie tussen 60-100 minuut.

 

 

 

 

Kamerfladderen/fibrilleren

Zeer snel ventriculair ritme met frequenties hoger dan die van een ventriculaire

tachycardie (en gepaard gaand met circulatoire collaps). QRS-complex en STT-segment zijn niet meer van elkaar te scheiden. De QRS-complexen kunnen variaties in vorm vertonen (soms met een geleidelijke wisseling in polariteit van overwegend positief naar overwegend negatief en omgekeerd: 'torsade de pointe').

Bij kamerfibrilleren gaat het om een totaal chaotische kameractiviteit die zich uit in een onregelmatig golvend patroon. De circulatie valt hierbij stil.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemene informatie

» CCU startpagina
» IC startpagina
» beademing startpagina