Manusela National Park
De volgende morgen vertrekken we om zeven uur s'morgens voor de tocht.
De bedoeling is om van de zuid- naar noordkust van Seram te lopen.
Dwars door het Manusela natuurreservaat inclusief een bergkam van 1500 meter hoogte.
Tommy neemt als bagage slechts een lange broek, een trui en een kapmes mee.
Hij heeft geen schoenen aan. Maar zijn voeten zijn dan ook groot en sterk.
Tommy moet mijn zware rugzak van ik schat zo'n 25 kg dragen.
André neemt de weekendtas van ca. 15 kg.
Hij schuift zijn armen door de handvaten en draagt de tas dus op zijn rug.
Ik heb m,n kleine rugzakje met zo'n 5 kg bagage.
Na zo'n 500 meter lopen moeten we al een klein beekje oversteken.
Tot verbazing van Andre trek ik m'n schoenen uit, alvorens het beekje te doorwaden.
Aan de overkant moet ik m'n voeten natuurlijk droog maken en m'n sokken en schoenen weer aan doen.
Met die procedure ben je toch gauw 10 minuten bezig.
Volgens André zullen we vandaag nog vele, vele beekjes over moeten steken en kan ik m'n schoen in het vervolg beter aanhouden.
We moeten via een smal paadje berg op lopen.
Het wordt naar mate de zon hoger aan de hemel staat, warmer en warmer.
Met een temperatuur van 30 graden en een luchtvochtigheid van 100 procent is het zweten geblazen.
Het relatief open cultuurlandschap met kruidnagelbomen, bananenboompjes en dergelijke, veranderd geleidelijk in dichte bosvegetatie.
M'n t-shirt en korte broek zijn intussen kletsnat geworden van zowel het zweet als van het natte struikgewas waar we ons tussen door wurmen.
We hebben inmiddels al een tiental beekjes overgestoken en ik probeer met soppende schoenen het steeds steiler wordende pad naar boven te volgen.
Onderweg drink ik uit een jerrycan die gevuld is met kokosmelk.
Tommy en André consumeren water uit de talrijke bergstroompjes.
Alsof er in de tropen niet allerlei bizarre ziektekiemen voorkomen.
Naar eigen zeggen zijn zij daar immuun voor!?
Om een uur of twaalf is het eindelijk tijd om wat te eten.
Tommy maakt snel een houtvuurtje en kookt wat rijst met mie soep.
Een karige maaltijd.
We vervolgen onze tocht.
Het bos is intussen wat minder dicht geworden maar de bomen juist hoger.
We lopen nu vooral op een rotachtige ondergrond.
Vaak manouveren we op en over grote vochtige rotsblokken die begroeid zijn met mossen en algen.
Deze ondergrond is spekglad en daardoor erg verradelijk;
zeker naarmate de vermoeidheid langzamerhand gaat toeslaan.
Door mijn hoofd spookt de gedachte welke botten ik waarschijnlijk allemaal zal breken als ik hier uitglij. Ongetwijfelt Veel.
De eerste nacht zullen we in de open lucht bivakkeren.
Onder een schuin overhangende rotswand wordt het zeil en neergelegd.
Tommy verzameld behoorlijk veel hout en maakt een vuurtje om op te koken.
Pas nu valt me op dat Tommy eigenlijk alles doet: Hij draagt de zware tas, verzameld het hout, wast af en kookt.
André doet weinig. Het irriteert me dan ook dat hij behoorlijk meer betaald krijgt dan zijn neef Tommy.
Ik heb honger en verheug me op een stevige kost.
Maar de maaltijd is wederom zeer bescheiden:
Rijst, mie soep en een blikje sardientjes in tomatensaus.
Dat is dus welgeteld 1 sardientje per persoon.
Het is om zeven uur aarde donker, vochtig en kil.
Ik heb m'n korte natte broek verwisseld voor een droge lange.
Veel is er niet te doen in donker. Het is moeilijk converseren met André.
Tommy spreekt al helemaal geen Engels.
Ik heb er dan ook geen bezwaar tegen wanneer men om acht uur voorstelt om maar onder de dekens te kruipen.
Mijn plek is aan de binnenkant tegen de rotswand aan; de plaats waar je bij eventuele regen het droogst blijft.
Beide heren liggen met al hun kleren (incl. muts) onder de dekens. Ze zijn nogal kouwelijk.
De nacht is luidruchtig.
Vanaf de beboste helling tegenover ons komt een gekwaak en gebrul van jewelste.
Het wordt geproduceerd door, naar ik aanneem en fantaseer, grote dikke kikvorsen.
Mistbos
De volgende morgen ben ik al erg vroeg wakker.
Het ontbijt wordt gevormd door het eten dat gisteren avond is overgebleven: Voornamelijk koude rijst.
Voordat we op pad gaan trek ik m'n natte goedje weer aan: Schoenen, korte broek en t-shirt.
De tocht gaat verder omhoog.
