Print This Page

De Informele Kunst (Art Informel)


Jean Dubuffet: Faire front, 1959 SMA

De context van de Informele Kunst

De heersende christelijke moraal van voor de oorlog was niet sterk genoeg gebleken het kwaad te keren. Het geloof in idealen, in de kracht van de rationaliteit stond na W.O. II op de helling. De mens was zijn richtlijnen kwijt, hij moest zich opnieuw oriënteren. Vrijheid was daarbij het leidend beginsel. Dit begrip vrijheid had verschillende lagen; De Franse filosoof Jean Paul Sartre gaf een eigen interpretatie aan de 'Existentiefilosofie' van de Deen Sören Kierkegaard. De kern van deze denkwijze vormt de idee dat er geen abstractie bestaat, geen algemeenheid in de formulering  van levensvragen. Ieder mens heeft zijn eigen vragen en zijn eigen oplossingen nodig; de existentiële vragen betreffen het bestaan van deze ene mens. Sartre's filosofie gaat uit van de totale vrijheid van het bewustzijn. Deze vrijheid stelt ieder mens afzonderlijk steeds voor zijn eigen keuzes: niemand anders dan hijzelf is verantwoordelijk voor zijn daden. Er gaat geen algemene wezensbepaling aan vooraf, niet door God of door wat of wie dan ook bepaald; de mens is niets anders dan wat hij van zichzelf maakt. Dit subjectivisme is absoluut: het existentialisme van Sartre gaat uit van het onvermogen van de mens om zijn subjectiviteit te boven te komen. Daarbij spelen angst en verlatenheid een grote rol: angst voor de grote verantwoordelijkheid die de mens heeft als hij altijd alleen voor de keuze staat en daarmee zijn eigen leven en dat van een ander kan bepalen; verlatenheid (zie ook Existentiële Kunst), omdat God niet meer bestaat. In het Parijs van na de oorlog was Sartre een centrale figuur; hij werd omringd door kunstenaars en intellectuelen en zijn Existentialisme werd gepopulariseerd tot een grote mode.
Een andere betekenis die aan het begrip vrijheid werd gegeven, ontstond als reactie op westerse ideologieën, die gebaseerd zijn op rationaliteit. Dit leidde tot een grotere aandacht voor de oosterse filosofieën, zoals het Taoïsme en Zenboeddhisme. Deze filosofie vormen een radicale tegenstelling met het Existentialisme. Het streven van de mens zou zich moeten richten op het Absolute, op de universele eenheid die ten grondslag ligt aan alle levensverschijnselen. Deze eenheid zou versnipperd zijn door de enorme nadruk die onze westerse wereld ligt op de rationaliteit. Deze eenzijdige nadruk op het rationele heeft als gevolg dat de irrationele aspecten van het bestaan, zoals de intuïtie, worden veronachtzaamd. Volgens de aanhangers van de Oosterse filosofieën zou de mens meer aandacht moeten hebben voor zijn irrationele kant en zijn gevoeligheid voor de niet-rationele aspecten van het bestaan moeten vergroten.
De term Informele Kunst is de overkoepelende aanduiding voor de kunst als een tweede golf van Expressionisme die zich in de twintigste eeuw voordeed als een heftige reactie op de oorlog. Kunstenaars hingen het doek, spontaan, agressief te lijf, zonder uit te gaan van formele beginselen.  Ze deden dat met verf, maar ook andere materialen werden gebruikt; Men ontdeed zich van alle remmingen en liet gevoelens naar buiten komen die altijd in het onderbewustzijn weggedrukt, of daar verstopte waren. Men keerde zich af van de westerse maatschappij en vereenzelfigde zich met de door die maatschappij geminachte 'primitieven': ongecultiveerde volken, het onmondige kinderen en geestesgestoorden.
Hielden de kunstenaars uit de eerste golf van Expressionisme zich over het algemeen met duidelijke uitzondering van Kandinsky en Klee, bezig met de zichtbare wereld. De kunstenaars van de tweede golf van Expressionisme, die van na 1945, verlieten geheel het terrein van de zichtbare werkelijkheid en stortten zich in een soort pantheïstische of animistische eenwording met de materie. De surrealisten hadden het deksel van het onderbewustzijn gelicht en tuurden geïnteresseerd in de chaotische brij die zich daaronder bevond. De expressionisten van na 1945 gingen verder dan het alleen exporeren van dit gebied: zij stortten zich er hals over kop in. De meeste expressionisten verlangden terug naar een primitiever stadium van de mens, zowel maatschappelijk als psychologisch; een stadium, waarin de mens nog niet bedorven was door een overdaad aan civilisatie. De beroemde kreet 'terug naar de natuur' die al halverwege de achttiende eeuw door de Franse filosoof Jean Jacques Rousseau werd gebezigd en die ook te beluisteren viel bij vele bewegingen en individuele kunstenaars in de negentiende eeuw, werd in de twintigste eeuw op fellere, definitievere en meer bittere toon herhaald. Deze romantischer vlucht uit de tijd werd na 1945 heviger dan ooit tevoren direct beleden in de Informele Kunst.
Voor vele van de daartoe behorende kunstenaars werd jazz de muziek waarin zij een uitdrukking vonden van hun diepste gevoelens. In die muziek klinkt het verlangen van de Amerikaanse neger naar een wereld die voor deze daadwerkelijk heeft bestaan en nog bestaat: het land waaruit zijn voorouders werden ontvoerd. Niet alleen het onbestemde verlangen van de westerse kunstnaar naar een 'vroeger dat zuiver en goed was', maar ook zijn kunst lijken hier tegenover een machteloos surrogaat. In dit verlangen vereenzelvigde men zich, als gezegd, niet alleen met primitieve vormen van bestaan, maar zelfs met het allernederigste, de materie, de stof. Al aan het begin van de 20e eeuw was door psychologen geconstateerd dat de motievenwerelden van primitieve kunst, kunst van kinderen en geestesgestoorden grote overeenkomsten vertonen. Deze motieven komen voort uit het zogenaamd mythische bewustzijn. Daaronder wordt verstaan een bewustzijn waarin het leven niet wordt ervaren als persoonlijke geschiedenis, maar als een deel van de universele natuur, een bewustzijnsgebied dat de Informelen hoopten te bereiken. De figuratie in het werk van de kunstenaars van Cobra en enkele anderen, als Dubuffet
, de Fransman Gaston Chaissac [1] en de Italiaan Enrico Baj[2], vertoont immers inderdaad grote overeenkomst met die van het werk van primitieven, kinderen en geestesgestoorden. Baj behoorde tot de beweging 'Art Nucleare'. Deze stroming experimenteerde met surrealistisch automatisme en expressieve abstractie om schilderijen te creëren die de toestand van het naoorlogse leven in het 'nucleaire landschap' verbeeldden. Een stadium van nog diepere regressie in het onderbewuste is het automatisch of spontaan laten bewegen van de hand met pen of penseel over doek of papier. Het resultaat van deze bezigheid is in de kunst van na 1945 te vinden in schilderijen die associaties oproepen met primitieve magische tekens of die lijken op een soort verzonnen schifttekens, die sterk herinneren aan de oosterse kalligrafie (zie knop: De teken in de lyrische abstracte kunst).
Op haar hoogtepunt, dat wil zeggen het moment van haar grootste erkenning en verbreiding, werd de expressionistische stroming in de naoorlogse kunst een onverwacht halt toegeroepen door een nieuwe generatie en een nieuwe situatie. In het begin van de jaren zestig van de twintigste eeuw stond zowel in de Zerobeweging en in de vele aan haar verwante groeperingen, als in de bewegingen van de Pop Art en Nouveau Réalisme een kunstenaarsgeneratie op die voor een deel weer vertrouwen scheen te hebben in de ontwikkeling van de Westerse wereld en die met afkeer reageerde op de chaotische gevoelsuitbarstingen van de kunst uit de periode daarvoor. Net als de Constructivisten en de kunstenaars van de Stijl uit de jaren twintig, spiegelden de kunstenaars van de genoemde bewegingen zich aan de dynamische ontwikkelingen in techniek en wetenschap en streefden ze naar een zo groot mogelijk objectiviteit.

Subgroepen van de Art Informel

De brede internationale expressionistische stroming van na 1945, manifesteerde zich in verschillende groepen of bewegingen maar ook in het werk van individuele kunstenaars: Art Brut (Dubuffet), Lyrische Abstractie (Mathieu, Hartung, Wols en Saura), Tachisme, Cobra en de Materieschilderkunst (Dubuffet, Tàpies, Bogart, Wagemaker en Armando). Over de precieze toepassing van de term Informele Kunst bestaat onder kunsthistorici onenigheid. Sommigen hanteren de term als een overkoepelende naam voor verschillende stromingen die zich na 1945 manifesteerden als uiting van het Existentialisme. In 1954 bedacht de criticus Ch. Estienne de term Tachisme als aanduiding voor het abstracte werk van Bissière, Manessier, Singier en Bazaine. Bij Tachisme concentreerde men zich op de expressieve beweging in het schrift van de kunstenaar. Later is men de term ook gaan toepassen als aanduiding van het werk van lyrische abstracten, met name van Pierre Soulages, maar ook van de Belg Henri Michaux[2a] (zie knop: De teken in de lyrische abstracte kunst).
De Fransman Jean Fautrier, als oudste vertegenwoordiger van de Informelen, kan worden gezien als een pionier. Fautrier voelde zich niet aangetrokken tot het Kubisme of welke andere stroming die daar nog op volgde. Hij keerde zich er in felle bewoordingen in zijn 'art sauvage' van af. De eerste groep van werken. ontstaan tussen 1925 en 1935, zijn overwegend zwarte schilderijen, waarbij opvalt dat de realistische elementen verzelfstandigd worden. 'Geen enkel kunstwerk kan ontroeren als er niet een deel van de werkelijkheid is opgenomen. Hoe nietig dit deel ook is, hoe onaantastbaar ook, deze zinspeling, dit onherleidbaar deeltje is als de sleutel van het werk. Het maakt de kunstvorm leesbaar, het licht de betekenis toe, het opent de diepte, wezenlijke werkelijkheid ervan voor de gevoeligheid die het ware begrip is', aldus Fautrier, van wiens hand ook de vroegste materieschilderijen zijn, daterend uit 1942.

