De vier
planeten die het dichtst bij de zon staan (Mercurius,
Venus,
Aarde en
Mars), én onze
maan, hebben veel met elkaar gemeen. Ze bestaan
allemaal in hoofdzaak uit ijzer en gesteente, en
hebben kraters op hun oppervlak.
Toen de
planeten ongeveer 5 miljard jaar geleden
ontstonden, cirkelden er nog veel brokken ijs en
steen rond de zon. De volgende 500 miljoen jaar
botste dit puin op de binnenste planeten tot het
meest door die planeten was opgeruimd.
Eerst
waren de nieuwe planeten erg heet, vooral door
de botsingen.
De kernen (het binnenste) van
Mercurius, Mars en van onze maan zijn intussen
gestold. Die van de Aarde en Venus ziijn nog
altijd vloeibaar.