|

| |
| |
|
De vier enorme planeten
aan de buitenkant van ons zonnestelsel (Jupiter,
Saturnus,
Uranus en Neptunus)
verschillen sterk van de rotsplaneten (binnenplaneten) die zich
dichter bij de zon bevinden.
Deze grote zogeheten buitenplaneten
worden ook wel ‘gasreuzen’ genoemd, omdat ze gigantisch grote
hoeveelheden waterstof en helium bevatten, de gassen waaruit ook
de zon grotendeels bestaat. Onder de bewolking bevindt zich geen
vast oppervlak, zodat er op deze buitenplaneten nooit
ruimtevaartuigen zullen kunnen landen.
Als je naar Jupiter zou
reizen, zou je de gaslaag alsmaar dikker en zwaarder zien
worden. Na 1000 km is het gas zó samengedrukt, dat het in een
vloeistof is veranderd.
|
 |
Tijdens de vorming van
het zonnestelsel werden de buitenplaneten veel groter dan de
binnenplaneten, omdat ze zich op een koudere plaats
bevonden. Bij de brokstukken in het buitenste zonnestelsel
zat bevroren, ijzig materiaal dat door de reuzenplaneten
werd opgenomen. Dichter bij de zon verdampte het ijs, zodat
de binnenplaneten alleen uit gesteente en metaal werden
gevormd. Doordat ze al meteen meer vaste stof bevatten,
konden de reuzenplaneten met hun sterke zwaartekracht grote
hoeveelheden gas aantrekken en vasthouden.
|
 |
Vlnr:
Mercurius, Venus, Aarde, Mars, Jupiter,
Saturnus, Uranus, Neptunus en Pluto.
De rotsplaneten zijn grijs en de gasplaneten zijn oranje
afgebeeld.
De kleine zwarte stip is de dwergplaneet Pluto.
|
|