Jos De Gruyter komt voort uit de wereld van de kunstkritiek. In de jaren twintig
en dertig was hij als redacteur werkzaam voor uiteenlopende magazines als
De Nieuwe Gids,
De Stem, Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift
en Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur.
In zijn kritieken in onder andere het Haags dagblad Het Vaderland
gaf hij helder aan hoe de moderne kunst te begrijpen is. Als een van de eersten
bewonderde hij het werk van Mondriaan. In 1950 was De Gruyter voorzitter van
de jury van de Jacob Marisprijs die op 23 juni Ouborgs tekening Vader
en zoon bekroonde. Deze prijstoekenning riep woedende reacties op. De
Gruyter publiceerde boeken als Van Daumier tot Steinberg: meesters van de spotprent
(1953), De
Haagse School (1968/1969) en Beeld en interpretatie (1964).
Een publicatie die in feite de neerslag is van zijn cultureel-historische ideeëngoed
vormt het standaardwerk Wezen en ontwikkeling der Europeesche
Schilderkunst na 1850 (1935). In 1954 beleeft deze uitgave een
uitgebreide herdruk. In de inleiding schrijft hij: Pas als de kunstenaar
zich vereenzelvigt met het te schilderen onderwerp (
), kan hij doordringen
tot verborgen essentiële kernen, een uitspraak die in feite ook zijn houding
ten aanzien van kunst illustreert.
Voor de huidige
conservator voor moderne kunst van het Groninger Museum Han Steenbruggen zijn
Gruyters schrijfsels een voorbeeld: In een interview naar aanleiding van
de tentoonstelling Keerpunt: keuze uit het aankoopbeleid W. Jos de Gruyter
(1955-1963) verwoordde Han Steenbruggen zijn bewondering voor hem als volgt:
Wat hij over kunst schreef, spreekt mij aan. Hij schreef nooit hoogdravend;
wat hij deed was een brug slaan tussen kunst, kunstenaar en publiek; op een
goede, open manier, niet de afstand tussen kunst en publiek benadrukkend. Hij
beschouwde zichzelf als een soort doorgeefluik. Dat deed hij al toen hij nog
recensent bij Het Vaderland was, in alle rust uitleggend, op een heel kundige,
erudiete manier. Dat je bijvoorbeeld in kunst altijd de mens blijft herkennen,
dat kunst over mensen gaat, hoe mensen er over denken. Ook toen hij hier directeur
was.
De
Nederlandse museumwereld stond in de jaren vijftig in het teken van de revolutie
van Sandberg. Willem Sandberg, die in 1945 directeur van het Stedelijk
Museum Amsterdam werd, maakte in korte tijd van deze gemeentelijke instelling
een museum van internationale allure. Hij organiseerde spraakmakende tentoonstellingen,
waardoor hij de meest recente stromingen aan het publiek kon presenteren, zoals
de Cobra-beweging en het Amerikaanse Abstract Expressionisme.
Toch zijn
de stromachtige ontwikkelingen in de moderne kunst na de Tweede Wereldoorlog
zeker niet aan Groningen een provincieplaats groot genoeg voor
eigentijdse kunst, maar te klein om er een mode van te maken, zoals Henk
van Os het ooit treffend uitdrukte voorbijgegaan. Want ook toen waren
er, in of buiten De Ploeg, kunstenaars die wel degelijk verder keken dan de
noordelijke horizon, en invloeden van wat zij daar aantroffen zichtbaar maakten
in hun werk.
Begin jaren
vijftig, wellicht onder invloed van Sandbergs revolutie, ontstond ook in het
hoge Noorden behoefte aan museale vernieuwing. Het Museum van Oudheden voor
provincie en stad Groningen was in die tijd een ouderwetse instelling, die zich
vooral bezighield met de regionale archeologie en geschiedenis, kunstnijverheid
(voornamelijk Oosters en Europees porselein en zilver) en beeldende kunst van
de zestiende tot en met de negentiende eeuw. Er werd een zeer statisch beleid
gevoerd dat zich met name richtte op het beheren van de vaste collectie. Aan
tijdelijke exposities werd weinig aandacht geschonken en het kleine aantal dat
georganiseerd werd kon nauwelijks spraakmakend genoemd worden.
De Groningse
kunstenaar Martin Tissing in een interview naar aanleiding van de tentoonstelling
Keerpunt: In de tijd voor De Gruyter bestond de collectie
van het Groninger Museum uit munten, penningen, wapens, het poppenhuis van Wilhelmina,
het beulszwaard van Okko Kluun. Maar in 1955 kwam Jos de Gruyter, en toen las
je in de jaarverslagen hoe het verder moest met de beeldende kunst in het museum
en wat eigenlijk in de verschillende borgen in de provincie thuishoorde.
Het
was inderdaad een ouderwets, veronachtzaamd museum. Men miste haast alles wat
nodig was: te weinig personeel, geen stofzuiger, geen typemachine. Wel een boekhouder,
die elk geschenk, tot het onbenulligste toe van een nummer voorzag en in allerkeurigst
schrift in een dik boek inschreef, merkte De Gruyter zelf niet zonder
ironie op in zijn memoires. Voorts waren er een aantal museumruimtes getransformeerd
tot stijlkamers die niet geschikt waren voor tijdelijke tentoonstellingen of
voor het presenteren van werk uit de vaste collectie.