De Nieuwe generatie in België; La Jeune Peinture Belge

In België werd de nieuwe beweging sterk beïnvloed door de Belgische en Franse kunst uit de vooroorlogse periode. In België kwam de belangrijkste invloed van Jean Brusselmans, James Ensor en Constant Permeke. Twee stromingen uit Frankrijk oefenen een zekere invloed uit. Enerzijds was er de kleurrijke en decoratieve invloed van Matisse en Dufy (Bonnet, Quinet en Collon). Anderzijds was de kubistische invloed van Picasso en Braque en van een aantal van hun navolgers, met name Edouard Pignon, uitermate sterk (Mendelsohn, Cox en anderen). De na-oorlogse kunstontwikkeling in België is sterk geografisch gebonden geweest en heeft bijna steeds te maken gehad met de verblijfplaats van een persoonlijkheid die de hedendaagse kunst sterk promoveerde. In 1945 werd door de Brusselse advokaat René Lust 'La Jeune Peinture Belge' opgericht: een vereniging, die onder andere Pierre Alechinsky (zie Cobra), Gaston Bertrand [3] (zie ook Concrete Kunst), Pol Bury [4] (zie ook Kinetische Kunst en Op Art), Georges Collignon [4a], Jan Cox [5], Louis van Lint[6], Anne Bonnet [7], Jo Delahaut [7a] (zie ook Concrete Kunst), Jean Milo [7b], de action-painter Antoine Mortier [8] (zie ook de knop: de teken in de lyrische abstracte kunst), Pol Mara[9] (zie ook Pop Art), Rudolf Meerbergen [9a], Marc Mendelson [10] (zie ook knop: De teken in de lyrische abstracte kunst), Rik Slabbinck (nog in te voegen collectie), Roger Somville (nog in te voegen collectie) en de enige beeldhouwer Willy Anthoons [10a] samenbracht en al drie jaar later uiteenviel. In 1950 werd de jaarlijkse prijs La Jeune Peinture Belge ingesteld, waarmee het werk van jonge Belgische schilders wordt bekroond.
Het ledenbestand was zeer wisselend en ook stilistisch was de groep niet coherent: de richtingen varieerden van post-expressionisme tot diverse soorten abstracte kunst. De doelstellingen van deze vereniging waren: in België en in het buitenland de jonge schilders en beeldhouwers te promoten, tentoonstellingen te organiseren, publicaties te verzorgen en beurzen te vergeven. Er zijn daadwerkelijk een aantal tentoonstellingen in binnen- en buitenland gerealiseerd, waarbij in Brussel, Oostende, Parijs, Bordeaux, Den Haag, Amsterdam, Stockholm, Zürich en zelfs in Buenos Aires schilderijen van Van Lint, Bertrand en Anne Bonnet te zien waren. Van een schildersschool is er geen sprake, de leden van de Jeune Peinture Belge hebben nooit in een collectieve stijl geschilderd. Ze gaven wel een gezamenlijk karakter aan hun werk. En dat karakter ligt in de heldere en gevoelige verstandelijkheid van hun stijl. Dat wil zeggen, hun zin voor ordening van de compositie en de aandacht voor de kleurtonen. De meeste leden van de Jeune Peinture Belge (met uitzondering van Alechinsky) lieten zich in hun werkproces niet door toeval van de materie leiden.
Belangrijk is ook te weten, het onderscheid tussen de zogenaamde zuivere warme vormen van de lyrische abstractie en de zuivere geometrische vormen van de koude abstractie. Vreemd was wel dat de uitgebreide overzichtsexpositie in 1947 door de groep ingericht, slechts één niet-figuratief schilderij (Delahaut) bevatte. Het is pas tussen 1948 en 1950 dat in België de doorbraak van het abstracte zal plaats hebben. De leden van de Jeune Peinture Belge behoren vooral tot de warme lyrische abstractie. Zelfs Luc Peire (zie ook Concrete Kunst), die hier ook vertegenwoordigd is, toont met zijn ‘koele’ composities – in verhouding met de andere werken - een verbinding met de werkelijkheid [10b]. Want de vertegenwoordigers van de lyrische abstractie hebben nog een band met de werkelijkheid. Dat wil zeggen, dat hun abstracte vormen nog een oorsprong hebben in de werkelijkheid. Vaak beeldden zij herinneringen uit aan steden, landschappen of personen. Mortier (zie knop: De
teken in de Lyrische Abstractie) en Van Lint doen zich bijvoorbeeld later gelden als een van de pioniers van de Lyrische Abstractie in België. De vertegenwoordigers van de koude geometrische abstractie bouwen hun compositie op van autonome lijnen, kleuren en vlakken, die als het goed is, geen verwijzingen meer naar de werkelijkheid tonen. Ze bouwen voort op de bevindingen van De Stijl beweging uit de jaren twintig en dertig. Na de Tweede Wereldoorlog vertegenwoordigen bijvoorbeeld de Belgische schilders Delahaut en Joseph Ongenae deze richting.
Willy Anthoons opteerde voor beeldhouwwerken, direct gebeiteld in marmer en hout. In navolging van Alexander Calder creëerde hij echter ook mobielen. In 1948, toen de kring ontbonden werd, was Anthoons in volle metamorfose, zoals blijkt uit het grote houtsnijwerk Menselijke kathedraal, 1948 MMKB (zie afbeelding links). Hierin zijn nog mensen en dingen aanwezig, maar de betekenis verovert reeds de plaats van de verschijningsvorm. In een van grote eenheid getuigende plastische synthese verenigt het de mens - geliefkoosd model voor de kunst in alle tijden - en de kathedraal, zinnebeeld van de westerse bouwkunst. Spoedig zal de materie haar vorm opdringen - het enige wat overblijft is het spoor van het werktuig dat de materie heeft gehouwen - en haar naam bepalen: 'Wat de zintuigen betreft' uit 1957).
Toch typeert de groep de naoorlogse sfeer, niet in het minst door haar rusteloosheid en haar preoccupatie met angst, dood en vervreemding. De geest van Sartre is erin terug te vinden. In 1950 werd onder de benaming 'La Jeune Peinture Belge - Fondation René Lust' een nieuwe vereniging gesticht. Na 1949 deed Bury samen met Alechinsky mee aan de activiteiten van Cobra. In 1954 hield hij op met schilderen en toonde voor het eerst zijn 'bewegende vlakken' (zie ook Kinetische Kunst). In 1958 sloot Mara zich aan bij 'G-58 Hessenhuis', een groep jonge avant-gardeschilders uit Antwerpen onder leiding van kunstcriticus Marc Callewaert en opgericht door Vic Gentils (zie Nouveau Réalisme) en Walter Leblanc [11] en met onder andere de schilder Dan van Severen [11a]. Ook Jef Verheyen was lid (zie ook la Nouvelle Tendence). Vanaf 1960 werkte Verheyen mee aan belangrijke tentoonstellingen van de Zero-groep [11b]. Na het uiteenvallen van 'La Jeune Peinture Belge' waren de drie grote Forum-tentoonstellingen in 1961, 1962 en 1963 te Gent samen met het 'G-58 Hessenhuis' te Antwerpen promotor voor de jongere generatie in Vlaanderen, met onder meer K. Geirlandt die de leiding had van de Gentse Vereniging voor een Museum van Hedendaagse Kunst.
Er waren ook kunstenaars die niet lid waren van de Jeune Peinture Belge: Na 1946 verdiepte de Belg René Guiette onder invloed van Dubuffet zich in de oppervlaktestructuur van het schilderij; hij combineerde vereenvoudigde natuurmotieven met een abstracte textuur [11d]. Later schilderde hij onder meer monochrome werken, waarin materie als zand of cement verwerkt wordt [11e].
De Belg Jan Burssens was na de Tweede Wereldoorlog een van de eersten om in Vlaanderen te reageren tegen het nog heersende Expressionisme en een soort Dripping Abstracte kunst te creëren. Hij wordt gerekend tot een van de de voornaamste Vlaamse existentialistische materieschilders. Van 1956 af spitste Burssens zich toe op het onderzoek naar nieuwe materie-effecten door onder meer het mengen van de verf met zand of grint om korrelige, soms zelfs korstige en kleurrijke verflagen te bereiken [11c]. Omstreeks 1963 keerde Burssens terug naar de figuratie met portretten en zelfportretten [11f]. Geconfronteerd met het Existentialisme van Jean-Paul Sartre wijst zijn stijl naar de dripping-abstractie van Jackson Pollock en naar de surrealistische defiguratie van Francis Bacon.

Informele Kunstenaars uit andere landen

Een informele kunstenaar uit Portugal is Maria Helena Vieira da Silva [12]. Uit Frankrijk is Jean Messagier vertegenwoordigd [13] en uit Italië Emilio Vedova [14], Giuseppe Capogrossie [14c] (zie ook knop: De teken in de lyrische abstracte kunst), Enrico Donati [14d], Giuseppe Santomaso [14a] en Edgardo Mannucci [14b]. De Britse kunstenaars Alan Davie[15]en Roger Hilton [16], de Amerikaanse kunstenaar Kimber Smith [17], de uit Letland afkomstige Duitse kunstenares Ida Kerkovius [18] en de Duitsers Julius Bissier[18a] (zie ook knop: De teken in de lyrische abstracte kunst) en Fritz Winter [18b] tot de Informele Kunst. Davie en Hilton waren aangesloten bij de zogenaamde School van St. Ives, met onder andere Naum Gabo, Barbara Hepworth en Nicholson (zie Concrete Kunst).
De Spaanse informele schilders zijn Antonio Saura [19], Rafael Canogar [19a] en Manuel Millares [20], Luis Feito [20a], Saura, Canogar, Tapies, Feito en Millares richtte in 1957 de kunstenaarsvereniging 'El Paso' op. Beide kunstenaars waren op dat moment nauw betrokken bij de informele problematiek van de structuur- en materieschilderkunst en de action-painting, waaraan ze een hevige dramatische betekenis gaven. Deze groep die onder haar leden beeldhouwers en schilders telde, hield tot 1960 gezamenlijke tentoonstellingen en bevorderde een diepgaande ommekeer in de gedachtenwereld van de jongere generatie van het Madrileense centrum. Het werk van Saura vertoont invloed van De Kooning. Zijn werk verbeeldt de eenzaamheid van de kunstenaar en van de gehele mensheid op gruwelijke, hallucinerende wijze.
Een informele kunstenaar uit Hongarije is Simon Hantaï [21], uit Israël Mordechai Ardon [22] en Joseph Zaritsky [22b], de Deen Kurt Sonderborg [22c] (zie ook knop: De teken in de lyrische abstracte kunst), de Fransman Jean Degottex [22d] (zie ook knop: De teken in de lyrische abstracte kunst) en de uit Engeland afkomstige Duncan [22a]. Duncan: 'Voor mij heeft de kunst vooral een mystieke oorsprong, bijna legendarisch, en wordt zij geboren uit een geestelijke behoefte. Uiteindelijk is haar karakter magisch, wat zeggen wil dat wanneer de kunstenaar zijn eigen persoonlijkheid kan integreren door middel van zijn kunst, hij een contact tot stand brengt met de archaïsche erfenis en het collectieve onbewuste van de mensheid'.

