|
Zeb
(een verhaal uit de Prehistorie)
|

Kort na
zonsondergang kwamen alle mannen naar de grot van Arsan, de
tovenaar. Arsan en Cran, de leider van de stam, zaten al bij
het knappende houtvuur, de ouderen gingen bij hen zitten en
de jongere mannen vormden een kring om hen heen. Zeb en z'n
vriend Bred zochten een plaatsje achter in de donkere grot
en hielden zich doodstil. Zebs wangen gloeiden van trots en
opwinding dat ze er bij mochten zijn.
Ook al mochten jongens als Bred en hij nog niet meepraten.
Arsan en Cran bespraken met de mannen van de stam wie er mee
zouden gaan op de
mammoetjacht. Natuurlijk wilde iedereen dolgraag mee,
maar
er moesten toch een paar mannen achterblijven om de vrouwen
en kinderen te beschermen tegen een holebeer of een
wolharige neushoorn of misschien wel tegen een vijandige
stam. Zeb was nog wel geen man, maar hij was toch al elf
jaar en stiekem hoopte hij dat hij deze keer ook mee zou
mogen. In z'n verbeelding zag hij zich al tegenover zo'n
groot monster staan. Met inspanning van al z'n kracht zou
hij het de punt van z'n speer tussen de ogen stoten en
kermend zou het dier in elkaar zakken.
Later zou Arsan met een vlijmscherp mes het teken in z'n
borst snijden, zodat iedereen altijd aan het litteken kon
zien dat hij een dier gedood had, dat hij een man was!
Dan zou hij mogen meepraten bij de geheime
vergaderingen van de mannen en dan hoefde hij nooit
meer vervelende karweitjes voor de vrouwen op te
knappen. En wat zouden de meisjes van de stam tegen
hem opzien! Hij schrok op uit z'n dromerijen, toen
Zeb hem een por in z'n zij gaf en fluisterde:
Hι
slaapkop, ze hebben het over ons, hoor maar." Zeb
spitste z'n oren. Cran vroeg aan de tovenaar:
Wat
denkt U, kunnen Zeb en Bred ook mee? Ze zijn bijna
twaalf.
Arsan antwoordde:
Bijna
twaalf, zo zo. Ja, dan wordt het hoog tijd dat ze
bewijzen dat ze zich als man kunnen gedragen. Ze
kunnen onderweg de wapens en het reisvoedsel dragen,
ze kunnen 's avonds de tenten opzetten en als jullie
geluk hebben op de jacht, kunnen ze de vrouwen
helpen bij het uitbenen van het vlees en het smelten
van het vet.
Zeb en Bred knepen elkaar bont en blauw van
blijdschap. Het liefst waren ze juichend de grot
uitgerend om het grote nieuws aan iedereen te
vertellen, maar ze konden zich nog net inhouden en
rustig blijven zitten. Natuurlijk was het geen echt
mannenwerk wat Arsan had opgenoemd, maar dat kon
Bred niets schelen. Hij zou ze wel eens laten zien
wat hij nog meer kon. Wacht maar tot ze de mammoets
gevonden hadden!
De volgende morgen was Zeb al vroeg wakker. Vlug
rolde hij de bontvachten op waaronder hij geslapen
had en kleedde zich aan.
Het was behoorlijk koud voor de tijd van het
jaar,
dus wikkelde hij een paar dierenhuiden om
z'n lichaam en om z'n armen en benen. Met
repen leer maakte hij de huiden vast. Met
tegenzin trok hij z'n oude sandalen van
hertevel aan. Ze waren niet erg mooi
meer.Maar wie weet kreeg hij na de jacht wel
een paar mooie, sterke schoenen van
mammoetleer. Toen hij de grot uitkwam, zag
hij dat de meesten al klaar voor het vertrek
waren. Bred en hij moesten de wapens van een
paar oudere mannen dragen:
stenen messen en strijdbijlen en houten
speren, waarvan de punten hard waren gemaakt
in het vuur. Alles bij elkaar was het nog
een hele vracht, Maar de jongens lieten zich
natuurlijk niet kennen. In een lange rij
trokken de jagers en helpers door het
heuvellandschap en pas toen de zon helemaal
achter de heuvels verdwenen was, gaf Cran
een teken dat ze moesten stoppen.
De paar vrouwen die mee waren gegaan,
zorgden voor warme thee en deelden koekjes
uit die ze thuis gemaakt hadden van vet,
gedroogd vlees en gedroogde vruchten.'Vroeg
naar bed en morgen weer vroeg op'. zei Cran
en het duurde niet lang of de jongens
sliepen als beren in een winterslaap.