Na de dood
van de toenmalige directeur prof. Dr. A.P.A. Vorenkamp (in 1953), zou daar verandering
in komen. Binnen de Groninger kunstwereld gingen steeds meer stemmen op om meer
recente kunst, in het bijzonder het werk van de oude Ploeg te gaan
verzamelen. Het zijn deze vooruitstrevende krachten die uiteindelijk de benoeming
van W. Jos de Gruyter bewerkstelligen. Henk Schulte Noordhof, hoogleraar-directeur
van het Instituut voor Kunstgeschiedenis van de Rijksuniversiteit Groningen
en lid van de Commissie van Administratie van het Groninger Museum benaderde
De Gruyter voor een functie als museumdirecteur in Groningen. De keuze viel
op Jos de Gruyter, vanwege diens uitstekende kennis van de kunst en uitgesproken
belangstelling voor de kunstenaars van De Ploeg. De Gruyter wilde zich bewijzen
in zijn nieuwe rol en wist dat hij in Groningen pionierswerk moest verrichten.
Kranten noemden hem de Sandberg van het Noorden, maar hij was zich
ervan bewust dat hij de directeur van het Stedelijk Museum niet kon nabootsen.
In zijn autobiografie schrijft hij: (
) ik wist dat ik niet de doortastendheid
van Sandberg bezat, bovendien lag het helemaal niet in mijn lijn de zaak op
zon drastische wijze aan te pakken. Ik geloofde in evolutie, niet in revolutie.
Ik zou voorzichtig te werk gaan, langzaam het vertrouwen winnen van die toch
wat trage en conservatieve Grunningers. Geen Sandbergje spelen in het hoge Noorden,
dat zou uitlopen op een fiasco.
Han Steenbruggen:
Zonder hem was het Groninger Museum ook wel eigentijds geworden. Hij was
geen revolutionair in die zin, hoogstens een gematigde. In ieder geval niet
zo radicaal als Sandberg in het Stedelijk. Anders dan Sandberg wilde De Gruyter
niet uitsluitend aandacht schenken aan actuele ontwikkelingen binnen de kunst
en cultuur, maar ook de andere museale afdelingen tot hun recht laten komen.
(
) ik zie niet in, waarom begrippen museum en cultuurmuseum
niet samen kunnen gaan, aldus De Gruyter in een lezing over aankooppolitiek.
Wobbe Alkema
omschreef de komst van De Gruyter als volgt: de komst van Jos de Gruyter
als de nieuwe directeur van het Groninger Museum bracht een geweldige verandering
teweeg in het wereldje van de beeldende kunst. Niet alleen dat in het museum
zelf zo veel veranderde, maar ook de verhouding tot de stad, de bevolking, en
in het bijzonder tot de kunstenaars en de mensen die zich voor kunst interesseerden,
werd anders en beter. De Gruyter en zijn vrouw Catharina zochten en vonden als
gauw persoonlijk contact met de kunstenaars. Er kwamen heel andere tentoonstellingen
en het museumbezoek nam geweldig toe. Ad Petersen, ex conservator van
het Stedelijk Museum Amsterdam verwoord in zijn boek De Ploeg. Gegevens
omtrent de Groningse schilderkunst in de jaren twintig: Ik heb zelden
iemand ontmoet die met een zo indringende aandacht komt kijken en luisteren,
die zich met zoveel geduld en respect kon verdiepen in andermans werk. Hij was
voor velen en ook voor mij een inspirerend voorbeeld hoe met kunst
en kunstenaars om te gaan.
Daar
de opbouw en aanvulling van de schilderijenafdeling van het museum [
]
de uitbreiding van andere afdelingen niet uit het oog (mocht) doen verliezen,
wilde Jos de Gruyter veel aandacht besteden aan oude kunstnijverheid en keramiek.
Op het gebied van beeldende kunst stippelde hij drie lijnen uit: het lokale
Groningse aspect, het creëren van het beeld van de algemene moderne kunsthistorische
ontwikkeling en de aankoop van werk van contemporaine kunstenaars. Han Steenbruggen:
In zijn beleidsnota lag het accent op presentatie, collectie, conserveren
en stimuleren. Zijn voordrachten hadden een doel, zij waren uitingen van zijn
behoefte mensen te laten delen in wat hij belangrijk aan kunst vond. En hij
stimuleerde jonge kunstenaars. Vooral hier, dat is intussen helemaal verloren
gegaan. Hij zag het als zijn taak kunstenaars bij elkaar te brengen, wat bijvoorbeeld
leidde tot de oprichting van de Groep NU. Dat tekende die man. Hij gaf hen de
gelegenheid in het Groninger Museum te exposeren en hun werk aan te kopen, tegen
de zin van het bestuur.
In zijn eerste
jaarverslag van 1955 geeft De Gruyter aan, dat het streven er voortaan
mede op gericht zal zijn aandacht schenken aan de eigentijdse kunst. De
Gruyter wilde dit op twee manieren bereiken: enerzijds door de geleidelijke
opbouw van een moderne collectie en anderzijds door (de) organisatie
van regelmatige tentoonstellingen, die voordien meer sporadisch gehouden werden.
De daad meteen
bij het woord voegende stelde de kersverse directeur kort na zijn benoeming
voor, de naam van het museum te veranderen in Groninger Museum voor Stad en
lande. Dit, omdat de vroegere naam toch al niet aan de feitelijke situatie
beantwoordde en van de verzameling een te eenzijdig beeld gaf. Op aanraden
van De Gruyter besluiten de besturen van de provincie, de gemeente en het museum
de krachten te bundelen en de gelden voor kunstaankopen onder een stichting
samen te brengen. In 1956 wordt daartoe de Stichting Groninger Kunstbezit
opgericht.