Verschillende kunstenaars uit alle belangrijke Europese landen hadden dus hun eigen versie op de Informele Kunst. Voor Duitse kunstenaars als Willi Baumeister [23] (zie ook knop: De teken in de lyrische abstracte kunst) en Ernst Wilhelm Nay [23a] betekende de vrije abstractie de bevrijding van de nachtmerrie uit het recente verleden.

Jean Dubuffet en Art Brut

Een geheel anders geaarde bijdrage vanuit Parijs werd geleverd door de belangrijke Franse kunstenaar Jean Dubuffet, ook wel 'de intellectuele barbaar' genoemd. Dubuffet vormde met zijn werk en zijn theorieën in zijn eentje een soort aan Cobra verwante beweging, geworteld in het Surrealisme. Uitgaand van de informele techniek zoals Fautrier die gebruikte, ontwikkelde Dubuffet een stijl die is afgeleid van de niet tot de officiële kunst behorende uitingen van figuratieve kunst. De belangstelling van Dubuffet werd gestimuleerd door de vooroorlogse interesse van Klee en de surrealisten voor het werk van geestesziekten, alsook door de omvangrijke naoorlogse tentoonstellingen van het werk van patiënten in een psychiatrisch ziekenhuis in Parijs in 1946 en 1950. In de jaren veertig van de twintigste eeuw begint Dubuffet met het verzamelen van kunstuitingen van de geestesziekten die hij Art Brut noemt, door anderen ook wel bestempeld als 'Outsiderkunst'. Hoewel Dubuffet zelf geen echte 'outsider' was, wordt de kunst die hij maakte in de periode van 1945 tot 1955 toch vaak in één adem genoemd met Art Brut. Dit, omdat in zijn werk de nadruk wordt gelegd op de intuïtieve oerbron van de kunst. Andere schilders die tot Art Brut behoren zijn: Madge Gill, Adolf Wölfi, Andy Nasisse. In de beeldhouwkunst werd de Art Brut beoefend door Couzijn (zie het Nieuwe Beeldhouwen), de Belg Roel D'Haese[24], de Brit Paolozzi (zie Britse Pop Art), de Amerikaan Tajiri (zie Cobra), de Duitser R. Müller e.a. Zij maakten veelal afschrikwekkende objecten en monsterachtige wezens in ruw metaal. Dubuffet geloofde dat deze kunst, voortkomend uit primitieve samenlevingen, dichter bij de waarheid kwam dan de meeste zogenaamde serieuze schilderkunst. Volgens hem hadden deze primitieve samenlevingen een veel dieper respect voor elk wezen dan de westerse mens, die zichzelf als alleenheerser in de wereld beschouwt. De westerse burgerlijke cultuur heeft zichzelf overleefd, werkelijke creativiteit is alleen nog te vinden in volkskunst, bij primitieve volkeren of bij het onbedorven kind. Voor hen is er niet zo'n scherp onderscheid tussen de mens en andere bestaansvormen als een boom, een plant, een rivier. De beheersing van de natuur neemt in het westerse denken een belangrijker plaats in dan de eenwording met de natuur. In Dubuffet's gevarieerde, complexe werken, die erop gericht zijn de mogelijkheden van materialen en spontane expressie te onderzoeken, kan men het droomachtige en het automatisme dat typerend voor de surrealisten is, herkennen. 'Ik streef naar een kunst die rechtstreeks geënt is op ons dagelijkse bestaan, een kunst die uitgaat van dit dagelijks bestaan, die de adem is van ons werkelijke bestaan en onze werkelijke aard'. De grijnzende kop in Personage hilare (Portrait de Francis Ponge) [25], is in een dikke laag gips gekrast, als een landschap met rivieren, bergen en steile afgronden. Dubuffet's drie reizen naar de Sahara (1949) hadden grote invloed op zijn werk. Dubuffet: 'De toevallige klodders, onhandige missers, vormen die duidelijk niet kloppen en tegen de werkelijkheid ingaan, kleuren die het niet doen en niet passen - allerlei dingen die voor sommige mensen onverteerbaar zijn. Men blijft zich wel bewust van de hand van de schilder in het werk en het voorkomt, dat het object gaat overheersen en dat dingen niet een te duidelijke vorm gaan aannemen'. Dit is het geval in bijvoorbeeld Le burg dévasté [25a], Le désert flamboie [26], Table au tiroir [27], Grillade de bœf [28], Vieux radoteur sagace [28a] en Oude geslepen babbelaar [29]. Tussen 1955 en 1957 ontstonden Dubuffet's 'Tableaux d'Assemblages',schilderijen die zijn samengesteld uit verknipte olieverfschilderingen, zoals La pointe au pitre [30]. Na 1957 maakte Dubuffet verschillende series schilderijen waarin de materie - vooral aarde, steen, zand, gips - met al haar visuele en tastbare eigenschappen het schilderij bepalen. Die series heten o.a. 'Célébration du sol', 'Texturologies' [31], 'Éléments botaniques' (botanische elementen als tabaksbladeren) [32] en 'Matérilogies' (Leer van de materie) [33]. De serie 'Barbes' (Baarden), waarvan het schilderij Barbe des  solitudes uit 1959 deel uit maakt [34], bezit toch nog een figuratief element. Deze schilderijen laten zeer vereenvoudigd het beeld van een kop met een baard zien, echter gerealiseerd met de kleuren en oppervlaktestructuren van zand en steen. Voor de zware impastowerken van Dubuffet wordt overigens ook de term Materieschilderkunst gehanteerd.
In 1961 trad een radicale verandering op in Dubuffets werk. Als reactie op de Materieschilderkunst - inclusief zijn eigen werk - en de Informele Kunst richtte Dubuffet zich weer op de mens en het menselijk leven in een stedelijk omgeving. De serie 'Paris circus' (stadsgezichten van Parijs), waartoe ook het schilderij La main dans le sac uit 1961 behoort [35], laat op een kinderlijke en ironische geschematiseerde manier het leven van mensen in de grote stad zien in vogelvlucht met teksten aangeduid die de duistere praktijken van deze wereldstad aanduiden. In deze schilderijen overwegen bruine en grijze aardekleuren, maar in de serie 'l'Hourloupe' waaraan Dubuffet van 1962 tot 1974 werkte, keert hij de stoffelijke wereld de rug toe om een nieuwe werkelijkheid te scheppen. In 1962 zegt hij: 'Mijn nieuwe schilderijen laten hieromtrent geen enkele twijfel bestaan. Ik wed op het uitbeelden van het denkbeeldige en keer alles wat realiteit is mijn rug toe'. Hij verlaat het idee de natuur op het stoffelijke, op de materie vast te leggen; hij vindt het werk toch te veel vastzitten aan de voorstelling en te naturalistisch. Dubuffet schiep een nieuwe wereld uit lijnen en stukjes, die als een legpuzzel een netwerk vormden. Voorbeelden van dit werk zijn schilderijen zoals Homme à la Vespa uit 1963 [36], Le cosmopolite en L'escampette, beide eveneens uit 1963 [37], Ampliation de robinet (Robinet III) uit 1965 [38] en Escalier funéraire pour Jacques Ulmann uit 1967 [39]. Uit deze periode stammen ook driedimensionale objecten, zoals Table de Rédaction dáctes uit 1967 [40] en Table amoncellante uit 1968 [41], zelfs een hele ruimte van 20 x 30 mtr. maakte Dubuffet in deze stijl (Jardin d'émail uit 1972-1973) [42]. Met zijn opvatting, dat 'echte' kunst in de zin van spontaan, direct, origineel en persoonlijk alleen maar gemaakt kan worden door mensen, die (nog) niet in aanraking zijn gekomen met of geschoold zijn in ons esthetisch normbesef, heeft Dubuffet een grote invloed gehad op de Cobrabeweging. De vreemde onbeholpen getekende wezens op hun schilderijen en het experimenteren met schildertechnieken zijn punten van overeenkomst met Dubuffet. Een belangrijke tentoonstelling van Dubuffet's werk is onder andere gehouden in het Stedelijk Museum (1966).