Na een paar dagen kwamen ze in een
rotsachtig gebied met diepe kloven
en ravijnen. Ze schoten nu niet meer
zo vlug op en om de aandacht van de
jongens wat van hun moeheid en
spierpijn af te leiden vroegen de
vrouwen hen onder het lopen wat er
straks met de gedode mammoet zou
gebeuren. Zeb en Bred wisten de
antwoorden best; het kleinste kind
wist al dat de hele stam maandenlang
van ιιn Mammoet kon leven.
Van
z'n huid maken we schoenen," zei Zeb
en hij keek met een schuin oog naar
z'n eigen schoenen, waarvan nu niet
veel meer over was.
En
nieuwe tenten,
antwoordde Bred vlug.
Windschermen.
Tassen. Riemen. Kookpotten.
''En wat doen we met de blaas en de
darmen?
vroeg Oeza, een van de vrouwen, aan
Bred, die nu weer aan de beurt was.Daar
maken we waterzakken van en
...en
regenkleren,
viel Zeb hem in de rede.
Mammoets!
Mammoets!
riep een van de mannen plotseling.
Opgewonden begonnen ze allemaal door
elkaar te schreeuwen en te wijzen:
Daar,
daar zijn ze, mammoets, een hele
kudde!
Aan de horizon zag Zeb een donkere
bewegende massa.
Een
grote kudde.
mompelde Cran en hij gebaarde dat ze
hier de tenten moesten opzetten.
Toen ging hij met de jagers op pad
om het terrein te verkennen en een
goed plan voor de jacht te bedenken.
De dag daarop vertrokken de
jagers, nog voor zonsopgang,
in de richting waar ze de
vorige avond de mammoets
gezien hadden. Ze ontdekten
de kudde al gauw en slopen
voorzichtig door het hoge
gras dichterbij. Zebs hart
klopte in z'n keel. Wat een
enorme beesten!
Ze waren wel drie maal zo
hoog als een volwassen man.
Hun dikke huid
was
bedekt met een zachte vacht
en ruig, lang, roodbruin
haar en daaronder zat nog
een dikke vetlaag.
Die
zullen geen last van de kou
hebben.
dacht Zeb. Ze hadden een
zware kop, zo groot als de
helft van hun romp, kleine
oren en een korte slurf.
Maar het mooist vond Zeb de
ivoren slagtanden. Bij
sommige dieren waren die
helemaal gebogen en wel vier
keer zo lang als Zeb zelf.
Hij snapte niet hoe ze zo'n
geweldig dier zouden kunnen
doden.
Aan de buitenkant van de
kudde liep een jong
mammoetvrouwtje. Ze bewoog
zich trager dan de andere
dieren en Zeb begreep al
gauw hoe dat kwam: ze was
drachtig en zo te zien zou
haar jong al gauw geboren
worden. Ze dwaalde wat van
de kudde af, op zoek naar
mals gras. Dat was het
moment waarop Cran gewacht
had. Op zijn teken staken de
jagers met gloeiende
kooltjes een paar fakkels
aan en staken daarmee het
droge gras tussen de mammoet
en de kudde in brand. Door
de wind breidde het vuur
zich snel uit.
Op slag veranderde
de vredig grazende
kudde in een
dolgeworden,
trompetterende
massa. Stampend
vluchtten de dieren
weg van de
vlammenzee. Intussen
had Cran de drie
jongste en snelste
jagers het sein
gegeven naar de
kloof te hollen. Zeb
was zo opgewonden,
dat hij niet meer
rustig in het gras
kon blijven zitten,
maar hard achter de
drie mannen
aanrende. Hij hoorde
niet meer hoe Bred
en de anderen hem
terugriepen.
De vrouwtjesmammoet
was door de vlammen
van de kudde
gescheiden.
Schreeuwend en met
hun fakkels zwaaiend
renden een paar
mannen op haar af om
haar zo in de
richting van de
kloof te jagen,
achter de drie
mannen en Zeb aan.
Die rende alsof zijn
leven er van afhing.
En dat was ook zo!
Hij haalde zelfs de
drie anderen in en
was er het eerst.
Hij rende de
doodlopende kloof
in. De opgejaagde,
doodsbange mammoet
daverde achter hem
aan, gevolgd door de
schreeuwende jagers.
Aan het einde van de
kloof kon ze niet
verder. Ze probeerde
zich om te keren,
maar kwam klem te
zitten. Vliegensvlug
doken twee van de
jagers naar haar
achterpoten en
sneden met hun
stenen messen de
pezen door. Kermend
van pijn zakte ze
door de knieλn.
Toen sprong
Zeb op een
rotsblok,
vlak voor de
kop van het
dier en
stootte met
alle kracht
die hij nog
over had,
z'n speer
tussen de
ogen. Er
spoot een
straal bloed
in z'n
gezicht en
terwijl de
andere
jagers de
kloof in
renden en
hun speren
in de
stervende
dikhuid
gooiden,
juichte het
binnen in
hem:
Ik
heb de
mammoet
gedood! Nu
ben ik een man!
|
|