Volgens H.W.
van Os werd er te weinig beseft dat buiten de kring van direct betrokkenen de
museummensen een beslissende invloed kunnen hebben op ontwikkelingen in de moderne
kunst. Een systematische geschiedenis van de wisselwerking van kunstbeoefening
en verzamelen moet nog worden geschreven. Voor de Groningse situatie van
na de oorlog kan men in ieder geval vaststellen dat van de aanwezigheid van
W. Jos de Gruyter een zeer stimulerende invloed op het kunstleven is uitgegaan.
Daarbij is het van belang zich opnieuw te realiseren dat dit kunstleven zich
afspeelde in een betrekkelijk isolement, waardoor nieuwe impulsen door hen die
daarvoor gevoelig waren, des te intensiever werden ervaren. De uitstraling van
enkele sterke individuen is in zon milieu beslissend. In een grootstedelijke
omgeving plegen verschillende cercles elkaars invloed meestal zo
niet te neutraliseren dan toch in elk geval te relativeren.
Wat de schilderkunst betreft zou de aandacht allereerst gericht zijn op
de samenstelling van een representatieve verzameling van Groninger kunstenaars.
Meer dan zeventig werken van verschillende leden van De Ploeg zou De Gruyter
uiteindelijk aankopen en daarmee een kern Ploeg-werken bij elkaar[
]
brengen van het allerhoogste niveau. Om een zo compleet mogelijk beeld
te
schetsen werd er werk aangeschaft uiteenlopend van Jan Wiegers en Johan Dijkstra, die De
Gruyter zag als de leidende figuren in de vroege jaren van De Ploeg, tot minder
bekende figuren, zoals bijvoorbeeld Wobbe Alkema en Jan Jordens toen nog waren.
Nog vóór het einde van 1955 kon een vijftiental druksels van Werkman worden
verworven, twee schilderijen van Jan Wiegers en vijf schilderijen (waaronder
Compositie op wit fond, 1955) en een aquarel van Jan Jordens. Han Steenbruggen:
Hij had bijvoorbeeld niet veel op met geometrische-abstracte kunst. Ploegkunstenaar
Wobbe Alkema verzamelde hij bijvoorbeeld pas na 1960 (Compositie met diagonaal,
1924 en zie afbeelding links midden: Compositie (VII), 1926). Wat De
Ploeg betreft, viel hij niet eens zozeer voor de experimentele De Ploeg, het
heftige Expressionisme en de kleurexperimenten. Hij viel juist voor de lyrische
kant van De Ploeg, de geschilderde dromerijen. H.W. van Os: De Gruyter
was selectief, maar niet bevooroordeeld en dat werkte voor velen als een geweldige
stimulans, maar voor sommigen als een bedreiging. Bovendien, er kwamen
moderne kunst tentoonstellingen in het museum. Van Cobra-schilderijen, van de
Ecole de Paris Hartung, Bazaine, Bissière
(tentoonstelling van moderne kunst uit het Van Abbemuseum) van Nanninga,
Ouborg, Benner, maar ook van Goya, Paula Mo
dersohn-Becker,
Josef Israëls en van modern figuratief als Kees Verwey (Portret:
Vrouw met sigaret, 1947/48 en Zelfportret, 1957). Bijna ongemerkt werd het Museum
van oudheidkamer met een enkele gerichte plaatselijke activiteit tot een cultureel
brandpunt. Henk van Os: Elke dag zag je er plaatselijke kunstenaars rondlopen.
Sommige oudere schilders, die zich absoluut niet meer thuis voelden in het traditionalistische
milieu van De Ploeg vatten moed en vonden aansluiting in hun werk
op wat er in de moderne kunst aan de hand was. Van der zee beleefde veel aan
Benner, Jordens deed een flinke scheut Poliakoff in zijn werk. Zelfs aan het
constructivistische werk van Wobbe Alkema ging de ontmoeting met schilders als
Hartung en Menessier niet geheel ongemerkt voorbij.
De Gruyter
zocht ook naar werken om de context van de Groninger kunstbeweging te schetsen.
In de eerste plaats kocht hij enkele werken van Ernst Ludwich Kirchner (zie
afbeelding links boven: Stilleven met plastieken, 1912 en Meisje met kind,
1919) en Karl Schmidt-Rottluff (Winterse stilte, 1947) aan, de belangrijkste
Duitse expressionisten van de groep Die Brücke, omdat de geschiedenis
van De Ploeg daar onlosmakelijk mee verbonden is. Verder ook nog een schilderij
van Georg Grosz (?). Daarnaast besteedde De Gruyter aandacht aan het Expressionisme
in brede zin met de aankopen van werk van onder andere Paula Modersohn-Becker
(Oostfries meisje in de duinen, 1903 en Koe in weiland, 1904), Charley Toorop
(zie afbeelding rechts boven: Zelfportret met drie kinderen, 1929 en
Seringen, 1955), Herman Kruyder (zie afbeelding links: Het laatste landschap,
1935; Uitgebloeide zonnebloem, z.j. en Tuin met hond en zonnebloemen, z.j.)
Hendrik Chabot (Lachende boerenvrouw, 1945) en John Rädecker (Gnoomkop, 1921).
Deze laatste zag hij, naast Hildo Krop, als een van de belangrijkste stuwende
krachten op plastisch terrein.
De Gruyter was ook
een kenner van de Haagse School, en kocht schilderijen van Johannes H. Weissenbruch
en Paul J.C. Gabriël. Ook de schilderijen van George H. Breitner, Isaac Israëls (Portret dhr. Mennes, z.j.)
en Suze Robertson (Atelier-interieur met schoorsteenmantel, z.j.) passen in
deze lijn.
