|

| |
| |
Sterren worden geboren, veranderen als ze ouder worden en
sterven.
Ze ontstaan uit wolken gas en stof in de ruimte.
Tijdens de vorming van de sterren kunnen planeten eromheen
ontstaan.
De geboorte van een ster begint met slierten gas (waterstof,
helium en andere elementen). In het begin is er geen duidelijk
centrum in de gaswolken, maar na miljoenen jaren kunnen enkele
deeltjes misschien bij toeval samenklonteren. Als een klont
ontstaat, trekt de zwaartekracht gas en stof uit de wolk
eromheen aan. Als de massa van de klont groeit, neemt de
zwaartekracht toe en trekt weer meer materiaal aan.
In het centrum van de
klont stoten de opeengepakte deeltjes tegen elkaar aan.
Hierdoor warmen ze op. Ze worden steeds heter tot het
centrum begint te gloeien. Dit stadium heet een
protoster. Als een
protoster een temperatuur van 15 miljoen ° C heeft bereikt,
is dat heet genoeg om kernenergie te vormen, net als de zon.

Eerst draait
de protoster langzaam om haar as in de wolk. Maar
doordat ze kleiner wordt, gaat ze sneller draaien.
Hierdoor wordt de omgevende wolk een dikke, platte
schijf. Sommige klonten in deze schijf zijn
misschien groot genoeg om andere sterren te vormen.
Als ze klein zijn, kunnen ze planeten vormen.
De
protoster wordt nog omgeven door het gas en
stof waaruit het ontstond en is van buitenaf
niet zichtbaar. Maar als ze begint te
schijnen, blaast de hitte het overgebleven
gas en stof weg en blijven alleen de
gevormde sterren en planeten achter. De
hitte van nabije sterren kan hier ook voor
zorgen. Uiteindelijk, na een periode van
miljoenen jaren, is al het materiaal om de
ster verdwenen en schijnt ze gelijkmatig.
|
|

De
Paardekopnevel (gas- en stofwolken waar sterren ontstaan)
|
|

De
Orionnevel: een kraamkamer voor sterren
|
|

|
Kort
samengevat:
|
|

|
|