Home

De donkerste periode uit de geschiedenis van Twente
1580 - 1597
Geuzen en Spaanse soldaten terroriseren burgers en boeren

De jaren tussen 1580 en 1597 vormen de donkerste periode uit de geschiedenis van Overijssel. Huursoldaten in staatse dienst steken stadjes als Goor, Delden, Haaksbergen, Rijssen en Hengelo in brand. Huurlingen in staatse dienst plunderen en brandschatten er schijnbaar naar hartelust op los. Maar ook de slecht betaalde Spaanse soldaten zijn berucht. Almelo wordt maandenlang geteisterd na de dood van Rutger Tork, de baas van de Heerlijkheid Almelo.

Het platteland wordt in die zeventien jaren totaal verwoest. Stadssecretaris Nicolaas Levelt schrijft in het oudste boek van de stad Almelo dat in 1578 82 huizen in vlammen opgaan. Al bijna twintig jaar merken Twentenaren dat de bewoners van de Lage Landen in opstand komen tegen de koning in Spanje.

De troepen van Lodewijk van Nassau trekken in 1568 langs Twente naar het noorden om Groningen te veroveren. Drost Goossen van Raesfelt van Twente is op zijn hoede. Hij stuurt boden om er achter te komen wat Van Nassau van plan is. Zou hij Oldenzaal aanvallen? Pas vier jaren later gebeurt dit inderdaad.

Geuzen verschijnen vanaf het voorjaar van 1572 tot de zomer van 1573 regelmatig in Twente, zoals onder graaf Willem van den Bergh, zwager van Willen van Oranje. Zij en de Spaanse soldaten uit Oldenzaal richten veel schade aan. Monniken van het Sint Antoniusklooster in Albergen schrijven over afpersingen en brandstichtingen.

Huis of kasteel Almelo

Boven:
Vanuit kasteel Almelo beheert Rutger Torck zijn heerlijkheid Almelo en Vriezenveen. Staatse soldaten steken de stad in 1587 in brand en plunderen de overgebleven bewoners in 1590 en 1591 regelmatig. Spaanse soldaten muiten in 1593 massaal en wanneer Rutger Torck is overleden roven en plunderen zij er schijnbaar naar hartelust op los. Commandant Van Boijmer van de vesting Oldenzaal herstelt de rust en Verdugo belooft de schade te vergoeden om Almelo voor Spanje te behouden.

Deventer belegerd in 1578

Boven:
Het duurt maanden voordat de Spaanse troepen in Deventer zich overgeven. Zij zijn maandenlang verstoken van vers voedsel.

 

Overijssel raakt ongewild bij het conflict tussen de koning en de opstandelingen betrokken. Een staatse leger opent de strijd met de verovering van Deventer in 1578 (Zie: Van der Kornput).

Een paar maanden later, begin 1579, verenigen de opstandige provincies zich in de Unie van Utrecht. Staten en ridderschap van Overijssel doen echter niet mee met de Unie van Utrecht. Spaanse soldaten in de vestingsstad Oldenzaal beheersen Twente. De staten sturen daarom troepen naar Overijssel.

De staatse soldaten zijn een plaag voor de Overijsselse boeren. De mannen onder Van Hohenlohe, Steenbach (of Steinbach - zit met een regiment 22 weken in de commanderie in Ootmarsum) en Kurtzbach terroriseren de boeren. De (neutrale) Steden en Ridderschap van Overijssel willen de rust terug brengen. Ze betalen in november 1579 flink voor het vertrek van de staatse soldaten. De legers van Kurtzbach en Steenbach vertrekken naar Lingen dat een jaar eerder eigendom van Willem van Oranje is geworden.


Philips van Hohenlohe, hoogste militair van Willem van OranjeKurtzbach houdt de soldaten van Van Hohenlohe (portret links) echter tegen. In december 1579 keert Van Hohenlohe terug naar Twente waar hij in Delden overwintert (bron: Harry Vrielink). De boeren die huis en haard hebben verloren door de staatse troepen, komen opnieuw in opstand tegen de soldaten, voornamelijk ruiters, van Van Hohenlohe. Ze vormen een boerenleger en noemen zich de desperaten (wanhopigen), waarmee ze willen aangeven hoe zwaar ze zijn getroffen.

De boeren voeren een vaandel met daarop een afbeelding van een zwaard met een uitgelopen halve eierdop. Om het ei wilden ze niet vechten. Maar nu kunnen ze alleen nog strijden om het laatste restje. De dop van het ei. Wie de aanvoerders zijn is onbekend.