H.W. van
Os: Er zijn kunstkenners die uitvoerige verhalen vertellen om schilderijen
en beelden uit te leggen. Anderen weten ze daarentegen heel dichtbij te brengen
zonder veel te zeggen. Zo iemand was Jos de Gruyter, directeur van het Groninger
Museum in de jaren vijftig. Wanneer ik vroeger met hem door het museum mocht
lopen, voelde ik me vereerd maar tegelijkertijd ook soms lichtelijk ontredderd.
Regelmatig bleef hij heel lang zwijgend voor een schilderij staan om daar tenslotte
maar een paar woorden aan vuil te maken. Op een dag bracht De Gruyter me naar
een vreemd, indringend schilderij van Herman Kruyder, Het laatste landschap
(zie afbeelding links). De Gruyter zei daarover niet veel meer dan: Kijk
Henk, dit is het einde. Daar kun je nooit meer bij.
Met zijn
schenking van Compositie met zwart ovaal (1947) van Piet Ouborg in 1955 maakte
De Gruyter een
begin
aan de collectie hedendaagse Nederlandse kunst. Over de aankoop van de modernen
schreef hij dat dit altijd een onzekere zaak was, maar dat een museum een
sociale verantwoording heeft en niet alleen moet conserveren, maar ook
moet stimuleren. Ook schonk De Gruyter in 1956 het moderne beeld Plastiek (z.j.)
van Toon Kelder, een tekening van Gerrit Benner en een schilderij van de Vlaamse
kunstenaar Jacob Smit aan het Groninger Museum.
De Gruyter verzamelde
zowel vooroorlogse expressionisten als eigentijdse, voor wie hij een persoonlijke
voorliefde had. Het lyrische doek Mon Abri uit 1959 (zie afbeelding rechts)
van Jaap Nanninga is hiervan een voorbeeld. Deze collectie breidde hij in de
loop der jaren uit met eigentijdse schilderkunst van onder andere de Nederlanders
Henri Kley (Kust bij Oslo, 1954 en Boomgrens Lapland, middernachtzon, 1957)
en Jan van Heel (Stilleven, 1954 en Duiven in sneeuw, 1955) en de lyrische abstracten
Jef Diederen (Feest van Joodse kinderen II, 1961), Gerrit Benner (zie afbeelding
links: bomen, 1955 en Paard in weide, 1960), Job Hansen
(Paardenboxen,
1958 en Wielrijdster aan de gracht, 1955) en Duncan (Compositie: Laisse moi
le temps, 1956; Compositie: Alors jy tiens, cest humain, 1956 en
Les Sapins spirales, 1955).
Uit geldgebrek
moest De Gruyter een stadium overslaan: de dramatische schilderijen waarmee
Cobra direct na de oorlog furore maakte waren al onbetaalbaar toen hij aantrad.
Slechts één Constant en één Appel vullen het hiaat. Han Steenbruggen: Maar
hij had duidelijk voorkeuren. Hij had bijvoorbeeld niet veel op met Cobra. Dat
was hem te extreem, te wild, te ongenuanceerd. Ze werden later bemachtigd
door de Groningse kunsthistoricus Bram Westers, die het museum van 1963 tot
1978 leidde, samen met Paul de Vries, de eerste conservator beeldende kuns
t.
Tot slot
maakte De Gruyter een begin met enkele kleine collecties. Een goed voorbeeld
is die van de moderne, toentertijd inNederland onderbelichte, kunst van onze
zuiderburen, waarin onder andere werken van Frits van der Berghe (De mens, 1933)
en Jacob Smits (Mansportret, 1906 en Park te Brussel, ca. 1920-1925) een plaats
vonden. Franse en veel Duitse kunstenaars kon De Gruyter wegens budgettaire
beperkingen niet aankopen en daarom richtte hij zich op, naar zijn mening kwalitatief
hoogstaande, Belgische kunst.
Wester en
Vries voegden later aan de verzameling Expressionisme het luchtiger werk toe
van jongere Belgische schilders als de Vlamingen Roger Raveel, Raoul de Keyzer
en Etiene Elias en ook Reinier Lucassen: de Nieuwe Fuguratieven, die herkenbare
huis-, tuin- en keukentafereeltjes opvoerden of vrolijke toespelingen maakten
op de overvloed aan hebbedingetjes in de consumptiemaatschappij.
De Gruyter
was niet alleen de stimulerende kracht achter de vorming van de collectie moderne
kunst, maar ook achter de plannen voor een nieuw te bouwen museum aan het prinsenhof.
In een verhandeling over de snel groeiende collectie moderne kunst van het museum,
schrijft De Gruyter hoopvol: Het wachten is nu op de ruimte om dit alles
eens goed te kunnen exposeren. Het was voor De Gruyter een enorme teleurstelling
dat de plannen, die in een vergevorderd stadium waren en waaraan jaren werd
gewerkt, uiteindelijk geen doorgang vonden.
De
geboorte van NU heeft, anders dan men wellicht zou veronderstellen, niet plaatsgevonden
in de kleine uren aan de vermaarde stamtafel van de Wolthoorn, maar ten huize
van Dr. L. Meyler, internist in Groningen, op 3 maart 1959 om 21.05 uur. Daarvóór
was een bijeenkomst geweest van belangstellenden in eigentijdse kunst naar aanleiding
van een rede door Prof. Schulte Nordholt ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan
van De Ploeg. Tot de aanwezigen behoorden naast Dr. Meyler, De Gruyter, Mr.
Hangelbroek, secretaris van Provinciale Staten, M. van Dijk, beheerder van de
befaamde galerie De Mangelgang aan de Lage der A en Jur Wijngaard, bekend verzamelaar
van kunsten drukker. Men was van mening dat Groningen op het gebied van de beeldende
kunst toe was aan een nieuwe impuls. Men vroeg zich af of diverse 'loslopende'
kunstenaars konden worden overgehaald in groepsverband hiertoe een bijdrage
te leveren. Wel was men zich ervan bewust dat het genootschap niet een bepaalde
stroming vertegenwoordigde, zoals destijds bijvoorbeeld Der Blaue Reiter, Die
Brücke of De Ploeg.