Lyrische abstractie (zie ook: de teken in de lyrische abstracte kunst)

Na de oorlog maakte het Surrealisme een crisis door: sommige surrealisten wilden vasthouden aan het via droombeelden tot uitdrukking brengen van het onderbewuste (Dali, Tanguy), anderen hanteerden het automatisme als hulpmiddel om irrationele creatie te laten ontstaan (Mathieu, Bryen, Wols). De crisis binnen het Surrealisme stimuleerde de opkomst van de nieuwe stromingen: Art Brut (zie Dubuffet) en de Lyrische Abstractie. Ook Cobra ontstond overigens uit een botsing tussen Surrealisten. Het was echter vooral de geometrisch-abstracte kunst van voor de oorlog, die ondanks de meningsverschillen, in deze naoorlogse jaren een nieuwe bloeiperiode beleefde van een hele schare volgelingen, die voor het merendeel voort borduurden op de vooroorlogse abstracte kunst (zie Concrete Kunst).
Niet iedereen was gelukkig met de geometrisch-abstracte kunst. Eén van de eersten die openlijk de strijd aanbond tegen deze stroming was de schilder-theoreticus Georges Mathieu [43] (zie ook knop: De teken in de lyrische abstracte kunst). Evenals de schilders van de Cobra-groep en de materieschilders was Mathieu van mening, dat bepaalde elementen, die van wezenlijk belang zijn voor elke kunstuiting, langzaam maar zeker verstikt zijn door het strakke keurslijf van de westerse esthetica volgens welke men met behulp van strikte regels voor compositie, proportie, kleurgebruik e.d. een bepaald schoonheidsideaal nastreeft. Hoewel hijzelf nog maar kort tevoren tot de abstracte schilderkunst was overgegaan, was Mathieu er al spoedig van overtuigd, dat de figuratieve kunst geen bestaansrecht meer had. Op zoek naar kunstenaars, die eenzelfde doel voor ogen hadden, ontdekte Mathieu, nadat hij zich in 1947 in Parijs gevestigd had, het werk van de Duitsers Wols en Hans Hartung[44] (zie afbeelding links Compositie T 1963-R 40, 1963 MMKB en zie ook knop: De teken in de lyrische abstracte kunst) en de Fransman Jean-Michiel Atlan [45] (zie ook Vrij Beelden en Cobra). Het onconventionele karakter van het werk van deze schilders was voor Mathieu het doorslaggevende argument om te proberen een groep te formeren of althans gemeenschappelijke tentoonstellingen te organiseren. Hij had hierbij een tweeledig doel voor ogen. In de eerste plaats de ondermijning van de Geometrische Abstractie en in de tweede plaats het propageren van de nieuwe kunst, waarvoor later de term Abstraction Lyrique (Lyrische Abstractie) gekozen werd. Niet alleen moest de kunst in een andere richting worden gestuwd, maar zelfs het hele westerse denken moest beïnvloed worden. De belangrijkste vertegenwoordigers van de 'warme' of 'lyrische' abstractie exposeerden in 1948 in galerie Colette Allendy. De titel van deze tentoonstelling, 'HWPSMTB', is gevormd uit de eerste letters van hun namen: Hartung, Wols, Picabia, Stahly, Mathieu, Tapié en Bryen. Mathieu ontdekt in Amerika overeenkomsten tussen de Lyrische Abstractie en de abstract-expressionistische werken van Pollock, Rothko en De Kooning. Al in 1948 wil hij met deze kunstenaars een tentoonstelling organiseren, maar pas in maart 1951 vond in galerie Nina Dausset een Frans-Amerikaanse expositie plaats, die door Tapié gepresenteerd werd onder de naam 'Véhémences confrontées'. Hier waren werken te zien van Bryen, Capogrossie, De Kooning, Hartung, Mathieu, Pollock, de Canadees Jean-Paul Riopelle [46], Russel en Wols. Ook de Fransman Pierre Soulages [47] behoorde tot de kerngroep de gezamenlijk onder de noemer 'Abstraction Lyrique' heeft geëxposeerd. Zijn werk heeft een sterke overeenkomst met het werk van de Amerikaan Franz Kline.
De Nederlandse versie van de Lyrische Abstractie moet hoofdzakelijk gezocht worden in het werk van de kunstenaars, die deel hebben uitgemaakt van de in 1959 opgerichte 'Nederlandse Informele Groep' (zie La Nouvelle Tendence). De vaste kern bestond uit de kunstenaars Armando [48], Van Bohemen, Peeters en Schoonhoven. In zijn Parijse jaren (1952-1957) en kort daarna was de schilderkunst van Kees van Bohemen overigens abstract-expressionistisch [49]. Ook het werk [49a] van Jef Diederen, Pieter Defesche [49b]
, het latere werk van Jan van Heel [49c] en het figuratief lyrisch abstracte werk van de Groninger Ploeg-kunstenaar Job Hansen [49d] is in te passen bij het Abstract Expressionisme. Ook Schoonhoven heeft zich met de Informele Kunst bezig gehouden. De schilderkunst van abstract-expressionist Ger Lataster uit de jaren vijftig is wat betreft zijn voorliefde van felle kleuren en ook in de behandeling van de textuur van de verf verwant aan Cobra, zoals de schilderijen Spelende kinderen, Geel interieur, Stilleven en Tuin met spelend kind [50], terwijl het dramatische gebaar, dat tot uiting komt in explosies van wervelende, abstracte kleurenpartijen als Icarus Atlanticus [51]; De val [52]; Brandende lucht [53]; Demonstratie en Appèl [54]; De overwinnaar [55] en andere werken [56], een kenmerk dat meer aansluit bij de Lyrische Abstractie. Ook kunstenaars die binnen Cobra een rol hadden gespeeld, namen soms deel aan deze ontwikkeling. Karel Appel (zie Vrij Beelden en Cobra), Anton Rooskens [56a], Theo Wolvecamp [56b] (Zie ook Vrij beelden en Cobra) en de Groningse kunstenaar Jan Jordens [56c] hielden zich al vroeg bezig met een spontane tekenstijl, waarin vorm geen rol speelde.
Engelbert van Anderlecht [56d] en Antoine Mortier werden exponenten van de Belgische lyrische abstractie. Vooral de Amerikaanse 'Action-Painting' kan verder beschouwd worden als het Amerikaans equivalent van de Lyrische Abstractie (Pollock, De Kooning en Kline) en de Amerikaanse schilder Mark Tobey. Verder behoorde de Tjech Iaroslav Sossuntzov, beter bekend als Serpan [57] tot de lyrische abstracten.

De beeldhouwkunst


In de beeldhouwkunst waren er overeenkomsten met de informele schilderkunst. De abstracte sculpturen van de Fransman Henri Etienne-Martin, de beelden van de Fransman Eugène Dodeigne, die aan de oergestalte van de mens doen denken (zie afbeelding links: Hand op de dij, 1965 MMKB), de granieten beelden [62a] van de Deen Henry Heerup (zie ook Vrij Beelden en Cobra), de bolvormen van de Italiaan Arnoldo Pomodoro [63], zijn broer Giò Pomodoro [64] en Zoltán Kemény [65] tonen ook verwantschap met de informele schilderkunst van de jaren vijftig van de twintigste eeuw. Arnaldo stichtte samen met Gio, Dorazio (zie Kinetische Kunst) en Perilli de groep Continuita, waarvan G.C. Argan de theoreticus was.
In een bewerkelijk hard-houten sculptuur is een directe spontaniteit natuurlijk niet mogelijk, maar toch heeft Henri Etienne-Martin in barokke abstractie de sfeer van een goudgele nazomermiddag weten op te roepen (Hommage à Bernini uit 1957 [58] (magnoliawortel); Demeure no.3 uit 1960 [59] (brons); Demeure nr. 4 ' Lanleff uit 1961 [60] en Demeure 8, 'Soleil' ou Le Tulipier (Woning, nr.8, zonnewoning de melkweg) uit 1963 [61] (magnoliawortel). In de reeks 'Demeures' drukt hij, middels een symboliek die persoonlijk en universeel tegelijk is, de gevoelens uit die hem in de verschillende fases van zijn leven beheersten. Het zijn bewoonbare en bewoonde beelden, beelden die alles bevatten wat een mens in zich draagt, het resultaat van een lange autobiografische en psychoanalytische zoektocht. In verband met de 'demeures' vertelt Etienne-Martin dat hij zijn inspiratie heeft gevonden in zijn jeugdherinneringen aan het grote ouderlijke huis te Loriol, waar hij zich heerlijk geborgen voelde. De sculpturen die aldus ontstaan, zijn geladen met een mystiek natuurgevoel en symboliseren gevoelens en gewaarwordingen. Het werk 'Demeure 4 Lanleff' heeft iets weg van een boom, die van binnen is uitgehold, een ruimte waarin bescherming mogelijk is. De opbouw van het werk is spiraalvormig, zoals de trap in het ouderlijk huis en bovenaan kan men twee menselijke figuren ontdekken, een mannelijke en een vrouwelijke die tegenover elkaar zitten. De naam 'Lanleff' werd achteraf toegevoegd en verwijst naar een tempeltje in Bretagne dat Etienne-Martin bezocht en dat voor hem verwantschap had met zijn 'Demeure'. Het Museum voor Moderne Kunst te Brussel bezit het vroeg bronzen sculptuur Openplooiende nacht uit 1948 [66]. Dit gearticuleerde en beweeglijk werk vormt de inleiding tot zijn 'Demeures'.

De Argentijnse kunstenares Alicia Penalba is in zeker opzicht verwant met Etienne-Martin. Haar sculpturen zijn samengesteld uit strakke, afgeronde vormen boven elkaar, als bomen of rotsformaties [67], of als reliëf gespreid over de wanden [68].  De sculpturen van Etienne-Martin en Penalba worden ook wel tot de 'Organische Abstractie' gerekend (zie Moore). Ook de sculpturen (nog in te voegen als voetnoot: Leven XIII, z.d. SMA en Leven XV, z.d. SMA) van de Japanse kunstenaar Sofu Teshigahara (nog in te voegen als voetnoot: scherm: Oost-West, z.d. SMA; scherm: Noord-Zuid, z.d. SMA en calligraphie: blanke nevels: komen en gaan, z.d. SMA) zijn hieraan verwant.


Eugène Dodeigne geeft vanuit de steen zijn visie op de wereld en bereikt in het 'onvoltooide' van zijn beelden een geheimzinnige sfeer die vooral aanwezig is in de beeldengroepen, die zwijgend en soms dreigend ons met een ander soort wezens confronteren [62]. Wat hem beweegt toont Dodeigne in zijn tekeningen [62b], die de bron vormen voor zijn beelden. Daar zien we Dodeigne’s handschrift. In snelle bewegingen van het krijt legt hij het menselijke gevoel, in al zijn mogelijkheden, vast. In zijn beelden geeft hij die essentie terug aan de natuur, aan de steen, die zelf ooit vloeibaar was. In 1959 vindt hij zijn weg met de grote, zware, sombere weerbarstige figuren, die in het land staan, als symbolen van de ongetemde kracht, van het overleven in een onberekenbare natuur, van een hard bestaan. Dezelfde sfeer vindt men in de expressieve tekeningen en in de bronzen, die Dodeigne dan begint te maken. De groepen, van twee,drie, vijf en zelfs van tien beelden, die eenzelfde leven lijken te leiden, versterken de inhoud van Dodeigne's sculptuur.