Naarmate we hoger komen daalt de temperatuur en worden de bomen steeds kleiner.
Er verschijnen steeds meer boomvarens.
Bijna alles is hier overdekt met slierten mos.
Het geeft het geheel een sprookjesachtige uitstraling.
Alles is hier werkelijk door en door nat (ik ook).
Omdat er hier bijna altijd een dikke nevel hangt, wordt dit gedeelte ook wel mistbos genoemd.
Het hoogste punt dat we bereiken is ca. 1500 meter.
Ik denk dat het hier nog maar zo'n graad of 17 a 18 is.
Als je omhoog loopt is het benauwd.
Als je even uitblaast voelt het kil en klam.
Wanneer we de top passeren en omlaag lopen begint het te regenen.
Het zal de eerste en gelukkig enige bui zijn, die ons overdag treft op onze tocht.
Opzich opmerkelijk want Seram is een eiland waar de jaarlijkse hoeveelheid neerslag erg hoog is.
In eerste instantie werkt de regen verfrissend.
Later als het harder naar beneden valt, wordt het toch wel wat koud.
Na een uurtje klaart het weer op. Wolken stijgen op van de dampende bladeren.
We ontmoeten een Duitse jongen die hier op deze hoogte in zijn eentje een tent heeft opgeslagen.
Voorbij het dorp Manusela kwam hij, zo vertelt hij, tot aan z'n knieën in de modder te staan (een leuk vooruitzicht).
Hij vervolgt nu zonder gids dezelfde weg terug naar Hatumetan.
Later die dag komen we een man uit Manusela en z'n twee kinderen tegen van naar ik schat 7 a 8 jaar oud.
Ze dragen oude afgedragen kleren met gaten.
Hun gezichten en kleren zitten onder de vegen.
Ieder van hen draagt een zware mand met bamboescheuten op zijn/haar rug.
Een wat trieste aanblik. Eigenlijk zouden deze kinderen gewoon op school moeten zitten.
In plaats daarvan lopen ze hier in de modder met een veel te zware lading,
in een dag een afstand waar ik twee dagen over doe.
En dat voor ongetwijfeld niet meer dan een paar Rupias.
Het dorp Manusela
Na vandaag zo'n negen uur gelopen te hebben, komen we aan in het dorp Manusela.
We zullen hier blijven overnachten bij de kepala dessa (dorpshoofd).
Manusela is een leuk dorpje dat uitsluitend via een smal bergpaadje bereikbaar is.
Alles is erg nog redelijk primitief, puur en nog niet aangetast door toerisme.
Hier geen "hello mister" of "For you a special price...".
Ik hoop dat dit nog lang zo blijft.
Het enige wat herinnerd aan de moderne tijd, is de grote schotelantenne in de tuin van de kepala dessa.
Hij is bestemd als ontvanger voor de dorps tv (die overigens al een hele tijd defect is).
De mensen zijn hier erg klein en hebben kroeshaar.
Ze hebben (niet verwonderlijk gezien de lokatie) wel wat weg van Papoea's.
Het is zoals overal in de tropen vroeg donker en er is weinig te doen.
Er is geen elektriciteit. Een olielamp zorgt voor de verlichting.
Er wordt wat gepraat en gekaart.
De dorpsbewoners in dit afgelegen oord zijn duidelijk blij met bezoek van buitenaf.
De mensen zijn hier echt bijzonder aardig en gastvrij.
Ik vind het jammer dat ik door m'n gebrekkige Indonesich nauwelijks met ze kan communiceren.
Als maaltijd worden bamboescheuten, sago, wat smaakloze spinazieachtige groente en (onze) rijst geserveerd.
Om negen uur gaat de lamp uit. Tijd om naar bed te gaan.
De volgende morgen zijn mijn kleren nog steeds klets nat.
Ik besluit om vandaag m'n natte t-shirt niet meer aan te trekken en slechts gehuld in korte broek gekleed van start te gaan.
We worden vandaag vergezeld door groep van ongeveer 8 dorpelingen die naar de Noordkust van Seram gaan om daar spullen te kopen en verkopen.
De mannen hebben behalve veel bagage ook kokers met een klein en smal soort werpspeer bij zich.
Deze wordt gebruikt om op dieren zoals de Kuskus (nachtdiertje) te jagen.
Het terrein is (zoals de Duitser al zei) erg drassig geworden.
Je moet in de zompige en zuigende modder oppassen je schoenen niet kwijt te raken.
Behalve Tommy, lopen ook de meeste dorpelingen op blote voeten.
Het ziet er lekker verfrissend uit.
Ik kan de aanblik niet weerstaan en besluit m'n benauwde en schurende schoenen uit te trekken.
Al snel merk ik dat de wortels en stenen op de grond,
veel harder en vooral scherper zijn dan ik in eerste instantie dacht.
Totaal ongeschikt dus voor mijn tere 'Timberland' welvaartsvoeten.
