Ambon 19 januari 1999

Na mijn jungle trektocht op Seram ben ik blij dat ik eindelijk weer terug ben op Ambon om even goed uit te rusten en bij te eten. Ik heb mij gevestigd in de Penginapan Beta aan de jalan Wim Reawaru. Het is 19 januari; een Moslim feestdag. Het is rustig in de stad. Het hele openbare leven lijkt tot stilstand te zijn gekomen. Zelfs het normaal zo drukke Angkot- en busvervoer is gereduceerd tot praktisch nul. Omdat ik me heb voorgenomen om naar het Natsepa strand te gaan ben ik genoodzaakt een taxi te nemen tegen een veel te hoog tarief. Aan het drukke strand vol dagjesmensen is het goed toeven. Het weer is goed, het water blauw en lekker warm. Om vier uur besluit ik dat het zo mooi is geweest en ga met de taxi (die al die tijd op mij gewacht heeft) naar huis. Als we Ambonstad inrijden heerst er een rare sfeer. Mensen rennen enigszins gehaast rond, alsof ze snel naar huis willen. De taxichaufeur stopt even bij een bekende op pasar Mardika en vraagt of er iets bijzonders is gebeurd. Er blijkt ruzie te zijn geweest tussen een buschaufeur en twee passagiers. Daarbij zouden doden zijn gevallen. Ik sla verder geen acht op deze gebeurtenis en wordt afgezet bij m'n hotel. Aldaar spring ik onder de douch en val vervolgens moe neer op bed. Om ca. 18.00 besluit ik dat het tijd is om een hapje te gaan eten in mijn favoriete restaurant Halim. Over straat lopend bemerk ik dat het wel heel erg stil is. Er zijn geen auto's, betjaks of brommers. Eigenlijk is er helemaal niemand meer op straat. Ik ben de enige! Als ik bij Halim aankom zie dat het gesloten is. Ik maak nog even een ommetje om te kijken of er soms nog een ander restaurant open is. Maar niks. Aangezien ik mij toch niet helemaal op mijn gemak voel met deze situatie besluit ik snel terug te gaan naar het hotel. Daar blijkt al snel dat er inderdaad iets aan de hand is. Een Duitser verteld dat hij twee uur geleden gezien heeft hoe een groep mensen systematisch voertuigen aanhield en de bestuurders controleerde. Ook zag hij dat ze van iemand een brommer afpakte en in brand staken. Zo waren er nog meer verhalen van andere toeristen zonder dat nu iemand precies wist wat er aan de was. Er wordt gespeculeerd over een uit de hand gelopen demonstratie tegen de corrupte Golkar partij. Intussen is het donker geworden. We zijn met een aantal mensen op het balkon op de eerste verdieping gaan zitten. Vanaf het balkon kunnen we de gebeurtenisssen op de straathoek redelijk volgen. Er rijden op jalan Pattimura voortdurend vrachtwagens vol joelende mensen rond. Rond de kerk heeft zich een menigte verzameld die als maar aanzwelt. Om ca. 22.00 uur begint een groep mensen een houten winkeltje op de straathoek in puin te slaan en in brand te steken. Voor het eerst realiseer ik me dat het echt goed mis is. De menigte van ik schat zo'n 100 man komt langzaam onze straat in gelopen. Nu kan ik voor het eerst zien dat de mensen bewapend zijn met kapmessen, speren en staven. Ze schreeuwen en zijn boos. Met het ijzer van de kapmessen wordt over de straat geschraapt. In het donker geeft dit een drijgende vonkenregen. Ik en de andere zijn verontrust. Wat nu te doen? De eigenaar van het hotel loopt naar buiten. Hij praat met enkele lieden uit de groep. Opluchting als we zien dat ze voorbij lopen. Later hoor ik dat dit Christenen zijn, evenals de hoteleigenaar. Ik loop naar mijn kamer en doe wat belangrijke spullen in mijn kleine rugzak. Als het echt uit de hand gaat lopen kan ik zo in elk geval snel wegkomen. Het is nu duidelijk dat er op grote schaal ruzie is uitgebroken tussen de Christenen en Moslims op dit exotische eiland. Dezelfde avond zien we overal in de stad branden ontstaan. Er rennen voortdurend groepen bewapende mensen door de straat. In de verte horen we met enige regelmaat schoten. Waar is de politie of het leger? Om ca. 00.30 besluit ik om toch maar naar bed te gaan. Ondanks het vele lawaai op straat val ik in slaap.


De gevolgen worden duidelijk

De volgende dag (20 januari) blijkt dat de meeste andere hotelbewoners die nacht geen oog hebben dicht gedaan. Maar wat erger is: De onlusten blijken vandaag nog niet afgelopen te zijn. Voorzichtig loop ik naar de straathoek en zie daar de nasmeulende puinhopen van vooral betjaks en brommers. De andere straathoek biedt hetzelfde beeld. Overal roken barrikades op straat. In de verte zie ik dat een heel blok met winkels is afgebrand. Alleen de zwartgeblakerde betonnen muren staan nog overeind.