Materieschilderkunst

De term 'Materieschilderkunst' wordt die schilderkunst aangeduid, waarin de kunstenaar zich niet uitsluitend heeft bediend van verf, maar gebruik heeft gemaakt van een mengsel van verf met allerlei materialen, zoals zand, lijm, kolengruis of stukken schroot, glas, hout en lompen, die lijst kan eindeloos uitgebreid worden. Belangrijk daarbij is dat deze materie geen hulpmiddel is, maar doel op zich. Het kunstwerk verwijst in eerste instantie naar niets anders dan naar zichzelf. De uitstraling, de zeggingskracht van bijvoorbeeld de met zand vermengde pasteuze verfmaterie, de ijzeren bouten of het verbrande plastic is het onderwerp van het kunstwerk. Hiermee maakt de materieschilderkunst in feite bijna letterlijk tastbaar wat de Amerikaanse kunstcriticus Clement Greenberg het Modernisme noemde: kunst die naar zichzelf verwijst en niet naar iets dat buiten het kunstwerk om bestaat. Als benaming van een stroming binnen de Informele Kunst heeft de term Materieschilderkunst geen ingang gevonden. De materieschilders hebben ook nooit, zoals in het geval van Cobra, een groep gevormd met gemeenschappelijke theoretische doelstellingen. Fautrier zou men een voorloper kunnen noemen van de Materieschilderkunst. Zijn grootste bekendheid heeft Fautrier gekregen door zijn serie 'Otages', die tussen 1943 en 1945 ontstond. In deze serie, bestaande uit een dertigtal icoonachtige schilderijtjes van klein formaat, werd voor het eerst de figuratie teruggedrongen ten gunste van de materie. De 'haute pâte' een techniek die Dubuffet in 1945 had geïntroduceerd - werd in de volgende jaren populair onder jonge Parijse schilders. Wanneer men het oeuvre van Dubuffet overziet, blijkt ook hoezeer hij zich vooral in de periode 1950-1960' met materie heeft beziggehouden.

Antonio Tàpies (zie ook knop: De teken in de lyrische abstracte kunst) was ongetwijfeld de belangrijkste vertegenwoordiger van de Materieschilderkunst. Tàpies heeft zich in een groot aantal theoretische geschriften onder meer uitvoerig over de rol van de kunst en de kunstenaar uitgelaten. Hij beschouwt de kunstenaar niet als iemand die zich opsluit in een ivoren toren en zich verre houdt van de ontwikkelingen op wetenschappelijk, politiek of cultureel terrein. De kunstenaar moet openstaan voor de steeds veranderde realiteit, waarvan hij tolk is. Hij kan de mens de begrenzingen van zijn universum laten zien en nieuwe perspectieven openen. Evenals Mathieu verwoordt Tàpies in zijn manifestachtige boek 'Un art autre', dat niet volstaan kan worden met vormen, die algemeen aanvaard zijn, maar dat er nieuwe vormen gecreëerd moeten worden. Hierbij ligt de nadruk meer op de zienswijze dan op een bepaalde stijl. Wanneer het grote publiek zich op zijn gemak voelt bij bepaalde artistieke vormen, betekent dit dat deze hun werking hebben verloren. Wanneer de kunst niet in staat is de beschouwer uit zijn evenwicht te brengen, zijn denkwijze omver te werpen en hem zijn bewustzijn te laten herzien, heeft de kunstenaar gefaald. Het slagen van de kunstenaar hangt natuurlijk ook af van de bereidheid van de toeschouwer om zich open te stellen, hoe geshockeerd hij misschien ook is en zijn associaties de vrije loop te laten. Tàpies is beïnvloed door de Afrikaanse kunst, het 'object trouvé' van Dada en het werk van Miró. Na zijn surrealistische periode (1948-1952) en een korte overgangsperiode, waarin hij experimenteerde met vorm en kleur, kwam Tàpies omstreeks 1953 tot volledige ontplooiing. Als vervolg op zijn vroegere experimenten, waaronder de 'grattage-techniek' uit de jaren 1945-1947, ontstonden zijn eerste materieschilderijen, waarbij de oppervlaktestructuur van de materie zélf de hoofdrol ging spelen. Uit protest tegen de academische schilderkunst bracht hij een mengsel van zand, stro, zeildoek, touw en kalk volgens een architectonische opbouw op het doek aan. Veel van zijn schilderijen verwijzen naar zijn Catalaanse afkomst en naar de Catalaanse vrijheidsstrijd. Veel schilderijen van Tàpies doen denken aan muren, vensters of deuren. Al vroeg werd Tàpies zich bewust van de mogelijkheden die een muur biedt om beelden op te roepen. In de eerste plaats kunnen muren allerlei gevoelens oproepen, zoals eenzaamheid, afzondering, gevangenschap. Maar bovenal kunnen ze dienen als klankborden voor menselijke uitingen (graffiti) van pijn, verdriet, liefde, seksuele frustraties of politiek verzet. Een meer directe visuele bron voor Tàpies' muren vormden de foto's van Brassaï. Het resultaat zijn schilderijen met grote, bijna monochrome vlakken in zwart, grijs en okerkleuren, die met hun subtiele onderlinge verhoudingen de schoonheid van oude, verweerde muren oproepen: muren die een raadselachtige wereld lijken af te sluiten [69]. Tàpies spreekt zelf over de algemene meditatieve associaties die veel van zijn materialen kunnen oproepen. 'Bijvoorbeeld de symboliek van het stof, met zijn vele tegenstrijdigheden; dat wil zeggen de innerlijke overeenkomst van het diepste wezen van mens en natuur (Tao-te-King). De symboliek van as, aarde, van modder en klei, waaruit de mens voortkomt en waarnaar hij terugkeert; de symboliek van de zandkorrels die duidelijk de fragiliteit en onbeduidendheid van ons leven aantoont en de solidariteit die eruit blijkt wanneer je bedenkt dat de verschillen tussen ons dezelfde zijn als die tussen de ene en de andere zandkorrel, wat wil zeggen: geen enkel (...)'.



Armando: Peinture criminelle, 1957 MhV


Nederlandse kunstenaars en de Materieschilderkunst

Een groot aantal Nederlandse kunstenaars werkte in de jaren vijftig kortere of langere tijd in een informele stijl, van expressionistisch en lyrisch tot meer op de materie gericht. Tot deze tweede grote golf van expressionisme in de twintigste eeuw worden de Nederlanders Armando [70], Bram Bogart, Wim de Haan [71] en Jaap Wagemaker gerekend. Zij gingen zich in de loop van de jaren vijftig op zeer nadrukkelijke wijze met de materie, dat wil zeggen hun schildersmateriaal  bezighouden. De Haan heeft van omstreeks  1955 tot 1960 in een surrealistisch aandoende, informele tekentaal geschilderd, waarin hij grote verwantschap voelde en toonde met de Frans-Duitse kunstenaar Wols.
Ongeveer in dezelfde tijd als in Nederland, zo rond 1957, kwam ook in Duitsland de Materieschilderkunst op. Als belangrijkste Duitse representanten van deze stroming kunnen Emil Schumacher en Karl Fred Dahmen worden genoemd.

Bram Bogart (zie ook knop: De teken in de lyrische abstracte kunst) ontwikkelde een eigen variant op deze techniek, waardoor hij tegenwoordig als 'grondlegger van de Informele Materieschilderkunst in Nederland' wordt beschouwd. Verschillende ontwikkelingen in de jaren vijftig leken om zo'n reactie te vragen. Bogart was de eerste Nederlandse kunstenaar die aan het begin van de jaren vijftig - geïnspireerd door de siermotieven uit de negerkunst - begon te experimenteren met aardkleurige, stucachtige materialen, in plaats van de traditionele kleurige olieverf waarmee Cobra-schilders plachten te schilderen. Hij wil de kracht domineren en structureren. Aanvankelijk herinnerde zijn werk toen aan oude muren, waarin graffiti zijn gekrast. De opbouw is dan nog uitgesproken rechthoekig, zoals in Tekens op rechthoeken uit 1952 en Vlakken met tekens uit 1952 [72]. In de eerste volledig non-figuratieve werken, omstreeks 1954, hangen nog de reminiscenties van een lyrische natuurverwantschap [73] (zie afbeelding rechts: Les blancs de Juin, 1955 HGM). Pas in 1961 heeft hij zich van de romantische bijkomstigheden ontdaan en worden dit zware matière-reliëfs [74].

