Reis naar Ambon

Op 3 januari 1999 ben ik op vakantie gegaan naar Ambon (Indonesië). In verband met de economische crisis was het lastig om een (binnenlandse) vlucht van Bali naar Ambon vast te leggen. Uiteindelijk bleek dat ik eerst twee dagen op Bali moest overnachten alvorens ik op 5 januari met Merpati naar Ambon kon. Het vliegtuig bleek een oude en veel te krappe F28 te zijn. De zitplaatsen hadden veel weg van een klapstoel en waren misschien wel acceptabel voor de wat klein uitgevallen Aziaat, maar totaal niet voor de iets langere Europeaan. Bovendien lekte het boven de stoelen bevestigde aircosysteem op vele plaatsen condenswater. De stewardessen waren druk in de weer met tissues om de vallende druppels zoveel mogelijk te deppen. Ook de karige maaltijd kon geen troost verschaffen: Toen ik mijn kartonnen eetdoosje opende, kwamen er twee oorwurm achtige insekten naar buiten gekropen. Na een tussenlanding op Ujung Pandang landde we na circa 3 uur eindelijk op Ambon. Ik was blij dat ik uit kon stappen. Ongeveer de helft van de passagiers moest echter nog door naar Sorong of Biak (Irian Jaya).


Kota Ambon

Ambon is een klein eiland van ca. 60 bij 30 kilometer en is het logistieke en bestuurlijke centrum van de provincie Maluku. Ambon stad is toch anders dan ik me had voorgesteld. In eerste instantie weinig exotisch aan. De Mardika bemo terminal is het vervoerscentrum van het gehele eiland en één van de meest chaotische plaatsen die je in Indonesië kunt tegenkomen. In dezelfde stadsdeel liggen bovendien de grote (betonnen) pasar en het busstation. Het is niet te zeggen waar wat begint of eindigt. Voor een leek is dit een gekkenhuis.
De eerste paar nachten heb ik doorgebracht in hotel Elenoor. Dit hotel wordt gerund door een wat oudere dame die nog goed Nederlands spreekt en bovendien zeer behulpzaam is. Erg handig zo ver weg alleen in een vreemd land. Het is er echter wel erg rustig. Normaal gesproken heb ik hier niks op tegen, maar aangezien ik alleen ben, heb toch behoefte aan wat gezelschap. Ik besluit na enkele dagen te verkassen naar het goedkopere en dus bij backpackers wat populairdere Penginapan Beta.

Soya Atas is een leuk plaatje boven in de bergen (ca. 600 meter). Het is er aanmerkelijk koeler dan in Ambon stad. Het straatje vanuit Ambon stad loopt eerst door Soya Bawa en wordt naar boven toe steeds nauwer. Na een fikse wandeling arriveer ik in Soya Atas. Alles is er schoon en de huisjes en tuintjes zien er keurig verzorgd uit. Wat een verschil met de stad! Je hebt hier een mooi uitzicht op de stad en de baai.









Hila

Hila is een plaatje aan de noord kust. Ik heb er een bezoek gebracht aan Benteng Amsterdam. Hila komt op mij over als een verlaten oord, waar al langere tijd geen bezoekers meer geweest zijn. Net als ik over het verroeste forthek wil klimmen omdat de poort gesloten is en er verder niemand aanwezig is, komt de beheerder aanrennen. Hij maakt de poort alsnog open, alsmede een klein hout huisje waar enkele (weinig spannende) foto's en spullen geexposeerd zijn. Het kleine fort is mooi gerestaureerd en prachtig gelegen aan een azuur blauwe zee. Je kijkt in de verte uit op het eiland Seram.

Vlak bij het fort ligt de Immanuel kerk, één van de oudste kerkjes van Indonesië (zo niet de oudste). De foto is gemaakt op zondag 17 januari. De kerk is enkele weken daarna door moslims in brand gestoken. Ik denk dat dit de allerlaatste foto is...










Een opmerkelijke ontmoeting

Als ik naar de bank loop om geld te pinnen word ik aangesproken door twee Nederlands Molukse jongens. Ze staan beide tegen een zwarte Kijang aangeleund. "Ook uit Nederland?", vragen ze. Ze stellen zich voor als Mario en Stefan uit Vught. Mario is gespierd en rijkelijk getatoeerd: "Maluku" staat er met enorme letters midden op zijn buik geschreven. Hij heeft half lang haar en ziet er vervaarlijk uit. Stefan oogt veel onopvallender. Normaal postuur en kort geschoren haar. Meest in het oog springend is de handicap aan zijn linker arm. We praten nog wat met elkaar en ik vertel dat ik nog even naar het Merpati kantoor wil om wat info te vragen. "Geen probleem, we brengen je wel even met de auto." Achter het stuur van de auto zit een wel erg gespierde man van rond de veertig. Naast me zit een knap meisje met opgevouwen benen stoicijns voor zich uit te kijken. Ik bevind mij op z'n zachtst gezegd, in een opmerkelijk gezelschap. Tussen neus en lippen door vraag ik aan Mario, die voorin zit, of het meisje soms familie is uit Indonesië. Het blijkt slechts een meiske van plezier. Nu bekruipt mij een wat onbehaaglijk gevoel. Bij wat voor lui ben ik nu weer terecht gekomen? Als we terugkeren van het Merpati kantoor word ik keurig voor de deur van m'n hotel afgezet. Ze geven me hun adres (kusukusu sereh) en vertellen dat het bij hun thuis elke avond feest is. Als ik zin heb in een feestje bij hun thuis ben ik van harte welkom. Terwijl ik uitstap vraagt men mij of ik ook nog gebruik wens te maken van het lieftallige meisje. "Dan komen we haar over een uurtje of zo wel weer ophalen." Ik bedank vriendelijk, niet wetend dat ik ze later onder andere omstandigheden nogmaals zal ontmoeten.