De volgende
kunstenaars waren van de kunstenaarsgroep NU lid: Henny Arkema, Karel Arkema,
Jasper Bos, Jan Bosboom, Wim Bouwsma, Joop van Dijk, Jan Jordens, Abe Kuipers,
Jan Loman, Klaas Sans, Piet Snel, Martin Tissing, Henri de Wolf en Jan van der
Zee. De Groningse beeldende kunstenaar Martin Tissing (1936) heeft De Gruyter
nog persoonlijk gekend en de vruchten van diens beleid kunnen plukken. Hoe Groningen
door het bewind van De Gruyter de moderne en eigentijdse kunst leerde kennen
verwoordde hij als volgt: Moderne kunst, dat vond je begin jaren vijftig
in het Van Abbemuseum en het Stedelijk, maar niet in Groningen. Alles wat moderne
kunst aanging, werd op de Groningse kunstacademie Minerva buiten de deur gehouden.
Ploegkunstenaar Jan van der Zee had daar op school gezeten, maar alles wat hij
buiten de academie schilderde, werd beschouwd als pornografie. Het officiële
Groningse kunstleven bestond uit kunstnijverheid. Van De Ploeg had toen niemand
gehoord. Cobra was toen beroemd, maar niet in Groningen. Ik was van al mijn
klasgenoten de enige die een eigen atelier had. De meeste studenten werden later
leraar, Fietje Werkman was huisvrouw. Maar toen was Jos de Gruyter directeur
van het Groninger Museum geworden, en met zijn steun formeerden tien jonge Groningse
kunstenaars zich als Groep
Weer met beide benen op de grond, bleek het geen sinecure een eerste tentoonstelling
te organiseren. Het bestuur van het kunstgenootschap Pictura, de meest voor
de hand liggende locatie, legde in die tijd een bijzondere vindingrijkheid aan
de dag dit te verhinderen. Het werd Jos de Gruyter, medebestuurslid van Pictura,
op een gegeven ogenblik te veel en hij stelde zijn museum ter beschikking. Bij
de opening van de expositie Nu: nieuwe Groningse kunstenaarsgroep
van 22 oktober 20 november 1960 meldde hij op zijn eigen poëtische wijze:
'In de benaming van Nu ligt voorzover ik weet het enige program. Maar onder
de sterren die we aan de hemel zien, zijn er die duizend of meer jaar opgehouden
hebben te bestaan. En door rotsschilderingen worden we ook nu nog gegrepen.
Nu is waar het komende en het voorbije in elkaar overvloeien. De reacties
in de pers waren nogal divers. In de plaatselijke bladen deden de recensenten
moeite hun eigen lidmaatschap van De Ploeg aan het oog te onttrekken. Hendrik
de Vries ging dit moeilijker af dan Johan Dijkstra. De laatste ging in zijn
waardering zo ver dat enkele exposanten er gelukkig mee waren, anderen, zoals
het hoort, er geen goed woord voor over hadden. 'Vergeleken met wat ik veelal
in Holland zie, kan het werk best meedoen; excessen, barbarisme of nozemisme
hebben we hier gelukkig (nog) niet! Alleen is het formaat meestal bescheidener
dan de laaiende werken in het Stedelijk Museum van Amsterdam.'
De Gruyter wilde de eigentijdse kunst niet alleen onder de aandacht brengen
door middel van aankopen, maar ook middels wisselende tentoonstellingen. Hun
aantrekkingskracht en hun stimulerende, propagandistische werking zijn nu eenmaal
groot schreef hij in het jaarverslag over 1955 (zie afbeelding links
boven: Johan Dijkstra: Negerportret, 1926 GrM; afbeelding rechts: Hendrik
Nicolaas Werkman: Stadsgezicht met sneeuw (Hoge der A), 1922 GrM; l.o. Jan Altink:
Portret van Job Hansen, 1924 GrM). Als belangrijke eigen, zelf samengestelde,
tentoonstelling beschouwde De Gruyter het overzicht 35 jaar moderne kunst
in Groningen uit 1956. Met deze expositie heeft hij de aandacht van de
Nederlandse pers getrokken en met één slag enige algemene bekendheid gegeven
aan wat er in de Martinistad geleefd had sedert de oprichting van De Ploeg in
Jos de Gruyter plaatste
het accent op de jaren twintig. Van enkele Ploegleden liet hij alleen
werk
zien uit die periode, van andere die in zijn ogen een interessante ontwikkeling
hadden doorgemaakt werd ook het recente werk getoond. Johan Dijkstra was vertegenwoordigd
met zeven schilderijen en Altink met vijf, maar alle twaalf dateerden ze van
vóór 1930. De traditionalistische schilders werden in verhouding qua ruimte
nogal karig bedeeld. De stimulans èn de bedreiging die daarvan
uitging kan men proeven in een artikel van Johan Dijkstra, zelf geen voorstander
van de abstracte kunst, naar aanleiding van de geruchtmakende tentoonstelling
35 jaar moderne kunst in Groningen in het Nieuwsblad van het Noorden
van 22 en 26 september 1956: Ik apprecieer veel op deze tentoonstelling
en vooral ook de ijver en liefde van de heer De Gruyter, die dit alles met moeite
en zorg heeft samengebracht, opgediept mogen we wel zeggen. Alleen vind ik het
jammer dat er verscheidene goede schilders niet vertegenwoordigd zijn, kwalitatief
doen ze m.i. niet onder voor veel uit deze groep wèl-geëxposeerden. Is hun werk niet
modern genoeg? Uit de na-oorlogse periode vond De Gruyter
namelijk alleen Het Narrenschip (1950) het vermelden waard. Hij
beschouwde deze oprichting ervan als de hergroepering van De Ploeg waar Werkman
in 1938 al op gezinspeeld had in het manifest Preludium: Zal
de Ploeg zich voor het volgende vijfjarenplan een nieuwe leus versch
affen?