Jaap Wagemaker is de meest geroemde vertegenwoordiger van de Materieschilderkunst. Wagemaker ontdekte tijdens zijn verblijf in Parijs (1952) het werk van Dubuffet en liet zich er in belangrijke mate door inspireren. De contacten met de schilders van de Cobra-beweging inspireerden de kunstenaar ook; in de periode 1954-1956 schildert hij doeken die wel aan de Cobra-taal verwant zijn [75], maar die toch wezenlijke elementen missen om hem een 'Cobra-schilder' te noemen. Terwijl de Cobra-schilders de schildersdaad als het meest wezenlijke van hun kunstenaarschap beschouwen, is voor Wagemaker het resultaat van die handeling belangrijk. Rond 1955 begon Wagemaker met materieschilderkunst door bijvoorbeeld zand of jute met olieverf te mengen [76]. Pas na het zien van het werk 'Sacci en Combustioni' van de Italiaan Alberto Burri [77] in 1956 in Parijs begon Wagemaker met een uitgesproken materieschilderkunst, in 1957 gevolgd door de eerste assemblages [78] (zie afbeelding links: Matière mouvante, 1957 HGM). Ook de reliefschilderijen, collages van hout , ijzer, canvas, en papier van een langenoot van Burri, Roberto Crippa [78a], doet aan het werk van Wagemaker denken. Wagemaker begon zijn met zand en kiezels gewapende verflagen te 'boetseren' tot 'woestijngebieden', waarin stukken hout en leisteen, jute, schroot, botten, schelpen, machine-onderdelen en allerlei andere 'objets trouvés' hun plaats vonden. 'Ik bouw mijn schilderijen op met elementen uit de natuur. Ik geloof niet dat de kunstenaar vormen of kleuren kan scheppen, die niet reeds in de natuur bestaan. Picasso zegt: 'Ik werk niet naar de natuur, maar met de natuur' en zo voel ik het ook. Daarom moet een schilderij natuurlijk aandoen. Het moet evenals de natuur, een vanzelfsprekend organisme zijn. Het is dan een ding op zichzelf geworden, dat zijn eigen leven heeft gekregen'. Wat Wagemaker blijkbaar interesseert is niet een landschap in perspectief gezien, met een voorgrond, een verschiet en een lucht erboven, maar een landschap dat uit de lucht wordt waargenomen. Veel assemblages lijken beeldende equivalenten te zijn van de aardkorst en van de structuren en verschijnselen die daarop kunnen worden waargenomen. Meestal gebruikte Wagemaker aardkleuren: zwart, roodbruin, oker en wit. In dit opzicht is zijn werk sterk verwant aan dat van Burri. De plakboeken die de kunstenaar bijhield, fungeerden daarbij als inspiratiebron; behalve foto's van woestijnen, kraters, rotsformaties en  maanlandschappen en de foto's die Wagemaker tijdens zijn reizen door landen als Spanje, Italië, Griekenland, Turkije, Egypte, Marokko Rusland en Mexico maakte, zijn er ook afbeeldingen van voetsporen, insecten en afgekloven beenderen in te vinden. Deze foto's tonen zijn grote belangstelling voor structuren van aarde, voor ritme in de opeenvolging van landschappelijke elementen en voor het lijnenspel in het geheel van een compositie. Minstens zo belangrijk als zijn plakboekverzameling was zijn collectie etnografica uit Nieuw-Guinea, Mali en delen van Afrika, die hij vanaf 1958 bijeenbracht. Het niet-westerse, elementaire karakter van de etnografica, de plakboeken en de 'objets trouvés' vormden een leidraad bij het maken van composities. In dit soort werk wordt de hang naar vereenzelviging met de materie, het als het ware schilderen met de aardkorst, een hang die typerend genoemd wordt voor het Expressionisme van na 1945, tot het uiterste doorgevoerd. 'Ik zie mijn werk als het tegendeel van Action Painting, die uiterste consequentie van het Expressionisme'. Ik zoek naar een stilte, een gespannen stilte', verklaarde hij. Wagemaker fotografeerde zelf, vooral tijdens de vele reizen die hij maakte. Tot begin jaren '60 verdwenen de diverse materialen en delen van objecten in één overheersende structuur en tonaliteit [79]. Na 1962 liet Wagemaker de verschillende materialen en objecten meer voor zichzelf spreken: stukken leisteen, hout schelp, metaal, buis of kraakbeen blijven als zodanig nog duidelijker herkenbaar [80]. In 1962 neemt nam Wagemaker deel aan de Biennale van Venetië. Het oerkarakter van zijn geschilderde reliëfs en de abstracte smaakvol excentrieke composities werden weliswaar enthousiast onthaald door een breed publiek, maar misten het brutaliserende karakter van de jonge Cobra-schilders.


[1] Formes en bouquet sur fond argenté, 1950-1951 MMKB; Le masque, 1959 vA; aquarel: Vix. Le 3 et 4 janvier 1962, 1962 MMKB en Grand et petit personnages, ca. 1962 MMKB
[2] Bezoekers in het Stedelijk, z.j. (1961); il comitato, 1963 BvB en zeefdruk: Garofano, 1965 MMKB; Generaal in galauniform, z.j. SMA; Figuurtje met spiegelglas, z.j. SMA

[2a]
Kompositie, ca 1954-1955 SMA (waterverf); O.I. inkt: De Guldensporenslag, ca. 1960 MMKB; Gouache, z.j. SMAK; Gouache, z.j. SMAK en Peint acrylique couleurs F168, z.j. SMAK

[3] De trapleuning, 1945 PMMK; Composition (L'escalier jaune), 1946 SMAK; De werf (chantier), 1947-1953 SMAK; Paleis der academiën, 1948 PMMK; Gezicht op zee, 1948 MMKB; Personnages sur une pelouse, 1948 MMKB; Architecture, 1949 MAW; Coupe vent à la plage, 1949-1961 PMMK; La cathédrale, 1950 SMAK; Dunes, 1951 GME; Portret van Alla Goldschmidt, 1951 MMKB; Ostende, 1951 MMKB; Composition au triangle jaune, 1951 MMKB; Invention de l'homme, 1952 HGM; Naar een vierde dimensie, 1952 KMSKA; Sur fond noir, 1953-1963 MMKB; Portret van Bénédict Goldschmidt, 1954 MMKB; Forme II, 1954 MMKB; La Cité, 1954 MAW; Le jardin, 1956 MMKB; Sur fond gris, 1956 MMKB;  La religieuse, 1957 MMKB; Verticale, 1957 MMKB; Printemps gris, 1957 SMAK; Florence medicis, 1959 SMAK; Non, 1957 MMKB; Sur fond rouge, 1960 MMKB; Florence III, 1961 KMSKA; Rood, 1963 MMKB; Vésubie, 1964 MMKB en Trois cercles, 1967 MMKB
[4] Composition, 1951 MAM; Composition, 1952 MAW; Composition, 1952 MAW en Huit états de Benedict Goldschmidt plus un, 1965 MMKB

[4a] Flémalle-Haute (composition), ca. 1950 MAW; Nature morte en bleu, ca. 1950 MAW; Compositie, 1951 MAW; Compositie, 1958 MAM; Cobra, ? MAW; La leçondes téné bres, ? MAW; L'Antéchrist, 1959 MMKB; Cadence pressée, 1963 MMKB en Sécurité totale, z.d. MAM
[5] Zelfportret, 1946 SMAK; Portret van Domien De Gruyter, 1946 KMSKA; De verschijning, 1948 KMSKA; De twee zusters, 1948 KMSKA; Jonge vrouw voor het venster, 1948 SMAK; The Movie House, 1962 SMAK; Twee heksen, 1962 KMSKA; Coming up the staircase, 1962 SMAK; Portret van Prof. Robert Feild, 1965 MMKB; Yvonne, 1972 SMAK en Mijn vader in coma, 1973 KMSKA

[6] Marine (De Kabinen), 1945 SMAK; Heldere compositie, 1947 PMMK; Compositie, 1949 PMMK; Compositie, 1949 PMMK; Chartres, 1950 KMSKA; La cité noir, 1955 SMAK; Grande composition rouge nr. 3, 1957 MMKB; Matin en Catalogne, 1958 MAW; Geologische doorsnede, 1958 SMAK; Herfstverwildering, 1960 MMKB; Compositie, 1960 PMMK; Algue marine, 1960 GME; Witte lente, 1962 KMSKA; Landschap, 1962 KMSKA; Duizendjarige aanwezigheid, 1967 KMSKA; Étrange climat, 1967 PMMK en Minéral, végétal, animal, z.d. MAM
[7] Haven in blauw, 1950 KMSKA; Epi de maïs, ca. 1950-1955 MAW; Plantes exotiques, 1951 MAW; La Medina, 1953 MAW; Cimetière turc, 1955 HGM; De gouden stad, 1955-1956 MMKB; Végétation-Végélatre, 1958 SMAK; Le gouffre, 1958-1959 SMAK en Compositie, z.d. GME
[7a] Abstracte compositie, 1948 MMKB (gouache); Oedipe, 1949 MAW; Adina, 1953 PMMK; Compositie, ca. 1953 PMMK; Inca-Ritmen, 1954 MMKB; Vrede, 1954 MMKB; Plain-chant, 1957 MAW; Ritme nr. 6, 1962 MMKB; Singe nr. 3, 1962 PMMK; Eenvoudige orde nr. 3, 1964 MMKB (witbeschilderd hout op paneel); Eenvoudige orde nr. 4, 1964 MMKB (wit beschilderd hout op paneel); Oneindig nr. 1, 1964 MMKB; Kleur-vorm, 1967 KMSKA; Ritme nr. 5, 1973 MMKB (olie op stukken unalit) en Opening nr. 2, 1973 MMKB
[7b] De lente laat zich raden in de winter III, 1963 MMKB
[8] Gekleurde transpositie, 1952 MMKB (gouache); Compositie, 1952 PMMK; L'adieu, 1954 SMAK; La discorde, 1954 HGM; Onrust, 1955 PMMK; Compositie, 1956 PMMK; L'Objet, 1960 SMAK; Floraison en bleu, 1963 GME; De gesuggereerde volumen, 1963 MMKB; Het derde paar, 1966 KMSKA en L'Enfant grandit, 1972 SMAK
[9] Droom, 1956 KMSKA (aquarel); La grande musique, 1956 PMMK; Bedreiging, 1958 KMSKA (gouache); Mariage Magique, 1958 PMMK; De twaalf apostelen, 1958 SMAK; Blauwe cohesie, 1960 MMKB; Fanar, 1960 PMMK; Idool, 1960 SMAK; Tyrius, 1962 PMMK en Broken slide, 1963 PMMK
[9a] De stille machine, 1962 KMSKA en Krishna/Mars, 1962 MMKB
[10] Musiciens, ca. 1955 SMAK; Huizen, s.d. SMAK; La lanterne magique, s.d. SMAK; Incursion nocturne, 1961 MMKB; Spaans landschap, 1962 MMKB; Een bladzijde op wit geschreven, 1964 KMSKA en L'été de la Saint-Martin, 1964 SMAK
[10a] Menselijke kathedraal, 1948 MMKB (olmenhout); Moederschap, 1952 OMA (ebbenhout); Sculpture cinétique orange, 1956 MMKB (metaal); Wat de zintuigen betreft, 1957 MMKB (ebbenhout); en Immanent teken, 1959 KMSKA (steen); Oneindige vorm, 1960 KM (steen van Euville naar een houtsculptuur uit 1949); en Naissance, ? MAM (steen)
[10b] Het zwart schilderij, 1953 KMSKA; Het zwart schilderij, z.d. KMSKA; 'Sérénité', 1955 MAM; Voorjaarslicht, 1956 PMMK; Monolete, 1957 GMB; Expo 58, 1958 BvB; Réalités, 1959 SMAK; Pigalle, 1960 PMMK; Nieuw Rotterdam, 1961 MMKB; Brasilea, 1961 PMMK; Zaragosa, 1962 KMSKA; Graphie 1021, 1967 MMKB; Vertigo, 1967 KMSKA en Graphie 1033, 1968 MMKB
[11] Mobilo static jaune-blanc, 1945 MMKB; Collage, 1958 KMSKA; Torsies, 1964 MMKB; Twisted Strings, 1970 PMMK en Twisted Strings, 1970 KMSKA
[11a]
Kruis nr. 19, 1956 SMAK; Compositie nr. 2, 1958 PMMK; Compositie, 1960-1963 PMMK; Zwart-cirkel-vierkant, 1962-1963 SMAK; Compositie met kruis, 1964 KMSKA; Vierkante compositie, 1964-1965 GMB; Compositie met twee vierkanten, 1964-1966 PMMK; Vierkant, 1966 SMAK; Sculptuur, 1967-1985 MMKB; Compositie, 1969-1969 GMB; Blauwe compositie, 1969 SMAK; Compositie, 1969-1970 PMMK; O.I.-inkt op doek: Triptiek, 1977-1978 GMB; Compositie nr. 1, 1979 MMKB en Compositie nr. 2, 1979 MMKB