Er rest ons deze dag weinig anders dan binnen blijven. Er is geen mogelijkheid om hier weg te komen. Een beetje lezen, wat voorzichtig heen weer kuieren in de straat en kaarten in het hotel met de andere gestrande toeristen. Er lopen voortdurend groepjes bewapende Christenen door de straat. Ze dragen een rode band om hun hoofd. Ik laat me vertellen dat de Moslims een witte band dragen. Als er ergens in een wijk gevaar dreigt wordt er met ijzeren staven tegen de lantaarnpalen geslagen. Vervolgens trekken er vanuit heel de stad groepen strijders naar toe.
Aangezien mijn hotel geen eetvoorziening heeft (en er ook geen enkel restaurant open is) besluit ik samen met de meeste andere reizigers te verhuizen naar het Hero hotel er naast. Dit hotel serveert nog wel eenvoudige maaltijden, maar alleen voor eigen gasten.



De vernieling van een hotel

22 januari lijkt de dag rustig te beginnen. Voor het eerst zien we nu politie/leger patrouilles op straat. Ze houden zich vooral bezig met het evacueren van 'gestrande' personen. Christenen die vastzitten in Moslimwijken worden zoveel mogelijk weggehaald en anders om natuurlijk ook. De verveling slaat nu wel langzaam toe. Terwijl ik s'middags buiten voor het hotel op het stoepje zit passeert een groepje van zo'n 7 a 8 bewapende Christenen. In mijn beste Engels en Indonesisch maak ik een praatje met ze. Aardige gozers, denk ik. Net als ze weer willen vertrekken, valt de aandacht van een van hen op het hotel er naast. Hij vraagt waarom dit Baliwerti hotel gesloten is. Omdat er geen duidelijk antwoord komt op deze vraag, is dit kennelijk aanleiding om te veronderstellen dat dit Hotel eigendom is van Moslims. Een van hen slaat met een ijzeren staaf het glas van de gesloten voordeur in. De andere volgen zijn voorbeeld: Alle ruiten van de voorpui worden een voor een aan diggelen geslagen.

Andere lieden komen op het lawaai af en doen ook mee. Vanaf de eerste verdieping wordt al het inventaris naar buiten gegooid. Terwijl ik met verbazing toe kijk, vliegen de bedden, tv's en wasbakken me zowat om de oren. Al gauw ligt de ligt de hele straat bezaaid met puin.



















Ontmoeting met een paar oude bekende

De volgende dag (23 januari) zit ik om ca. half negen s'morgens met een kopje thee wakker te worden. Terwijl nog wat dromerig naar buiten staar zie ik plots twee Molukse jongens uit Nederland die ik eerder ontmoet heb: Stefan en Mario. Ze hebben zich omringt met zo'n 10 andere jongens. Mario (met ontbloot bovenlijf en hoofdband) is bewapend met een kapmes en heeft een bijl tussen de riem. Stefan heeft ook een mes in z'n handen en een doek om z'n hoofd. Hij heeft gisteren een flinke steen van de vijand tegen z'n hoofd gekregen. Ik vraag of ze wat willen drinken. Beide hebben wel zin in een fles bier. De rest van 'het zooitje ongeregeld' wacht beleeft buiten. Beide zijn naar eigen zeggen al de hele nacht op pad en hebben meegedaan met de gevechten. Na een half uurtje kletsen gaan ze weer op pad.
Ze zijn trouwens niet de enige Nederlandse Molukkers die zich mengen in de onlusten. Met enige regelmatig lopen er bewapende mannen binnen om even met familie uit Nederland te bellen. Ene Henkie komt zelfs elke dag om even met z'n moeder te bellen.
















De situatie wordt langzaam steeds uitzichtlozer. Ook het eten wordt slechter. Vandaag is er alleen nog maar droge mie (zonder vlees of groente). Iedereen in het hotel is het zat en wil weg van het eiland.



De evacuatie

Op 24 januari is er dan eindelijk een evacuatie geregeld voor de gestrande toeristen. Dit dankzij de druk/inspanning van de diverse ambassades: V.S., Canada, Duitsland, etc. (behalve die van Nederland...).
Om 6 uur s'morgens vertrekken we als groep begeleid door bewapende militairen naar het hoofdbureau van politie. Vanuit daar worden we overgebracht naar het militaire vliegveld van Ambon. Onderweg zien we de verwoestingen in de verschillende dorpen.















Op het vliegveld staat een Hercules van de luchtmacht klaar. Die brengt ons naar Ujung Panjang (Makassar - Sulawesi) of Surabaya (Java). Ik stap uit in Ujung Panjang en neem vervolgens de eerst volgende vlucht naar Bali waar ik de laatste week van m'n vakantie in alle rust doorbreng.