Na vijf minuten heb ik m'n schoenen al weer aan.
Het regenwoud
We zijn inmiddels weer in de wat lagere regionen gekomen.
De bomen zijn hier enorm groot.
Velen halen de 40 meter, terwijl de echte woudreuzen wel 60 meter kunnen zijn.
De omtrek van zo'n boom bedraagt enkele meters.
De stammen lijken op gigantische zuilen uit een kathedraal.
Ze zijn aan de onderkant voorzien van plankwortels die de enorme gevaartes steun geven.
De stammen vertakken zich pas op relatief grote hoogte.
De broomkruinen zijn vrij vlak en grijpen in elkaar, waardoor ze er in de verte uitzien als bloemkolen.
Boven ons is regelmatig het zware geflap van overvliegende neushoornvogels te horen.
Tussen het dichte bladerdak door kun je meestal niet meer dan een glimp van ze opvangen.
Het is jammer dat je niet veel meer kunt zien van het leven dat zich in de boomtoppen afspeelt.
De kronen der bomen zijn met elkaar verbonden door een wirwar van lianen.
Overal langs de stammmen zie je de kronkelende verhoute stengels in de meest grillige patronen omhoog gaan.
Soms zijn ze draaddun, maar meestal wel meer dan arm dik. Een van de meest bekende soorten is rotan.
De stengels kunnen wel meer dan 100 meter lang zijn.
Omhoog kijkend zie je trouwens nog meer plantensoorten.
In boomholtes en takafsplitsingen (overal waar water kan blijven staan) groeien zogenaamde epifieten.
Naast varens en orchideeën, zijn er talloze bij ons bekende kamerplantsoorten te herkennen.
s'Avonds slapen we weer in een dorpje (waarvan ik de naam vergeten ben).
Ik heb flinke honger en verlang naar een eiwitrijke maaltijd met liefst ook nog veel vet.
Omdat ik weet dat het menu weer erg karig zal zijn, besluit ik om een haan te kopen en te laten slachten.
De gastvrouw zegt toe er wat lekkers van te zullen maken.
Nog voor dat we aan tafel gaan krijg ik al visioenen over kippetjes die mooi bruin gebrand aan een gril ronddraaien.
Als we aan tafel gaan ben ik enigszins teleurgesteld.
Er was geen olie voorhanden om de haan in te braden.
Nu is er een vrij smakeloze op kokosmelk gebaseerde kippensoep gemaakt.
De teleurstelling wordt nog groter als blijkt dat de stukjes kip niet veel meer zijn dan bot en pees.
De haan is erg oud en mager geweest of men heeft het echte vlees achtergehouden.
Ik vermoed een combinatie van beide.
Noord Seram
De volgende dag gaan we op pad.
s'Middags komen we in een meer open gedeelte terecht.
We zijn nu op de grens van de logging (houtkap) industrie aangekomen.
De grond is hier droger en harder.
Voor het eerst deze tocht kunnen we gemakkelijk lopen.
De paden zijn oude met gras en stekelplanten begroeide wegen waar vroeger grote vrachtwagens en bulldozers gereden moeten hebben.
In dit meer open gebied zijn ook meer dieren waarneembaar.
Vooral veel vogels als papegaaien en kaketoes.
Ik ben blij dat we de bewoonde wereld weer naderen.
Aan het einde van de dag komen we uit op een zandpad dat nog steeds in gebruik is.
Na uur lopen komt er een grote vrachtwagen aan gereden.
We kunnen gelukkig een lift krijgen naar de asfaltweg zo'n 5 kilometer verderop.
s'Avonds komen we alle drie uitgeput aan in het dorp Saka aan de noord kust van Seram.
We nemen hier een kamer bij een losmen.
Eindelijk weer normale bedden.
Omdat de weg niet verder doorloopt zullen we de volgende dag met de boot naar Wahai gaan.
Tommy en André besluiten om half twaalf naar de haven te gaan om een plaats voor de speedboot te reserveren.
Ik kan lekker gaan slapen.
Om twee uur word ik echter bruut gewekt door Andre.
Ik moet al m'n spullen pakken en direct naar de haven komen.
De boten zitten bijna vol en het is beter als ik m'n plek nu alvast zelf bezet.
Nog gebroken van de jungle trek zit om half drie s'nachts op een houten bankje in een boot.
Ik verlang naar een rustig wit strandje en een groot bord vet eten.
Om half zes vertrekt de boot.
In Wahai blijkt de bus naar Masohi al vertrokken te zijn.
We gaan daarom net als veel andere mensen, achter in de stalen bak van een vrachtwagen mee.
De rit naar Masohi duurt ruim drie uur en gaat over een slechte en bochtige asfaltweg.
In Masohi overnacht nog een keer in het hotel.
De volgende morgen ga ik met een speedboot van Amahai terug naar Ambon.
Ik verheug mij op een relax weekend aan het strand met veel en vooral vet eten.
|