Waarheen leidt de groei? In de richting van een Ploeg tot Nut van t Algemeen,
of naar een hergroepering?
Ekke Kleima,
Jan Jordens, Jan van der Zee, Abe Kuipers, Coen Schilt, Piet Snel en Wobbe Alkema
werden lid van Het Narrenschip. Binnen deze groep bestaat een voorkeur voor
moderne kunst, maar heldere uitgangspunten kent ze niet. In 1957 hield de groep
op te bestaan. De oprichting van Het Narrenschip moest in de eerste plaats worden
gezien als een symbolische daad van verzet, een breekpunt in een expressionistische
traditie die zijn kracht had verloren.
Jos de Gruyter
zijn interpretatie, zijn visie, uit de catalogus 35 jaar moderne kunst
in Groningen: Dertig jaren geleden rond 1925 bloeide
in Groningen een kunstleven, dat vrijwel elke Europese provinciestad ons had
kunnen benijden. Weinigen zagen of begrepen in die dagen wat er gaande was in
de schaduw van de Martinitoren. Veeleer meende de burger, dat hij voor de mal
werd gehouden, terwijl de overheid zich (nog) niet met netelige kunstzaken ophield.
Maar gebrek aan erkenning mocht niet deren; want zoals de meester-drukker Werkman
het achteraf zei: De top van de Hondsrug was ongenaakbaar. Te velde
trekkend tegen de Philisterei en worstelend elk op zijn eigen wijze om de nieuwe
beeldende vrijheid van de twintigste eeuw te veroveren, had een kleine groep
kunstenaars zich ferm aaneengesloten in de Groninger kunstkring De Ploeg.
Misschien
klinkt het bovenstaande dramatisch, zelfs heroïsch, maar zó moet men het toch
ook weer niet zien. Er kwam stellig moed en ook overmoed aan te pas, maar geen
zwaarwichtigheid of opgeblazen pathos. Het is juist het onbekommerd élan van
de oude Ploegleden, dat weldadig aandoet. Hun natuurlijke spontaniteit, hun
onbedorven soms roekeloze durf. Zij hadden iets van natuurtalenten, hoe onnatuurlijk
zij ook schilderden in het oog van stad- en tijdgenoot. Weinig of geen berekening.
Absoluut geen dekadentie, zelfs niet wanneer Hendrik de Vries lugubere fantasmagorieën
met pen of penseel opriep, wanneer Werkman of Jordens op eigen houtje een soort
Dada met onbeproefde technieken bedreven. De Ploegleden waren wel
het tegendeel van wat de Engelsman sophisticated noemt. Zij zochten
een doorbraak uit het provinciaal isolement en assimileerden van het buitenland
wat zij meenden te kunnen gebruiken, maar zij namen geen theorieën over en hadden
nauwelijks een gemeenschappelijk program. Zij vierden alleen de teugels van
hun vrije kunstenaarschap, publiceerden zo nu en dan vlammende geschriften en
schilderden in dit stugge zware Noorden? met een beurtelings speelse
en drastische fantasie, waarvoor het moeilijk blijft ook achteraf een steekhoudende
verklaring te vinden.
Van de meer
dan tachtig tentoonstellingen die De Gruyter tijdens zijn directeurschap organiseerde,
moeten zeker die van Charley Toorop en Suzanne Valadon (1955), Gerrit Benner
(1956) en Paula Modersohn-Becker (1958) genoemd worden. Martin Tissing: Jos
de Gruyter was op zn best als hij zelf een tentoonstelling gemaakt had.
Hij kon prachtig spreken. Dan beklom hij tijdens openingen zon ouderwetse
hoge katheder, terwijl het publiek op Hettema-stoelen zat, en dan hield hij
een inleiding. Niet op een gewone manier, nee, hij weest dingen aan, liep er
naar toe, wees van links naar rechts, bijvoorbeeld naar een schilderij van Paula
Modersohn-Becker. En wij draaien onze hoofden mee, van links naar rechts, als
bij een tenniswedstrijd. Dan was het doodstil in de zaal hij had ze in
de ban. Want hij bezat zoveel kennis, die droeg hij niet nadrukkelijk uit, dat
voelde je als hij sprak.
Voor het eerst in
de geschiedenis van het Groninger Museum werden op grote schaal tentoonstellingen
georganiseerd in samenwerking met andere musea, waardoor het mogelijk was om
grote namen aan het Groningse publiek te presenteren. Te denken valt aan de
expositie over Edvard Munch (1959), de collectie Stedelijk van Abbemuseum te
Eindhoven (1957) en Keerpunten in de Nederlandse schilderkunst 1920-1960 (1960),
waarin werk getoond werd van Mondriaan, Van Dongen en Van Leck tot Karel Appel,
Corneille, Nanninga en Ouborg. Deze expositie kan, zoals De Gruyter in de catalogus
vermeldt, opgevat worden als een hommage à Sandberg, hetgeen voor
Dijkstra onmiddellijk aanleiding was om de lezers van het Nieuwsblad eraan te
herinneren dat zoals u waarschijnlijk weet diens museumbeleid in Amsterdam
om persoonlijke voorkeur voor bepaalde richtingen de laatste tijd heftig is
aangevallen. Martin Tissing: In het voorjaar van 1960 was de expositie
Keerpunten in de Nederlandse Schilderkunst in het Groninger Museum
te zien, georganiseerd door Jos de Gruyter en met een catalogus waarvoor de
latere museumdirecteur Wim Crouwel de cover had ontworpen. Een heerlijke tentoonstelling
was dat. Want je moet je voorstellen, we zagen voor het eerst na de academie
moderne kunst.
