Home

Tachtigjarige Oorlog kende
ook al bolletjesslikkers

De Republiek der Verenigde Nederlanden is nooit officieel uitgeroepen. Haar geboortejaar is derhalve onbekend. Achteraf bezien begint ze in feite in de Opstand, zo rond 1588-90. Als aanloop kan de Unie van Utrecht, begin 1579, worden beschouwd. Met dit verbond spreken de opstandige gewesten Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Groninger Ommelanden en de stad Gent af zich voor eeuwig te verenigen, alsof ze één provincie zijn. April 1578 Willem van Nassau ondertekent de Pacificatie van Gent

De Votre Majesté Très humble et obéisant serviteur Guillaume de Nassau - april 1578

Een nieuwe stap volgt twee jaar later. De gewesten besluiten Filips II niet langer als hun vorst te erkennen. Daartoe geven de Staten-Generaal in 1581 het Plakkaat van Verlatinge uit. Ook Friesland, Overijssel, Mechelen, Vlaanderen en Brabant doen dan mee. Een vorst is er voor zijn volk en niet omgekeerd, luidt het voor die tijd opmerkelijke besluit. Er is sprake van een zelfstandige statenbond, die later de Republiek der (zeven) Verenigde Nederlanden heet.

Andere kijk
In zijn boek Oorlog, mijn arme schapen gaat Ronald de Graaf uitgebreid in op de gebeurtenissen die tot de afscheiding van de Nederlanden van het Spaanse rijk leidden. Hij probeert een andere kijk te geven op de Tachtigjarige Oorlog en beschouwt daarvoor de periode 1565-1648, zo vanaf het Smeekschrift der Edelen (1566), waarin de landvoogdes om een gematigde vervolging van de protestanten wordt gevraagd, tot de Beeldenstorm, een door calvinisten opgezette vernieling in katholieke kerken.

Als reactie daarop zendt Filips II de hertog van Alva als nieuwe landvoogd en die poogt met ijzeren vuist het gezag van de vorst te herstellen. Ketters worden hevig vervolgd, nieuwe, zware belastingen worden opgelegd. Onder leiding van Willem van Oranje komt het in 1568 tot militaire botsingen: het jaar dat als traditioneel begin van de Tachtigjarige Oorlog wordt gezien. Voor die strijd worden ook uitdrukkingen als de Opstand en de Hollandse revolutie genoemd. De Graaf gebruikt ze alle drie.

Militair verloop
De Graaf wil de Tachtigjarige Oorlog bekijken door de ogen van liedjesschrijvers en turfstekers, stadhouders en stadssecretarissen, leden van de Raad van State en de Staten-Generaal, pamflettisten en vluchtelingen, de hopman en zijn soldaten. Daarin slaagt De Graaf gedeeltelijk. Want hoewel hij inderdaad aandacht besteedt aan het leven van de soldaten (inkwartiering, geneeskundige verzorging, omstandigheden in garnizoen en op het veld) en dat van burgers, boeren en buitenlui, gaat de meeste aandacht toch uit naar het militaire verloop van de Opstand.

Religieus conflict
Pluspunt is dat De Graaf de ontwikkelingen steeds vanuit een brede invalshoek schetst: de gevolgde strategie, logistiek en verzorging, verkenningen en verbindingen, commandovoering, belegeringen, het moreel, gevolgen voor de bevolking. De Opstand, die begon als een religieus conflict en verzet tegen centraal gezag en uitdijde tot een oorlog met internationale gevolgen, gaat daardoor meer leven.

Het is jammer, maar vanwege het ruimtebeslag wel begrijpelijk, dat De Graaf de strijd op het water buiten beschouwing laat. Vooral daar ligt in belangrijke mate het Zeeuwse aandeel. Belangrijk voor de strijd van de Geuzen is de inname van Den Briel door Lumey en Blois van Treslong op 1 april 1572. Kort daarop sluiten Zeeuwse steden als Vlissingen, Arnemuiden en Veere zich bij de Opstand aan. De sneeuwbal gaat rollen.

Zoetelaars
Verreweg het aardigst zijn de talrijke ’kleine gebeurtenissen’ die De Graaf uit de archieven heeft opgediept. Zoals dat van de zoetelaars (de proviandeurs van het leger), die in 1573 legeraanvoerder Roger Williams redden door hem te melden dat tweeduizend militairen uit het belegerde Middelburg een uitval gaan doen.

Of de beschrijving van de kans om dodelijk gewond te raken, aan de hand van notities van militair Splinter Helmich. In Arnemuiden worden hem in 1572 de pluimen van het hoofd geschoten, in Tholen stuit een hellebaard op zijn wapenuitrusting af, bij een poging Zierikzee te ontzetten vliegen kogels door zijn wijde broek. Splinter ontsnapt steeds aan de dood. Pas in 1589 overlijdt hij in Arnhem aan de gevolgen van een nekschot.

Bloedig is Williams verslag over de aanval van landvoogd Parma op Sluis, zomer 1587. Op één dag zorgen 38 vuurmonden voor 8000 inslagen in de stad en daarna volgen vijf stormlopen, die in man-tegen-man gevechten moeten worden afgeweerd. ’We streden dagelijks met lansen, korte steekwapens en stenen, plus onze geweren.’ Van de 1600 militairen komen er 700 levend de stad uit.

Hospitalen
Het beleg van Oostende, dat 1172 dagen duurt, kost aan Nederlandse zijde gemiddeld 70 doden per dag. Gewonden worden afgevoerd naar Zeeland. De hospitalen zitten overvol. In Middelburg worden tijdens het hele beleg ruim 10.000 gewonde militairen opgenomen. Ook Zierikzee, Goes en Veere nemen gewonden op. Als in de belegerde stad de pest uitbreekt, tonen de Zeeuwen zich weinig enthousiast voor opvang te zorgen.

’Bolletjesslikkers’ worden gebruikt voor het overbrengen van berichten: een soldatenvrouw uit Maastricht wordt door Staatse troepen aangehouden en ze bekent twee koperen doosjes te hebben ingeslikt. ’De apotheker maakte enige pillen klaar, die hij haar ’s avonds liet innemen. De werking was zo krachtig dat beide doosjes ’s morgens in haar kamer lagen. Toen ze waren geopend, bleek uit de mededeling dat ze de stad niet langer konden houden.’

Rinus Antonisse

Ronald de Graaf: Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog, 1565-1648 - Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, prijs 69,50.

11-01-2005