[11b]
Blauwe compositie,1959 SMAK; Compositie, 1959-1960 PMMK; De grote pan, 1963-1964/1976 MMKB (polyvinyl op geperst hout); Morgen, 1965 KMSKA; Gelati, 1969 MMKB (polyvinyl op doek); Zwarte ruimte, ? KMSKA en Variatie, ? KMSKA
[11c]
Toren, 1956 HGM; Toren, 1956 MMKB; Wind en Water, 1956 SMAK; In Elkaar, 1957-1958 KMSKA; Blind en Open, 1957-1959 KMSKA; Blind en Open, 1957-1959 MMKB; In den beginne, 1958-1960 SMAK en Dame romaine, z.d. MMKB
[11d]
La Piano, 1947 MAM; Paarse vlinder, 1947 MMKB; Naaimachine, 1948 HGM; Figuur, 1948 MMKB; De grote stad, 1950 MMKB; De straat, 1950 MMKB; Collioure in blauw, z.d. KMSKA; Figure sur fond vert, 1950 MAM; De grote wandeling, 1952 PMMK; Rode boot, 1952 KMSKA; Personnage - Soi, 1954 MMKB; Dépersonnification, 1955-1958 GME en Collectie ? SMA
[11e]
Dat, 1958 MMKB; Le signe violé, 1958-1959 MAM; Hemel, 1962 KMSKA; 29-XI-63, 1963 MMKB; Essentie, 1964 KMSKA en Zonder titel, 1965 MMKB
[11f]
La belle Espagnole, 1964 PMMK; Iedereen, 1965-1966 PMMK; The President, 1968 SMAK en Portret van Oldenburg, 1970 SMAK
[12] La bataille de couteaux, 1948 BvB; Stad der gesteenten, 1954 SMA en Composition, z.d. MAM
[13] L'Arrivée au bord d'une fleuve, 1958 vA
[14]
'Da Dove' (1983-11)', 1983 vA

[14a]
Incendio di Santa Maria del Mar, 1959 SMA en Verso Siviglia, 1960 HGM
[14b] Heruitvoering van idee nr. 3, 1951-1957 KM; Compositie, 1954 KM en Compositie, 1954 KM

[14c]
Oppervlak 327, 1959 MMKB)

[14d]
Black and three whites - Moonscape series, 1953 MMKB
[15]
Het beeld van de visgod, 1956 SMA; Well! (Opus No. 0.198), z.j. (1957) SMA; Image of the Fish God, Number 5 (Opus No. 0.139), z.j. (1957) SMA; Flag me (Opus No. O.G.218J), 1960 SMA; Paris Fly (Opus Nr. 0.397), z.j. (1961) SMA; Shield for the big ancestor, 1961 vA en Magic Mirror, 1962 BvB

[16] Juli 1953, 1953 SMA en April 1961, 1961 SMA
[17] Compositie 1958, 1958 SMA; Romeinse gevangenis, z.j. (1959) SMA en Compositie, z.j. (1962) SMA
[18] Wandtapijt, 1954 SMA
[18a] 26-X-56 Ascona, 1956 HGM; Gouache: 7 April 59 weh, 1959 MMKB en gouache: 14 Mai 60, 1960 MMKB
[18b] Le grand signe (Grosses zeichen), 1955 MMKB
[19] Moviemento circular, 1957 SMA; Rota, 1957 SMA; Junca, 1958 vA; Grand nu, 1959-1960 SMA; Le Grand Curé, 1959-1960 SMAK; Infante, 1960 SMA; Viridiana, 1962 SMA; Ada, 1962 vA; Grande cruxifixion rouche et noir, 1963 BvB en Denkbeeldig Portret van El Greco, 1967 SMA
[19a] Schilderij nr. 37, 1959 HGM
[20] Schilderij 34, 1957 HGM en Compositie, 1964 BvB
[20a] Schilderstuk 104, 1958 MMKB
[21] Schilderij, 1957 MMKB en Compositie, 1971 MAM
[22] In de wildernis van de Negev woestijn, 1953 SMA; La maison du Maggid, 1954 MMKB; Triptych for the Fallen: The Traps/The King's Play/A Child's Scribble, 1955-1956 (/1957) (triptiek); Zon boven Ma'abara, z.j. (1956) SMA; De ongeborene, 1956 SMA en De dronken vogelverschrikker, 1962 SMA
[22a]
Alors J'ytiens c'est humain, 1956 GrM en Laisse-moi le temps, 1956 GrM
[22b] aquarel: Compositie, 1946 SMA (een van de acht); Bloemen, 1951 SMA en Compositie, z.j. 1962 SMA
[22c]
3.2.59,19h20-20h46, 1959 vA (tempera/papier); 14.12.59,14h20-15h08, 1959 vA (tempera/papier) en Composition, 1964 vA
( doek/papier)

[22d]
Ecriture, 1958 MMKB; Les alliances IV, 1960 MAM; Les alliances V, 1960 MMKB; Métasphère noire, 1966 MMKB; Hana, 1961 MMKB; En Shinra, 1961 MMKB
[23]
Composition avec volute et ligne inclinée. Composition avec spirale, 1947 MMKB; Couleurs en mouvement, 1951 MAM; Sonne und Figuren auf Blau, 1951 SMA; papier/serigrafie: Compositie, 1951 SMA; papier/serigrafie: Compositie, 1951 SMA en papier/serigrafie: Compositie, 1952 SMA

[23a]
Blauw en robijnrood, 1958 MMKB
[24] Sirène, 1951 OMA; Mouvements de lézard, 1954 MMKB; Fabeldier, 1955 MMKB; De pelgrim, 1955 MMKB; Bronzen toren, 1955 KMSKA; Personnage légendaire, 1956 MMKB; Le grand vilain, 1957 MMKB; Kleine duivel, 1957 OMA; Sculpture, 1957 MMKB; De Saraceen, 1958 OMA; Het gevecht met de engel, 1958 MMKB; Le Lieutenant, 1966 MMKB;  Chanson triste, 1963 SMAK; The song of evil, 1964 KMSKA; Dicky als Jezus van Praag, 1965 MMKB; Pourquoi un lapin, 1973; Jason, 1974 KMSKA; Conte des Iles, z.j. MAM en Moïra, en feuille morte, 1978 OMA
[25] 1947 SMA
[25a] Le burg dévasté, 1952 MMKB
[26] 1953 SMA
[27] 1956 SMA
[28] 1956 SMA
[28a] 1957 SMA
[29] 1957 SMA
[30] 1956 SMA
[31] Texturologie L (sablée), 1958 SMA en L'automne, 1959 SMA
[32] Front maken, 1959 SMA
[33] Le cadastre, 1960 vA
[34] vA
[35] vA
[36] SMA
[37] SMA
[38] SMA
[39] BvB
[40] BvB
[41] SMA
[43] Chrysochrom op doek: Over een ziekte van de goede hertog Filips die zijn hoofd liet scheren en zijn haar verloor, 1957 MMKB; Compositie (Entrée de Louis XIII), 1959 SMAK en Pompe funèbre du coeur Condé, 1960 MAM
[44] Compositie T. 51-10, 1951 MMKB; Doek 52/44, 1952 KMSKA; Doek 52/46, 1952 KMSKA; Composition, 1956 vA en Compositie T 1963-R 40, 1963 MMKB
[45] Orphée, 1957 GH
[46] Zonder titel, 1952 MMKB; Les Nymphéas I, 1952 BvB; Zonder titel, 1958 MMKB en Torrentiel, z.j. GH
[47] Sans titre, 1952 BvB
[48] gouache: Zonder titel, 1952 SMS; Tekening, 1952 BvD en potloodtekening: Zonder titel III, 1954 BvD
[49] Stelling, 1957 HGM en Nacht, 1958 CMU
[49a] Atelier, z.j. SMA; De weg naar Ste Marguérite, 1955 SMA; Verwoeste fabriek, 1956 SMA; Verwoesting, z.j. (1956-1958) SMA; Landschap, 1957 vA; Verwoesting, 1958 HGM; Landschap met hoge lucht, 1958 SMA; Feest van de Joodse kinderen, 1960 SMA; Drie vlaggen, 1960 vA; Feest van de Joodse kinderen, 1961 GrM; Geel schilderij, 1961 SMA; Feest van de Joodse kinderen, 1961 SMA; De indringers, z.j. (1961) SMA; gemengd techniek op papier: Zonder titel, 1962 BvD; Onder de blauwe zon, 1964 SMA en collage, gouache: Zonder titel, 1967 BvD
[49b] Sacro Monte, 1963 BvD en Figuur in landschap, 1967 SMA
[49c] Spaans landschap, 1960 HGM en Landschap, Spanje, 1971 BvB
[49d]
Gracht met blauwe vlek en non, 1952 FM; Kruis van kanalen of Foutieve herinnering van de kruising Reitdiep x Van Starkenborghkanaal, 1953 HGM; Wielrijdster aan de gracht of Elzebomen, huis, Zwarte wielrijdster, 1955 GrM; 81 en 13 (jaren), 1956 vA; Windveren, 1956 SMA; Atelier dr. Van Bruggen, 1956 SMA; Afstappen of Dravers, merrie en jockey (Boele de Jong), 1957 SMA; Paardeboxen, 1958 GrM; Dwarsstraat met oude man, 1958 HGM; Stuurmanloze vier, 1958 SMS; Landschap met vlaggen, 1958 vA en Uitjagers, vier koeien, 1958 HGM
[50]
1950 SH; 1950 SMA; 1951 SMA en 1953 SMA
[51] 1956 HGM
[52] 1957 SMA
[53] 1957 BvD
[54] 1958 DM en 1958 vA
[55] 1959 vA
[56] Manoeuvre lucht, 1955 SMA; Val in de ruimte, 1958 GH; Piloten tors, z.j. (1958) SMA; Idylle, 1959 SMA; Zwarte inval, 1959 SMA; Schilderij 1960, 1960 SMA; Doortekend met wind, 1961 SMA; Schilderij, 1961 SMA; Spanje, 1962 SMA; Zonder titel, 1967 BvD; Goud en kersen, 1971 BvD; De avond, 1985 BvD en Zelfportret, 1988 BvD
[56a] Village negre, 1954 CoM; Oerwoud, 1954 SMA; Afrika, 1955 SMA; Zwarte vogel, 1955 RT; Compositie No. 1, 1955 SMS; Blauwe arabesques, z.j. SMA; Magisch figuur, 1957 RT; Het feest, 1957 vA; Verwoeste stad, z.j. SMA; Tussen licht en donker, 1961 SMA; Rood nest, 1963 SMA; Kop, 1965 SMA; Lentevogels, 1966 SMA en Spel met vogels, 1969 SMAK
[56b] Compositie met rode vorm, 1952 SMA; Heidense fabel, 1954 RT; Grijze compositie, 1955 RT; Compositie met witte vlek, 1955 SMS; Fantasie, 1956 HGM; Tauromachie, 1957 GH; Compositie, z.j. (1959); Voorjaar, z.j. (1959) SMA; Zonder titel, 1959 RT; Saturnus, 1960 SMS; Opvliegende vogel, 1960 vA; Zonder titel, 1961 MhV; Compositie, 1962 SMA; Zonder titel, 1964 MhV; Zonder titel,1970 MhV; Zonder titel, 1974-1975 MhV en Compositie, ? DM