Jos de Gruyter
trad eveneens op als intermediair voor Groninger kunstenaars die elders in het
land wilden exposeren. Zo zorgde hij bijvoorbeeld er voor dat Hanse
n
en Jordens konden deelnemen aan de tentoonstelling Contour in het
Stedelijk Museum te Schiedam in 1956. De Contour-tentoonstellingen werden sinds
1951 jaarlijks gehouden en golden vooral in de jaren vijftig als belangrijke
graadmeter van de Nederlandse eigentijdse kunst. In 1951 was Contour
samengesteld rond het werk van R.J. Drayer, Jef Diederen en Corneille. Vertegenwoordigd
waren onder andere Wil Bouthoorn, Paul Citroen, Ro Mogendorff, Jan Schoonhoven,
Kees Verwey, Co Westerik.
In de inleiding
schreef De Gruyter: Na de bevrijding vonden enkele jongeren elkaar: Appel,
Corneille, Wolvecamp, Constant e.a. Werden zij niet beschouwd als nozems avant-la-lettre,
op zijn minst als enfants terribles? En kinderen waren zij inderdaad, voor zover
zij zich wel inspireerden op de kindertekening, zoals trouwens hun voorbeelden
Miro en Klee al hadden gedaan. In het naoorlogse Europa zocht men een open plek
om te kunnen spelen, een vergeten paradijs, een onbezoedeld brongebied. Het
verlangen naar dit primordiale begin, naar het nulpunt van alle beschaving,
het steun zoeken bij de kindertekening, de volkskunst en de kunst van primitieven,
had zich voordien al herhaalde malen in de Europese kunst gemanifesteerd. Cobra
was dan ook goeddeels een voortzetting van het expressionisme en het surrealisme,
met dit verschil, dat men een (nog) grotere vrijheid voor de kunstenaar opeiste
en de visuele waarneming veeleer als een belemmering dan als een steun bij het
werken ondervond. Uit onbewuste of voorbewuste gebieden diepte men fantasierijke
voorstellingen op, die soms overgingen in een abstractere, informele kalligrafie.
En verder
nog enkele regels over de figuratieve schilders: Let wel,
het zijn geen 19e eeuwse naturalisten. Westerik werd door het surrealisme
geraakt, Gregoor, Horn en Verwey door het expressionisme. Hoezeer ik de moderne
fotografie kan bewonderen, geen foto zal ooit een portret van Verwey kunnen
vervangen of ook een zo raadselachtige sfeer als die van Westeriks Autobus
bij avond kunnen oproepen. Bij Ten Holt, jr. en ook bij de recente Fernhout
vindt men de neiging tot een systematische stylering of abstrahering, evenwel
meer als middel dan als doel: zij streven naar een volledig geordend, samenvattend
beeld, waarin het motief geëerbiedigd blijft. Door hun licht palet, hun behoedzame
structuur, hun ingetogen penseelvoering overigens nerveuzer en driftiger
bij Ten Holt dan bij Fernhout zullen zij misschien temidden van de anderen
onvoldoende tot hun recht komen. Hun kunst bevat inmiddels belangrijke elementen,
niet het minst in de ruimtelijke suggestie.
Henk van Os: Van de Groningse kunstenaars van de oudere generatie, die
het meest aan De Gruyter te danken hebben noem ik Jan Jordens en Jan van der
Zee. Bij de grote persoonlijke en artistieke verschillen hadden Jordens en Van
der Zee één ding gemeen: hun werk verstarde niet tot een bepaald artistiek sjabloon.
Beiden bleken in staat tot ontwikkelingen en vernieuwingen. Door de activiteiten
van W. Jos de Gruyter en door zijn grote aandacht voor hun werk werden zij in
een nieuwe ruimte gezet. Dat is onder andere te merken aan de intensivering
van hun productie en aan de veelzijdigheid en verrassende nieuwheid van hun
werk uit die jaren. In 1958 opende Jos de Gruyter een jubileumtentoonstelling
van de toen 60-jarige Van der Zee en de 75-jarige Jordens. Bij die gelegenheid
vergeleek hij beide kunstenaarspersoonlijkheden, juist omdat ze naar zijn zeggen
in menig opzicht elkaars tegendeel vormden. De kenschets van het
werk van Jan van der zee die De Gruyter schreef voor de catalogus bij de tentoonstelling:
Jan van der Zee kan men allereerst een expressionistisch realist noemen.
Zeker, hij gaat soms abstract te werk, maar ook zijn abstracties doen reëel
en concreet aan. Ze zijn om zo te zeggen hecht en wilskrachtig in elkaar getimmerd
(zie afbeelding links: Zon in het bos, 1957).