De staten van Overijssel bemiddelen in de laatste dagen van het jaar 1579 en er komt een Herdenkingsmunt 400 jaar Unie van Utrechtbestand. De boeren gebruiken die tijd om een schans te bouwen bij Raalte. Maar Van Hohenlohe ziet de bouw van de schans als een bedreiging en valt onmiddellijk aan.

Het nieuws van de aanval wordt bekend tijdens de zitting van de staten van Overijssel op 13 januari 1580. De aanwezigen, vertegenwoordigers van de drie grote steden en de adel, zijn geschokt en kiezen partij voor hun boeren. Daardoor ontstaat er een heel vreemde situatie. De staten van Overijssel zijn de oorlog met de Unie van Utrecht, de andere staten in de Lage Landen.

Overijssel mobiliseert de bevolking tegen Van Hohenlohe. Weerbare mannen moeten compagnieën vormen. Ze moeten vechten tegen soldaten die hun gebied binnendringen.

De commandanten vallen onder bevel van de drosten. Ook de leden van de ridderschap (de adel) sluiten zich met hun mannen aan bij de boeren.

Het boerenleger verzamelt zich bij het dorp Wijhe waar zij versterking krijgen uit Kampen, Zwolle en Deventer van respectievelijk ongeveer 50, 50 en 100 mannen.

Oorlog
Het nieuwe verbond houdt maar een paar dagen stand. Op 16 januari 1580 wijst Jan van Nassau, stadhouder van Gelderland en broer van Willem van Oranje, via zijn bode de bevelhebbers van het nieuwe leger op het feit dat de staten in feite in oorlog zijn getreden met de Unie van Utrecht.

Jan van Nassau, de stichter van de Unie van Utrecht, wijst de staten van Overijssel op hun onmogelijke situatie. Hij schrijft ook aanwijzingen te hebben dat Spanje de boeren opstookt tegen de staten van Overijssel.

Oude kerk van Wijhe tussen Zwolle en Deventer

Boven: Bij Wijhe, tussen Zwolle en Deventer aan de IJssel, verzamelen boeren uit Salland en Twente en ridders zich om tegen het staatse leger van Van Hohenlohe te vechten.

Eind januari kiezen de staten eieren voor hun geld. Ze zoeken toenadering tot Van Hohenlohe en de Unie van Utrecht. Maar de boeren in Twente en Salland gaan door. Ze komen in actie tegen het leger van Van Hohenlohe en slagen er zelfs in de staatse legeroverste met zijn mannen in februari uit Overijssel te verjagen. Maar Van Hohenlohe zou al snel terugkeren.

Stadhouder Rennenberg van Groningen, Drenthe, Friesland en Overijssel komt ondertussen in conflict met het gewest Friesland, dat het katholicisme wil verbieden. Willem van Oranje gaat eind februari naar Elburg om de problemen tussen Rennenberg en Friesland en Van Hohenlohe en de boeren in Overijssel op te lossen. De staten van Overijssel willen de boeren, die mogelijk steun van Spanje ontvangen, ontwapenen. Om dit voor elkaar te krijgen komt Willem van Oranje naar Kampen.

Op 3 maart hoort hij daar van het verraad van Rennenberg in Groningen. Rennenberg heeft veel bezittingen in Zuid-Nederland en dreigt alles te verliezen als hij Van Oranje trouw blijft. Willem van Oranje beslist dat de soldaten van Van Hohenlohe onmiddellijk in actie moeten komen tegen Rennenberg. Strategisch belangrijke plaatsen die Spaansgezind zouden zijn, zoals Hasselt, Steenwijk en Oldenzaal moeten snel voor de staten worden veiliggesteld. Maar eerst moet Van Hohenlohe de boerenopstand die volgens het gerucht door Spanje wordt gesteund, de kop in drukken. Bij het klooster Sion bij Doetinchem verslaat een staats leger de boeren. (bron Breukboek Stad Almelo). Tussen de 600 en 700 boeren sterven. Een tweede treffen bij Raalte heeft hetzelfde resultaat.

Daarmee is het gevaar van een Spaanse inval in Overijssel nog niet geweken. De staten dringen bij het bestuur van Oldenzaal aan snel troepen in de stad te legeren. Dit gebeurt op 9 of 10 april. Met tegenzin laat de stad 280 mannen van de beruchte Van Hohenlohe de stad binnen.

Graaf Jan van Nassau, stamvader van ons koningshuis en stichter van de Unie van Utrecht

Boven: Standbeeld van Graaf Jan van Nassau in Utrecht, stamvader van ons koningshuis. Hij is de grote man achter de Unie van Utrecht. Willem van Oranje was niet gelukkig met de vorming van de unie omdat dit de splintsing van noord- en zuid Nederland kan betekenen. Hij kreeg gelijk.

Naar de volgende pagina