[56c]
Compositie, ca. 1955 GrM; Compositie, 1960 GrM; Compositie, ca. 1961 RT; olie, textiel, touw op karton: Compositie, 1961 GrM en Pegasus, 1961 GrM
[56d]
Compositie, 1954 PMMK; Résurgence des Instincts, 1957 MMKB; Nuit blanche, 1957 SMAK; Le sexe inutile, 1958 MMKB; Contre toi contre moi, 1958 PMMK; Grondzee, 1958 PMMK; Compositie, 1958 PMMK; Compositie, 1958 PMMK; Traduire la lumière, 1959 MMKB; Compositie, 1959 PMMK; La nature en marche, 1960 PMMK; Compositie, 1960 PMMK; Il rêve, 1960 PMMK; Ni l'un, ni l'autre, 1960 PMMK; Compositie, 1960 PMMK; Compositie, ca. 1960 PMMK en Dode rede, z.d. KMSKA
[57] Laglarlasol, 1961 BvB en Mitmesugdet, 1957 MMKB
[58] SMA
[59] KM
[60] OMA
[61] SMA
[62] Vrouw, 1952 MMKB; Verona, 1956 MMKB; Kop, 1961 KM; Maskertje, 1963 KM; Man en vrouw, 1964 KM; Etude en bronze, 1964 BvB; Hand op de dij, 1965 MMKB;  Geknielde figuur, 1970 OMA; Man met hand, 1971 KM; Drie staanden, 1978 OMA en Cathedrale, z.j. BaZ
[62a] De man uit Rødovre, z.j. (1954) SMA en Reuzen baby bekken, 1966 BvB
[62b] Tekening, 1957 MMKB; Nu couché, 1961 MMKB; Deux nus, 1961 MMKB; Nus, 1961 MMKB; Figure, 1964 MMKB; Tête, 1964 MMKB; Figure, 1965 MMKB; Figure, 1966 MMKB; Zittende figuur, 1972 OMA; Arbres, 1973 MMKB en Zonder titel, z.j. MMKB
[63] Colonna del Viaggiatore, 1960 MMKB; Omaggio al Cosmonauto, 1962 KMSKA; Sfero, no. 6, 1963-1965 BvB en Doos I, 1964 OMA
[64] Marat spiraal, 1972 KMSKA en trani-steen: Sole deposto I, 1974-1975 GME
[65] Onwillekeurige snelheid, 1962 KM
[66] MMKB
[67] Ombre habitée, 1957 vA (brons); De grote vonk, 1959 OMA; Grote dubbelfiguur, 1962-1964 KM en Grand double, 1973-1978 OMA
[68] verguld polyester: Reliëf, 1960 KM
[69] Blue outremer, 1958 vA; Grijs reliëf met vlekken, 1958 vA; Médiéval, 1959 BvB; Double porte beige, 1960 vA; Noir aux deux arcs beiges, 1961 BvB; Porte marron, 1963 SMA; Relleu gris sobre fusta, 1965 SMA; Pissara (Barna III), 1965 SMA; Deux couvertures remplies de paille, 1969 SMA; Sofà amb oval o moble rosa, 1972 SMA; Horizontal i bandera blanca, 1978 SMA en Chaise et Vernis, 1982, MAM
[70] Zonder titel, 1955 FH; Peinture criminelle, 1955 SMA; Peinture criminelle, 1956 DM; Paysage criminelle, 1956 BvD; Peinture criminelle, 1957 HGM; Peinture criminelle, 1957 MhV; Espace criminel, 1957 BvD; Kosmos, 1957 BvD; Paysage criminel, 1959 GrM en Peinture criminelle, 1959 CMU
[71] Zonder titel, 1953 CMU; Liggend rund, 1954 CMU; Zonder titel (B17), 1954 RT; inkt en gouache: Zonder titel, 1955 DM; Zonder titel, 1955 MhV; Zonder titel (C29), 1955 RT; Zonder titel (C2), 1955 RT; Zonder titel, 1955 MhV; Zonder titel (F2), 1958 RT; reliëf assemblage: Multiplan, 1958 MhV; Zonder titel (H4), 1958-1959 RT; Wounded heart no. 2, 1960 RT; assemblage, hout, metaal, doek: Three men in the fire, 1962 BvD en inkt en gouache: Zonder titel, z.d. DM
[72] GMB en CMU
[73] Les blancs de juin, 1955 HGM; Signes noir sur fond gris varie, 1955 MJC; Silence oriental, 1956 CMU; Silence du Sud, 1957 BvD; waterverf: Zonder titel, 1956 BvD; Oorlogsvogel, 1957 GMB; Variété, 1957-1959 RT; Colle d'été, 1959 CMU; Colle d'été/Zomerlijm, 1959 CMU; Richard sous képi, 1959 PMMK; Tristesse des jeunes mariées, 1960 PMMK; Santeuil, 1960 PMMK; Jardin des Jeannes, 1960 PMMK
[74] Oranje Feest, 1961, CMU; Korenmarkt, 1961 MMKB; De gelen, 1962 MMKB;  Yellow Young, 1962 PMMK; Dolfijn, 1963 BvD; Ginder I, 1963 SMAK; Zeeakker, 1963 GMB; Diepbruin, 1963 SMS; Zicht, 1964 BvB; Groen Wit Rood, 1967 KMSKA; Blauwvang, 1965 MMKB; Drie rood geel, 1967 RT; Blauw-in-geel, 1968 SMS; Blauw-wit-zwart, 1969 PMMK; Witbanenrood, 1970 PMMK; Deyellowronde, 1981 GMB; Roodrougered, 1993 BvD en Onderweg naar Oostende, 1994 PMMK
[75] Dieren in de nacht, 1954 SMA; Verschrikte dieren, 1955 CMU; Schilderij met zwart, 1955 SMA; Compositie, 1955 BvB; Compositie, 1956 SMA; gouache: Marobax, 1956 SMA; Rode accenten, 1956 SMA en Le Roussillon, 1956 SMA
[76] Zonder titel, 1955 FH en Verschroeide rots, 1956 SMA
[77] Zonder titel, 1955 MMKB
[78] Stonehedge, 1957 GrM; Matière mouvante, 1957 HGM; Op wit fond, 1957 SMA; La forêt flottante, 1958 GH; Loodkleur, 1958 SMA; Ombuiging, 1958 BvD; Zwarte wand, 1958 SMS en gouache/stof:Opus 12, 1959 MJC
[78a] Compositie op licht fond, z.j. SMA en Kop, z.j. (1959), SMA, Collage met kranten, z.j. (1961) SMA
[79] Sahara, 1960 GrM; Le Morceau de Bois II, 1960 SMS; Montagnes aux écritures, 1960 BvB; Sable gris, 1960 vA; Ardoises et coquillages, 1960 CMU; Maanlandschap, 1960 RT; Aigues Montes, 1960 SMA; Forme et matière, 1961 HGM; Migration d'éléments, 1961 SMA; Plastische elementen, 1961 BvD en Hulde aan Brassaï, 1961 SMAK
[80] Leisteen op blauwe ondergrond, 1962 vA; Zonder titel, 1962 RT; Structure en gris et bleu, 1963 BvD; Leien en schelpen, 1963 GH; Roestige wand, 1963 SMA; Begrensde ruimte, 1965 CMU; Ocre, 1965 SH; Paysage Imaginaire, 1965 vA; gouache: Opus 171 G, 1965 MJC; Schelpen en leien, 1966 SMA; Zwarte kruisvorm, 1968 RT; Petrified flower/Versteende bloem, 1968 CMU; Gesloten vorm, 1968 SMA; Procida, 1969 SMA en Beweging, 1970 RT

© http://members.home.nl/kunstna1945