En verder
vervolgde Henk van Os in zijn boek over Hansen: Als er al sprake kan zijn van
zoiets als doorbraak in het geval van de schilder Job Hansen (zie afbeelding
rechts boven: Wielrijdster aan de gracht, 1955 GrM), dan vond die plaats
in 1956. Die krachtige impuls had ongetwijfeld veel te maken met de komst van
W. Jos de Gruyter naar Groningen het jaar daarvoor. Zijn vriend Leen Poortvliet
zag het zo: Zijn schilderijen werden in het begin behalve door
enkele goede vrienden door vrijwel iedereen gewantrouwd. Pas heel geleidelijk
ontstaat er in de vijftiger jaren mede door de komst van Jos De Gruyter
naar het Groninger Museum enige waardering. Van Os vervolgt: Sandberg
schrijft in de catalogus van de herdenkingstentoonstellingen in Schiedam en
Groningen van 1963: Hansen was een eenling waarschijnlijk ook een
eenzame -. Dat lag voornamelijk aan de anderen, die zijn werk moeilijk begrepen.
De komst van De Gruyter heeft daarin wel verandering gebracht en daar was hij
echt dankbaar voor. De Gruyter over Hansen in de inleiding van de catalogus
van de tentoonstelling Keerpunten in de Nederlandse schilderkunst: Er
zijn er ook, waarbij men aarzelt in welke categorie ze in te delen. Hansen heeft
in zijn Vijf nonnen een volks verhaaltje verteld in de psychogrammatische
techniek der experimentelen.
In
de loop der jaren ontstond steeds meer onenigheid tussen de directeur en het
bestuur. Zijn beleid vond men te eigengereid en te zeer gericht op de moderne
kunst. Uiteindelijk stapte De Gruyter in 1963 op en werd dankzij hulp van vrienden
hoofdconservator moderne kunst in het Haags Gemeentemuseum. Kranten maakten
gewag van De Gruyters vertrek uit Groningen. Elseviers weekblad was zeer lovend
over het door hem gevoerde beleid; hij werd geprezen om de voorbeeldige wijze
waarop hij het museum had beheerd en ook zijn veelzijdigheid werd geroemd. Na
zijn afscheid werden in 1964 veel van zijn catalogusinleidingen gebundeld in
Beeld en interpretatie, een mooie verzameling teksten over zulke
uiteenlopende kunstenaars als Goya, Munch, Picasso, Jozef en Isaac Israëls en de beeldhouwer Willem Reijers. In datzelfde jaar werd hem
een eredoctoraat door de Rijksuniversiteit Groningen uitgereikt, een ietwat
late erkenning van zijn betekenis als middelaar tussen kunst en publiek. De
Gruyter rekende de periode in Groningen tot zijn gelukkigste jaren
van zijn leven.
De
tegenstellingen van het aankoopbeleid moderne kunst was prachtig te zien op
de tentoonstelling Accenten die van 24 maart tot en met 7 juni
Jos de Gruyter
liet een geheel nieuw museum achter, dat voor het publiek veel aantrekkelijker
was dan voorheen. De Gruyter leverde hiermee een blauwdruk voor het toekomstige
beleid van het Groninger Museum. Hij legde de basis voor de collecties van De
Ploeg, moderne kunst en kunstnijverheid. Met gepaste trots kon hij reeds in
1960 schrijven: Zonder te willen beweren dat deze verzameling thans afgerond
is, gelukte het in elk geval in de afgelopen jaren een voorlopig bevredigende
vertegenwoordiging te verkrijgen van figuren als Wiegers, Dijkstra, Jordens
en anderen.
Zijn opvolger,
Westers, respecteerde het beleid van zijn voorganger weliswaar, maar zijn interesse
ging voornamelijk uit naar de contemporaine Nederlandse kunst (onder andere
geometrisch abstracte kunst van Ad dekkers, Jan Schoonhoven en Peter Struycken)
en in mindere mate naar het Expressionisme en De Ploeg. Frans Haks echter, die
in 1978 het directeurschap op zich genomen had, pakte het beleid van De Gruyter
weer op en zette het voort. Hij zou echter meer op de actualiteit inspelen dan
Jos de Gruyter, waardoor zijn beleid dichter bij Sandbergs revolutie kwam te
staan en minder bij de evolutie van zijn voor-voorganger. Haks verving het ironische
of gemoedelijke commentaar in de schilderijen van de Nieuwe Figuratieven door
onvervalst design: decoratieve vloerbedekking van Mendini, een grillige en met
goud omlijste spiegel van Jeff Koons en een bolle fauteuil van Peter Shire.
Hoewel Haks vaak het verwijt kreeg zich te weinig aan de regio gelegen te laten
liggen, werd onder zijn bewind de collectie-De Ploeg nog aanzienlijk uitgebreid,
zij het misschien ook tussen de bedrijven door. Wel werd besloten te streven
naar een collectie die representatief zou zijn voor het gehele Ploeg-oeuvre.
Daarnaast besteedde Haks, meer dan De Gruyter, veel aandacht aan kunstenaars
die nog niet nationaal of internationaal waren doorgebroken; dit onder andere
om budgettaire redenen. Verder hebben zowel De Gruyter als Haks door middel
van tentoonstellingen het publiek met niet-traditionele kunst in aanraking gebracht;
de eerste organiseerde verschillende tentoonstellingen van fotografen (1957:
Fotografie als uitdrukkingsmiddel; 1959: Fotos van Ed van der Elsken en
1960: Drie fotografen, S. Sannes, K.H. Smit en M. Woldringh) en zelfs één met
schilderijen en elektronische muziek (1962: Mary Bauermeister en Karlheinz Stockhausen,
manifestatie van schilderijen en electronische muziek), de tweede exposeerde
onder andere video-films en Graffiti.
De inrichting
in oktober 2001 van het Ploegpaviljoen in de nieuwe behuizing van het Groninger
Museum, waar in principe uitsluitend expressionistische kunst wordt getoond
en in het bijzonder Groninger expressionisten uit de eigen collectie, was hoe
dan ook een eerbetoon aan oud-directeur De Gruyter.