Naar Seram

Ik had van tevoren thuis bedacht dat ik op Seram een jungle trek wilde doen door het onherbergzame regenwoud aldaar. Seram is een behoorlijk groot eiland van ca. 60 km breed en 350 km lang. Veel van de kustdorpjes op Seram zijn alleen per boot te bereiken. Het grootste gedeelte van het binnenland is nog onbewoond en moeilijk toegankelijk.



Er zijn diverse manieren om Ambon naar Seram te gaan. Ik heb besloten om met de bus te gaan. Ik moet een dag van te voren een kaartje kopen op het chaotische en onoverzichtelijk busstation van Ambon. Na veel navraag en gezoek blijkt dat een klein tijdschriftenkraampje helemaal achteraan de Pasar Mardika de kaartjes voor de betreffende bus verkoopt. Achteraf blijkt ook nog eens dat ik veel te veel betaald heb voor mijn zo moeizaam verkregen ticket.
De volgende dag vertrekt de bus om 6 uur s'morgens. Na een half uurtje rijdt de bus een veerboot op en wordt op Seram weer afgezet. Op de boot ontmoet ik André uit Amahai. Hij spreekt een heel klein beetje Engels en verteld mij dat hij trektochten en andere toeristische uitstapjes op Seram regelt. Ondanks zijn wat klunzige manier van doen komt hij wel betrouwbaar over en we spreken af in m'n hotel in Masohi om het één en ander nog eens door te spreken. Ik bedenk dat, als hij me dan niet bevalt, ik altijd nog opzoek gaan naar een andere gids. In Masohi aangekomen ontdek ik dat het vinden van een goede gids geen probleem hoeft te zijn. In mijn hotel Masohi Manise (volgens mij het enige hotel op Seram) komen zich die zelfde avond nog twee andere zogenaamde gidsen melden. André lijkt me echter toch nog steeds de beste keus. We spreken die zelfde avond nog een prijs af: 300.000 Rp voor de hele tocht (1 gulden = 4.500 Rp). Te beginnen en te eindigen hier bij het hotel. De tocht zelf zal vier tot zes dagen gaan duren. Zijn neef Tommy zal meegaan als drager voor 20.000 Rp per dag. Ook het voedsel zal voor mijn rekening komen evenals een nieuwe pan om in te koken.
's Morgens vroeg komt hij me ophalen met zijn doorgeroeste auto en gaan we eerst boodschappen doen bij de plaatselijke toko: Tien kg rijst een stuk of zes mie soepjes en vier blikjes tonijn in tomaten saus. De tien kg rijst lijkt me wat erg veel voor drie personen. Maar goed, André is de expert. Bij André thuis wordt mijn rugzak ontdaan van overbodige spullen en dat is bijna alles (in de ogen van André): Klamboe (ondanks de malaria), trui (ondanks de kou), boeken ("Er is toch geen licht s'avonds!"), sokken, onderbroeken ("Trek thuis maar weer wat schoons aan."). Uiteindelijk sta ik een beetje beduusd te kijken naar wat er nog over was: Een fototoestel, tandenborstel, lenzedoosje/vloeistof/bril, een lange broek, een vest en een paar sokken. Alles moet zo ligt mogelijk zijn en alleen de aller belangrijkste zaken konden mee. Volgens André zijn dat: Een grote dikke zware deken, een grote dikke zware mat en een groot dik zwaar zeil (want: "We moeten toch ergens op en onder slapen!"). Wat krijg ik plotseling een spijt dat ik m'n lichtgewicht kampeeruitrusting niet gewoon heb meegenomen...


Tehoru en Hatumetan

Bepakt en bezakt (mijn grote rugzak, André's grote weekend tas en mijn kleine rugzakje) vertrekken we met de bus richting Tehoru. In Tehoru houdt de weg op en moeten we voor het laatste stuk naar Hatumetan een bootje charteren. Het wordt een krakkemikkige houten kano uitgerust met een weinig indrukwekkende buitenboordmotor. We pruttelen met z'n drieën in ruim een uur naar de overkant. Gelukkig is de zee spiegelglad. Golfslag van enige betekenis zou funest zijn voor dit (niet- en onzeewaardige vaartuig).
In Hatumetan blijven we bij neef Tommy slapen. De familie is net als de rest van het dorp arm. Het eenvoudige huisje van Tommy en zijn vrouw is van binnen zo goed als leeg. Er staan welgeteld één houten stoel en een houten bankje. De stoel is voor mij. Want er geldt: "De belangrijkste persoon = de gene die betaald." Het bankje is voor André en de rest van de familie moet maar een plaatsje op de zanderige vloer zien te vinden.