In ons land zijn vaak bij riviertjes resten van houtskool
gevonden en ook voorwerpen
van steen en botten. We weten daarom dat op zulke plaatsen
mensen hebben
gewoond. Waarschijnlijk in tenten of hutten. Het waren
jagers. Deze jagers leefden
in familiegroepen van soms 10, 20 of 30 volwassenen en
kinderen. Eenmaal in het
jaar kwamen deze kleine groepen bij elkaar. Samen konden dat
soms wel 300
mensen zijn. Ze hoorden bij dezelfde stam. Ze spraken
allemaal dezelfde taal.
Als er eten nodig was, gingen de mannen op jacht, maar de
vrouwen en kinderen
zorgden voor het meeste eten. Zij gingen iedere dag op zoek
om in de bossen voedsel te verzamelen.
In de herfst zochten ze wilde vruchten en in het voorjaar
bladgroenten en
knollen.